← Table of contents
Jack Rustig

Vijf-en-twintigste hoofdstuk.

A. J. van Dragt translation

Jack brengt orde in den warboel ten huize zijns vaders en ondervindt daarbij veel steun van dokter Middleton.

We kunnen ons nu eenigszins voorstellen, hoe het bij de aankomst van onzen held in de huishouding van Meneer Rustig toeging. De arme maanzieke, want zoo kunnen we hem gerust noemen, was overgeleverd aan de willekeur zijner bedienden, die hem bestalen, veronachtzaamden en den spot met hem dreven. De verkwisting in de uitgaven bereikte een ongewone hoogte. Onze held, die zag hoe het geschapen stond, ging naar bed en lag het grootste gedeelte van den nacht te overpeinzen wat hij doen moest. Hij besloot eindelijk dokter Middleton te laten halen en met hem in overleg te treden.

Den volgenden morgen stond Jack vroegtijdig op; zoodra hij schelde, kwam Mesty met warm water aandragen.

“Drommels, Massa Rustig, wat een vreemde ouwe heer is uw vader. ’t Is daarboven niet recht pluis met hem.” liet hij er op volgen en tikte ter verduidelijking tegen zijn voorhoofd.

Jack zuchtte en gelastte Mesty om een der stalknechts bij hem te zenden. Toen de geroepene verscheen, beval hij hem naar dokter Bladzijde 205Middleton te rijden en dien te verzoeken zoo spoedig mogelijk op Boschlust te komen.

De man, die werkelijk een goede bediende was, antwoordde beleefd: “Om u te dienen, meneer!” en haastte zich om den ontvangen last te volbrengen.

Jack ging naar beneden en vond het ontbijt al gereed, maar zijn vader was niet in de kamer, hij begaf zich nu naar diens studeervertrek en trof hem bezig met den timmerman, die aan het maken was van een soort van podium of verhooging, waarop de wonderdadige uitvinding geplaatst zou worden. Meneer Rustig had ’t zoo druk, dat hij niet aan het ontbijt kon komen, en dus begon Jack er alleen maar aan. Een uur later hield dokter Middleton’s rijtuig aan de voordeur stil. De dokter begroette onzen held hartelijk.

“Mijn waarde heer,—want ik dien u nu wel meneer te noemen—ik ben hoogst verblijd, dat gij terug zijt gekomen. Ik kan u verzekeren, dat het geen oogenblik te vroeg is.”

“Dat heb ik ook begrepen,” antwoordde Jack. “Neem plaats, alsjeblieft, dokter; heeft u al ontbeten?”

“Neen, eigenlijk niet; want ik was zóó verlangend om hier te komen, dat ik onmiddellijk heb laten inspannen.”

“Zit dan mee aan, dokter, we kunnen dan meteen op ons gemak het noodige bespreken.”

“Natuurlijk heb gij al opgemerkt hoe ’t met uw vader gesteld is. Hij is volkomen buiten staat om langer zijn eigen zaken te beheeren.”

“Dat vrees ik ook.”

“Hoe denkt gij te handelen,—ze misschien in handen van gevolmachtigden te stellen?”

“Ik zal mijn eigen gevolmachtigde zijn, dokter Middleton. Geef ik de zaken aan anderen in handen, dan moet ik noodzakelijk den toestand van mijn vader bloot leggen en dat stuit me te veel tegen de borst.”

“Ik kan dat heel goed begrijpen; ’t is ook voldoende, als hij er maar toe te brengen is, het beheer geheel en al aan u over te laten.”

“We zullen er ook wat politie bij moeten halen,” hernam Jack, “want dat spitsboevenrommeltje hier in huis, verkeert in een toestand van openbare muiterij.”

“Gij zult er nog heel wat last mee hebben,” zei de dokter. “Weet ge al wat die bottelier voor slag van een kerel is?”

“Ja, dat weet ik uit vaders eigen mond. Ik zou ’t waarlijk als een groote gunst beschouwen, dokter, als u een paar dagen hier zoudt willen blijven, nu gij naar ik hoor de praktijk hebt neergelegd.”

“Ik had al plan u dat voor te stellen, mijn jonge vriend. Ik zal Bladzijde 206met twee van mijn bedienden hier komen; want die nu in huis zijn moet ge ontslaan.”

“Zelf heb ik er een, die zijn gewicht in goud waard is, dus dat zal wel voldoende wezen. Ik zal iedereen wegzenden, van wien gij dat noodig oordeelt, het vrouwelijk personeel kunnen we voorloopig waarschuwen en langzamerhand door anderen vervangen.”

“Zoo zou ik ook voorgesteld hebben,” antwoordde de dokter. “Als gij ’t goedvindt, zal ik nu de hulp van een paar politieagenten gaan inroepen en mij ook bij uw vaders vroegeren rechtsgeleerden raadsman vervoegen.”

“Zeer goed,” zei Jack, “en dan moeten we ook uit visschen wie van de pachters, op grond der beginselen van gelijkheid, de pacht weigeren te betalen, en hen duchtig achter de vodden zitten.”

“Tot mijn groote blijdschap bespeur ik, mijn jonge vriend, dat uw vaders onzinnige denkbeelden geen wortel bij u geschoten hebben.”

“Toch merk ik er soms nog een staartje van, dokter,” antwoordde Jack glimlachend.

“Komaan, nu moet ik u voor een paar uren verlaten, en daarna zal ik, als gij ’t goedvindt, hier mijn kwartier opslaan zoo lang als gij het wenschelijk acht.”

Nog vóór den middag was dokter Middleton al weer terug, vergezeld van meneer Hanson, den zaakwaarnemer; ook bracht hij zijn valies en twee knechts mee. Meneer Rustig was in de huiskamer gekomen en zat aan zijn ontbijt, toen zij binnentraden. Hij ontving hen vrij stroef; maar toen zij zich een paar woorden van lof over zijn verrassende uitvinding lieten ontvallen, veranderde zijn houding geheel. Nadat Jack hem herinnerd had aan zijn belofte, dat hij in ’t vervolg het beheer over de zaken zou hebben, werd de oude heer gemakkelijk overgehaald om de daartoe vereischte verklaring te onderteekenen. Meneer Rustig gaf nu aan Jack den sleutel van zijn schrijflessenaar en meneer Hanson begon de boeken en papieren te doorsnuffelen, om zich behoorlijk op de hoogte te stellen van den staat van zaken. Intusschen kwamen ook de politieagenten opdagen. Al de bedienden werden binnengeroepen; meneer Hanson liet hun het stuk zien, waarbij aan Jack volmacht werd verleend om in naam zijns vaders te handelen, en binnen een half uur was het heele mannelijke dienstpersoneel ontslagen, op twee stalknechts na. De aanwezigheid der politie en van Mesty voorkwam elk verzet, maar toch kon de bottelier niet laten eenige verwenschingen uit te stooten. Zoo had dan Jack in vier-en-twintig uren tijds een totale ommekeer in de huishouding teweeggebracht.

Meneer Rustig bemoeide er zich volstrekt niet mee; hij ging weer Bladzijde 207naar zijn studeerkamer bij zijn wonderbaarlijke uitvinding. Mesty had de sleutels van den kelder onder zijn berusting en kreeg het oppertoezicht over het personeel, dat nog gebleven was. Dokter Middleton, meneer Hanson, meneer Rustig en Jack zetten zich aan het middagmaal, en in alles heerschte de beste orde. Meneer Rustig at met smaak, maar zei niets zoolang het diner duurde. Nauwelijks was dit echter afgeloopen, of hij sloeg als gewoonlijk aan ’t redeneeren over de waarheid en deugdelijkheid zijner wijsbegeerte.

“Wat ik zeggen wil, mijn zoon, als ik me wel herinner, heb je me gisteravond verteld, dat je niet langer mijn gevoelen deelde. Laten we dat nu eens grondig bespreken.”

“Met alle genoegen, vader,” antwoordde Jack. “Wilt u maar beginnen?”

“Eerst de glazen gevuld,” riep meneer Rustig uit; de glazen gevuld, en dan zal ik Jack tot mijn denkwijze terugbrengen. Nu dan, mijn zoon, gij zult, hoop ik, niet ontkennen, dat wij door geboorte allen gelijk zijn.”

“Dat ontken ik wel degelijk,” antwoordde Jack. “Te onderstellen dat alle menschen door geboorte gelijk zijn, is vooronderstellen dat allen begaafd zijn met dezelfde lichaamskracht, en dezelfde vatbaarheid van geest, wat, zooals we weten, niet het geval is.”

“Best mogelijk,” hernam meneer Rustig; “maar dat bewijst nog niet, dat de aarde er niet op aangelegd is, om onder allen gelijkelijk verdeeld te worden.”

“Met uw verlof, dat dit de bedoeling niet geweest is, wordt voldoende bewezen door de omstandigheid, dat zulk een gelijkheid,—aangenomen dat ze in praktijk kon gebracht worden—nooit te handhaven zou zijn.”

“Niet te handhaven!—ja, omdat de sterkeren de zwakkeren onderdrukken, omdat sommige menschen zich vereenigen om kwaad te doen.”

“Daarom niet vader, maar omdat vooraf al de verschillende personen in karakter en neigingen gelijk gemaakt en er bovendien nog tal van punten geregeld dienden te worden. Laat bijvoorbeeld aan ieder een stuk grond van dezelfde grootte toegewezen worden, dan zal degene, die het sterkst en het bekwaamst is, al spoedig van het zijne meer voordeel trekken dan anderen van het hunne, en de gelijkheid is al dadelijk verbroken. Krijgt verder het eene echtpaar geen kinderen en het andere er tien, dan loopt het weer in de war; het stuk land, dat in het eene geval slechts twee personen behoeft te voeden, moet in het andere twaalf monden te eten geven. U begrijpt dus wel, dat zonder roof of onrecht uw gelijkheid niet zou kunnen duren.” Bladzijde 208

“Maar, Jack, aangenomen dat dergelijke oorzaken eenig verschil konden te weeg brengen, het onderscheid zou toch nooit zoo monsterachtig zijn als in de tegenwoordige maatschappij, waarin de een zich in weelde baadt en de ander in de grootste armoede verkeert.”

“Dat er zooveel ellende geleden wordt is stellig zeer te betreuren en men dient op de leniging daarvan bedacht te zijn, maar volkomen gelijkheid blijft een onmogelijkheid, en kan op aarde niet bestaan. Ga maar eens na wat het gevolg er van zou zijn. Was alles even schoon, dan bestond er geen schoonheid meer, want die berust juist op vergelijking—waren allen even sterk, dan kwam er nooit een eind aan oneenigheden,—waren allen gelijk in rang, macht en vermogen, de grootste bekoring van het menschelijk bestaan zou gemist worden—grootmoedigheid, dankbaarheid en meer edele eigenschappen zouden ongekend zijn. Goedhartigheid, uw zoo sterk ontwikkeld orgaan, zou geheel nutteloos zijn, en zelfverloochening een ijdele klank. Waren allen even bekwaam, dan kon er van geleerdheid, talent, genie geen sprake zijn, er zou niets te bewonderen, niets na te volgen of te eerbiedigen vallen—niets zou tot wedijver of tot lofwaardige eerzucht prikkelen. Mijn beste vader, wat zou dat een erbarmelijk vervelende wereld zijn!”

Nog een tijdlang blijven vader en zoon aan het redetwisten, maar de ontdekking, dat Jack het bijna in geen enkel opzicht meer met hem eens was, maakte den ouden heer korzelig, zoodat hij ten slotte het dispuut afbrak met de woorden:

“Nu heb ik geen tijd meer, de heeren zullen me wel willen verontschuldigen, want ik moet gaan zien hoe de timmerman met zijn werk staat en daarna moet ik in de vergadering het woord gaan voeren. Kom je niet eens naar mijn redevoering luisteren, Jack?”

“Dank u wel, vader, ik mag mijn vrienden niet alleen laten.”

Meneer Rustig verwijderde zich nu.

“Weet gij wel, waarde heer, dat uw vader op zijn wildbanen de stroopers vrij spel laat?” vroeg meneer Hanson.

“Ja,” vulde dokter Middleton aan, “hij heeft aan verscheiden benden landloopers verlof gegeven in zijn bosschen hun tenten op te slaan, tot groot ongerief van de buren, die heel wat te lijden hebben van hun rooverijen.”

“Ik vind in de boeken, dat er van de boerderijen nog ongeveer twee jaar pacht te innen valt; sommige pachters hebben geregeld betaald, anderen in geen vier jaar. Naar mijn berekening, bedraagt het achterstallige veertien honderd pond.”

“U zult me verplichten, meneer Hanson, met onmiddellijk de Bladzijde 209noodige stappen te doen, om de verschuldigde bedragen in te vorderen.”

“Zeer zeker zal ik dat, meneer.”

Toen allen opstonden om naar hun kamers te gaan, vatte dokter Middleton onzen held bij de hand. Gij kunt niet gelooven, mijn waarde vriend, hoeveel genoegen het mij doet, dat ge weer hier teruggekeerd zijt en u zoo verstandig betoont. Uw komst was hoog noodig. Den zeedienst zult ge nu stellig wel opgeven.”

“Dat heb ik al gedaan, dokter.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings