Twaalfde hoofdstuk.
A. J. van Dragt translation
De muiterij loopt op een eind uit gebrek aan brandstof en aan water. Jack vindt de Harpij terug.
Bij de muitelingen aan den wal ging het dagelijks hetzelfde gangetje, maar toch werd er minder dikwijls een vuur aangelegd, zeker omdat de brandstof opraakte, wat bij het afnemen der warmte—’t was reeds October—slecht gelegen kwam. Een maand lang hield Jack, die in geen geval wilde toegeven, zich zoo goed en zoo kwaad als het ging bezig met Spaansch te leeren van Pedro en te luisteren naar Mesty’s verhalen uit zijn vroeger leven.
“Wat is dat?” riep Mesty op zekeren morgen midden in een verhaal uit. “Daar steken me die dronken zwijnen de tent in brand!”
Jack keek om en zag dat de tent aan den wal werkelijk in vlammen stond.
“De koude nachten zullen hun moed wel doen bekoelen,” merkte Mesty op. “Je zult eens zien, Massa Rustig, hoe gauw ze zullen soebatten om aan boord te komen.”
Dat dacht Jack ook en hij verlangde sterk om weer onder zeil te gaan. In een der laden van de kleine kajuit had hij een kaart van de Middellandsche zee gevonden en die met ijver bestudeerd. “Kijk,” zei hij tot Mesty, “hier heb je het eiland waar we ons op dit oogenblik bevinden, de weg naar Gibraltar loopt zóó, en zoodra de muiterij gedaan en de wind gunstig is, zetten we koers daarheen.”
Nog eenige dagen verliepen er en toen konden de muitelingen het niet langer uithouden. Vooreerst hadden ze in hun dronkenschap de stop van hun laatste vat er zoo slecht ingeslagen, dat die er weer uitgeschoten en bijna al de wijn verloren gegaan was, bovendien hadden ze geen brandstof meer en daardoor de laatste dagen hun vleesch rauw moeten eten, en tot overmaat van ramp bleef het, nadat ze uit gebrek aan hout hun tent verstookt hadden, vier dagen en nachten aan één stuk regenen. Alles was doornat en zij bibberden van de koude. Ze wilden nog liever gehangen worden dan van gebrek en ellende langzaam wegsterven, en door honger gedreven begaven ze zich naar het strand vlak tegenover het schip en vielen op de knieën.
“Heb ik ’t niet gezegd, massa Rustig?” zei Mesty, daar heb je nu die vervloekte kerels, die ons gedurig met het geweer durfden bedreigen.” Bladzijde 102
“Hallo!” riep er een van den wal.
“Wat wou je?” antwoordde Jack.
“Heb medelijden met ons, meneer,—genade!” jammerden de anderen, “we willen tot onzen plicht terugkeeren.”
“Wat moet ik zeggen, Mesty?”
“Antwoord eerst van neen, massa Rustig—zeg dat ze maar van honger moeten omkomen.”
“Ik kan geen muitelingen aan boord nemen,” riep Jack.
“Dan kome ons bloed over uw hoofd, meneer Rustig,” hernam de man, die het eerst gesproken had. “Als we toch moeten sterven, dan maar liever spoedig; wilt gij ons niet opnemen, de haaien wel. Wat dunkt je, jongens? Laten we allen te tegelijk in zee loopen. Vaarwel, meneer Rustig, vergeef ons als we dood zijn; ’t was enkel die dolleman van een Johnson, die ons bepraat heeft. Komt, jongens, dralen helpt niet, hoe eer hoe liever maar—laten we elkaar de hand geven en dan in zee.”
Het scheen dat de arme kerels dit werkelijk van plan waren, als onze held, op aandrijven van Mesty, bleef weigeren hen aan boord te nemen. Allen schudden elkaar de hand, gingen op een rij staan en daarop volgde een sein van een—twee—.”
“Halt!” riep Jack, wien het vreeselijke tooneel met de haaien nog niet uit het geheugen was,—“halt?”
De mannen bleven staan.
“Wat wilt ge belooven, als ik jullie weer aan boord neem?”
“Dat we stipt onzen plicht zullen doen, totdat we weer op de Harpij zijn, om daar als een waarschuwend voorbeeld voor alle muitelingen gehangen te worden,” antwoordde een der mannen.
“Dat is al heel mooi,” zei Mesty; “houdt ze aan hun woord; massa Rustig.”
“Heel goed,” hernam Jack, “ik neem de voorwaarden aan, en we zullen je komen halen.”
Jack en Mesty staken hun pistolen bij zich en roeiden met de boot naar den wal. Bij het instappen sloegen de matrozen eerbiedig voor onzen held aan, maar spraken geen woord. Aan boord gekomen las Jack hun de artikelen betreffende muiterij voor, waardoor hun herinnerd werd “dat zij des doods schuldig waren,” en hield vervolgens een toespraak, die den uitgehongerden kerels eindeloos toescheen. Maar aan alles komt een eind en dus ook aan Jack’s rede. Mesty gaf hun nu wat beschuit, die zij dankbaar verslonden, tot zij iets beters zouden krijgen. Den volgenden morgen was de wind gunstig; met eenige moeite lichtten zij het anker en verlieten de reede. De afgematte matrozen verrichtten zwijgend hun Bladzijde 103werk, want hunne vooruitzichten waren alles behalve prettig; maar altijd blijft er eenige hoop leven en ofschoon ieder overtuigd was, dat de overigen zouden gehangen worden, hoopte hij toch zelf met een flink pak slaag er af te komen.
De wind belette hun echter recht op het doel af te sturen en eer de avond viel waren ze al drie streken noordwaarts afgeweken. “We zullen toch wel langs de Spaansche kust komen,” merkte Jack op, “en dan moeten we zuidwaarts vanzelf Gibraltar bereiken, daar ben ik niets bang voor, want ik raak al veel beter vertrouwd met de zeevaartkunst.” Den volgenden morgen bevonden ze zich met een zwakke bries onder een hooge kaap en toen de zon opkwam, zagen ze onder den wal een groot schip, omstreeks twee mijlen westelijk, en meer zee in een ander op een afstand van een mijl of vier. Mesty nam den kijker en richtte dien op het buitenste schip, dat opeens al zijn zeilen gestreken had en nu met een vaart op den wal aanliep, juist in de richting van de kaap, waaronder Jack’s vaartuig lag.
“Massa Rustig,—dat is, geloof ik, de Harpij,” zei Mesty terwijl hij den kijker neerlei.
Een der zeelui nam nu den kijker, terwijl de anderen, die er bij stonden, van groote ontsteltenis blijk gaven.
“Ja, ’t is de Harpij,” zei de matroos. “O, meneer Rustig, kunt gij ons niet vergeven?” vervolgde de man, terwijl hij met de overigen op de knieën viel. “Vertel om Godswil niet alles, meneer Rustig.”
Jack’s gemoed werd week; hij zag om naar Mesty.
“Mij dunkt,” fluisterde deze onzen held toe, “dat bij al wat ze reeds doorstaan hebben, een twaalftal per man wel genoeg zal zijn.”
Jack vond de helft dier straf al voldoende, en dus deelde hij hun mede, dat ofschoon hij het gebeurde niet mocht verzwijgen, hij toch niet alles zeggen en zooveel mogelijk vergoeilijken zou. Hij wilde juist weer een toespraak houden, toen een schot van de Harpij, die intusschen op dezelfde hoogte gekomen was, hem dit tot geschikter gelegenheid deed uitstellen. Te zelfder tijd heesch het vaartuig onder den wal de Spaansche vlag en loste een schot.
“Verduiveld, we zitten er juist tusschen in,” riep Mesty uit. “De Harpij houdt ons voor een Spanjaard. Komaan, jongens, de kanonnen gericht en kruit en lood bijgebracht. Massa, nu moeten wij op den Spanjaard vuren, anders laat de Harpij ons niet met rust, want we hebben geen Engelsche vlag aan boord.”
Spoedig waren de kanonnen geladen en kruit op de pan gedaan, onder welke bedrijven de wind ging liggen, zoodat de zeilen van al de drie schepen tegen de masten sloegen. De Harpij was nu Bladzijde 104omstreeks twee mijlen van Jack’s schip verwijderd en de Spanjaard ongeveer een mijl. Mesty nam het Spaansche schip eens goed op.
“Dat is een oorlogschip, massa,—maar hoe komen we nu aan een vlag? We dienen er toch een te hijschen.”
Haastig snelde de neger naar beneden, want hij herinnerde zich een vrij mooien vrouwenrok, achtergelaten door de oude dame, die op het schip was, toen het buit gemaakt werd. Het was er een van groene zijde met gele en blauwe bloemen, maar vrij versleten. Mesty had het ding onder de matras van een der bedden gevonden en in zijn kist gestopt, misschien wel om er een paar vesten van te maken. Spoedig kwam hij er mee aandragen, bevestigde het aan den dirk en heesch het op.
“Ziezoo, massa, dat is voldoende,—dat is nu de zoogenaamde aller-natiënvlag! Iedereen strijkt er de zijne voor en nooit wordt ze naar beneden gehaald,” zei Mesty. “Komaan, nu we de vlag geheschen hebben, gaan we vuren—maar denk er om, één voor één en terdege goed mikken, dan hebben we tijd om weer te laden.”
“Ze hebben de vlag geheschen, kapitein.” zei Sawbridge aan boord van de Harpij; “maar wat ’t er voor een is, kan ik onmogelijk onderscheiden. Hoor, daar valt een schot.”
“’t Is niet op ons gemikt, meneer,” zei Gascoigne, “maar op het Spaansche schip; ik zag den kogel vlak voor den boeg neerslaan.”
“’t Moet een kaper wezen,” zei kapitein Wilson; “in alle geval komt hij juist van pas, want anders zou de korvet te Carthagena zijn binnengeloopen. Al weer een schot, en goed gemikt ook; dat kleine ding voert zwaar geschut, ’t is stellig een Malthezer kaper.”
“Dat wil zooveel zeggen als een zeeroover,” hernam Sawbridge: “ik kan uit de vlag niet wijs worden—het lijkt wel groen—zeker een Turk. Al weer een schot; drommels, een der uitgezette booten van den Spanjaard is getroffen.”
“Ja, kijk ze eens in verwarring raken; als er nu maar een aasje wind komt is hij ons. Daar komt een briesje uit zee op. Zeilen bijgezet, meneer Sawbridge.”
Er werd vierkant gebrast en spoedig had de Harpij stuur. Intusschen onderhield Jack met zijn weinige manschappen een wel zwak, maar geregeld en goed gericht vuur op de Spaansche korvet, waarvan al twee booten in het ongereede waren geraakt. De Harpij stak voor den wind op en was spoedig in de nabijheid; met het vuur uit haar boegjagers trachtte zij de korvet den pas af te snijden.
“We hebben ze,” riep Mesty; “losgebrand, jongens, en goed gemikt. Daar komt meer wind; één man aan het roer. Te deksel, wat is dat?” Bladzijde 105
Deze uitroep van Mesty werd veroorzaakt door een schot, dat den romp van het schip aan stuurboord trof. Jack en hij snelden naar den anderen kant en bemerkten dat drie Spaansche kanonneerbooten juist den hoek waren komen omzetten en hen aangevallen hadden. Even voorbij de kaap lagen namelijk de haven en de stad Carthagena en vandaar waren de kanonneerbooten aan de korvet te hulp gezonden. Gelukkig voor Jack, had de wind nu vat op zijn schip gekregen, anders zou hij misschien naar Carthagena gesleept zijn; en de korvet, die zich zoowel door de Harpij als door Jack’s vaartuig den pas afgesneden zag, wendde haastig den steven en trachtte te ontkomen door westwaarts zoo kort mogelijk onder den wal te houden. Nog een schot en al weer een doorboorde den romp van het schip en wondde twee van Jack’s matrozen; maar zoodra de korvet den steven gewend had, en de Harpij haar volgde, deed Jack natuurlijk hetzelfde en was in tien minuten buiten bereik der kannonneerbooten, die hem niet durfden nazetten. De wind stak meer en meer op en deed den groenen rok lustig wapperen, doch de Harpij en de korvet gaven elkaar nog steeds de volle laag en hadden geen gelegenheid om op Jack’s vlag te letten. De Spanjaard verdedigde zich flink en werd gesteund door de batterijen aan den wal, maar eerst eenige mijlen verder was er een geschikte ankerplaats. Tegen den middag ging de wind liggen en om één uur was het bijna bladstil; maar de Harpij was haar tegenstander nu op drie kabellengten genaderd en nam hem zoo duchtig onder handen, dat de Spanjaard ofschoon gesteund door een batterij van vier kanonnen, omstreeks drie uur de vlag moest strijken. De Harpij zond nu een boot aan boord om het schip in bezit te nemen en richtte vervolgens al zijn vuur op de batterij, die ook spoedig tot zwijgen werd gebracht.
De windstilte hield aan en de Harpij had het druk genoeg met haar buitgemaakt vaartuig, met het schiften der gevangenen en het oplappen der beide schepen, die aan zeilen en tuigage veel geleden hadden. Aan boord van de Harpij kon men nog maar steeds niet begrijpen wat het toch voor een vreemd vaartuig wezen mocht, dat de korvet van koers had doen veranderen en hen in staat had gesteld ze te nemen; maar door de drukte was er geen tijd voor gissingen.
Jack’s bemanning bestond, met hemzelf meegerekend uit acht personen, waarvan één een Spanjaard en twee gewonden. Er bleven hem dus maar vier man over en hij had de handen vol met het bijstaan der gewonden en het bedienen der kanonnen. Bovendien achtte Mesty het niet geraden het schip op een mijl van de Harpij met Bladzijde 106enkel twee man aan boord achter te laten. Ook bedacht Jack, dat hij nog geen middagmaal had gehad en misschien in de adelborstenkajuit niet veel te bikken zou vinden; daarom wilde hij eerst wat eten eer hij aan boord van de Harpij ging. Jack nam de dingen altijd vrij luchtig op en besloot nu zich tegen zonsondergang aan te melden. Er waren nog andere redenen, die Jack weerhielden veel haast te maken met aan boord te gaan; hij moest nog overleggen, wat hij wel in zou brengen om zichzelven te verontschuldigen en zijn bemanning zooveel mogelijk vrij te pleiten. Zijn aangeboren oprechtheid noopte hem eerst om de volle waarheid te zeggen, maar hij bedacht toch dat het beter was er slechts een gedeelte van op te biechten. Eigenlijk hal hij zooveel zwarigheid niet behoeven te maken, want de veertien duizend aan klinkende munt uit de kleine kajuit zou voor hemzelf voldoende verontschuldiging zijn en, om hun dappere houding tegenover den vijand, zou aan de manschappen hun muiterij wel vergeven worden. Onder al dat overpeinzen viel Jack, die doodmoe was van al de inspanning, in slaap en inplaats van tegen zonsondergang te ontwaken, gebeurde dit eerst twee uren later. Mesty had hem niet wakker geroepen, omdat hijzelf volstrekt geen haast had om aan boord te komen en weer “den pot te koken voor de jongeheeren.”
Bij zijn ontwaken verbaasde Jack er zich over, dat hij zoo lang geslapen had. Aan dek gekomen, vond hij het donker en stil, maar kon gemakkelijk waarnemen, dat de Harpij en de korvet bijgedraaid waren en bezig met de geleden schade te herstellen. Hij gaf last om den kleine sloep te strijken en, het commando aan Mesty overlatende, roeide hij met twee riemen naar de Harpij. Door de gewonden, de gevangenen en het heen- en weervaren der booten tusschen de beide schepen, was de aandacht van allen aan boord der Harpij zoozeer in beslag genomen, dat Jack’s kleine sloep onopgemerkt langs zij kwam. Dit had eigenlijk niet mogelijk moeten wezen, maar ’t was nu eenmaal zoo en er viel wel eenige verontschuldiging voor bij te brengen. Jack klom aan boord en werkte zich tusschen de gevangenen door die juist gemonsterd werden voor de uitdeeling van levensmiddelen. Hij was in een mantel gewikkeld, zooals de meeste gevangenen er ook een droegen.
Jack had er schik in, dat hij niet herkend werd; hij sloop de groote trap af en moest zich bukken om onder de hangmatten der gewonden door te komen, juist wilde hij zich achteruit in de kajuit bij den kapitein aanmelden, toen hij den jongen Gossett hoorde schreeuwen. “Ik wed, dat die ellendige Vigors weer bezig is dien armen Gossett af te rossen,” dacht Jack. “De stakker zal Bladzijde 107er danig van gelust hebben in mijn afwezigheid, licht dat ik hem tenminste voor ditmaal verlos.” Jack wikkelde zich in zijn mantel, gluurde door het raampje van de voorlongroom naar binnen, en zag dat het juist zoo was als hij gedacht had. Met een verbolgen stem bulderde hij: “Meneer Vigors, je zoudt me verplichten met Gossett te laten gaan.” Op den klank van die stem, keerde Vigors zich met zijn eind touw in de hand haastig om, zag Jack’s gelaat voor het raampje en in de meening dat het een spookverschijning was, gaf hij een gil en viel als in een stuip neer. Ook de kleine Gossett beefde over al zijn leden en staarde hem met open mond aan. Jack was voldaan, en verdween onmiddelijk weer. Daarop begaf hij zich naar de kajuit, waar hij den kapitein in gezelschap van twee Spaansche officieren aantrof. Hij nam zijn hoed af en zei:
“Zooeven aan boord gekomen, kapitein Wilson.”
Kapitein Wilson kreeg geen stuip, maar sprong van zijn stoel op en gooide daarbij zijn glas om.
“Mijn hemel, meneer Rustig, waar komt gij vandaan?”
“Van dat schip daar achteruit, meneer,” antwoordde Jack.
“Dat schip achteruit! Wat is dat voor een schip?—waar zijt ge zoo lang geweest?”
“Dat is een heele geschiedenis, meneer,” hernam Jack.
Kapitein Wilson stak hem de hand toe en Jack schudde die hartelijk.
“In elk geval ben ik blij je weer te zien, mijn jongen; ga zitten en vertel me met een paar woorden hoe het je gegaan is; de bijzonderheden hooren we later wel.”
“Met genoegen, meneer,” zei Jack; “we hebben den nacht, nadat we weg zijn geraakt, met den kotter dat schip prijs gemaakt. In de zeevaartkunde heb ik ’t nog niet ver gebracht en belaadde bij de Zaffarine-eilanden, waar ik uit gebrek aan manschappen twee maanden moest blijven. Zoodra ik weer voldoende bemanning had, ben ik onder zeil gegaan. Drie man verloor ik door de haaien, twee werden er gewond in het gevecht van heden. Het schip voert twaalf stukken, is half met lood en bedrukt katoen geladen, heeft veertien duizend dollars in de kajuit en drie kogelgaten dwars door—zoodat het zaak is er zoo spoedig mogelijk wat manschappen aan boord te zenden.”
Dit verhaal was niet bijzonder begrijpelijk, maar dat er veertien duizend dollar waren en er manschappen aan boord vereischt werden, was duidelijk genoeg te kennen gegeven. Kapitein Wilson liet meneer Asper roepen, die op het gezicht van onzen held achteruitstoof, en droeg hem op Jolliffe te gelasten met een der kotters aan boord Bladzijde 108van het vreemde schip te gaan, de gewonden over te brengen en zelf het kommando over het vaartuig op zich te nemen. Jack moest Jolliffe vergezellen, om hem de noodige inlichtingen te geven.