Vier-en-twintigste hoofdstuk.
A. J. van Dragt translation
Meneer Rustig’s wonderbaarlijke uitvinding door hemzelven verklaard, tot groote voldoening van onzen held, en naar wij hopen ook tot bevrediging van den lezer.
Eindelijk wierp de pakketboot bij Falmouth het anker uit. Jack gevolgd door Mesty, was spoedig met zijn bagage aan wal. De postwagen bracht hem weldra in Londen en na daar een paar dagen vertoefd te hebben om zich weer behoorlijk in de kleeren te laten steken, bestelde hij een rijtuig, dat hem naar Boschlust moest brengen. Hij had zijn vader niets van zijn aanstaande overkomst gemeld en het was laat in den voormiddag, toen de sjees voor de ouderlijke woning stilhield.
Jack stapte uit en trok aan de schel. De knechts, die open deden, kenden hem niet; het waren niet dezelfden als toen hij van huis was gegaan.
“Is meneer Rustig thuis?” vroeg Jack.
“Wie ben jij?” was de lompe wedervraag van een der knechts.
“Je zult, voor den donder, gauw genoeg ondervinden wie hij is,” bromde Mesty.
“Blijf hier even staan, dan zal ik zien of hij thuis is.”
“Staan blijven? Hier in de gang blijven staan als een schooier? Wat denk jij wel uilskuiken?” riep Jack uit en trachtte den kerel op zij te duwen.
“Ho wat, dat gaat maar zoo niet, heerschap; ’t is hier Gelijkheidshof; de een is hier even goed als de ander.”
“Toch niet in alle opzichten,” antwoordde Jack en sloeg den kerel tegen den grond. “Daar heb je wat voor je onbeschaamdheid; pak je rommel bijeen en morgenochtend de deur uit.”
Tezelfdertijd had Mesty nummer twee bij de keel gegrepen.
“Wat moet ik den vent doen, Massa Rustig?” Bladzijde 198
“Laat hem nu maar los, Mesty; we zullen morgenochtend wel met hen afrekenen. Mijn vader zal denkelijk wel in de bibliotheekkamer te vinden zijn.”
“Zijn vader!” zei een der kerels tot den ander: “hij schijnt niet precies van ’t zelfde hout als de oude paai.”
“’t Zal hier een heele verandering geven, verwacht ik,” antwoordde de ander, terwijl zij zich zamen verwijderden.
“Mesty,” riep Jack op bevelenden toon, “roep die twee lummels eens terug en laat ze de bagage uit de sjees dragen; betaal den koetsier en verzoek de huishoudster je mijn kamer te wijzen. Zoodra je daarmee klaar bent, kom je weer bij me.”
“Best, meneer,” antwoordde Mesty. “Kom nu eens hier schavuiten, en haal me die dingen uit den wagen, of anders zal ik jullie beiden eens terdege wakker schudden.”
Het blikkeren van Mesty’s tanden, zijn woeste blik en zijn kordaat optreden hadden de gewenschte uitwerking. De twee knechts kwamen gemelijk terug en ontpakten den wagen. Intusschen begaf Jack zich naar zijn vaders studeerkamer; hij vond er hem, maar keek heel verbaasd over den toestand van het vertrek, dat door zilveren lampen verlicht werd. Meneer Rustig was zoo druk bezig met een pleisterafgietsel van een menschenhoofd van alle kanten te bekijken, dat hij het binnentreden van zijn zoon niet bespeurde. Het afgietsel van den schedel was in tal van vakjes verdeeld, op ieder van welke iets geschreven stond; maar wat onzen held het meest verstomd deed staan, was de verandering die er in de kamer had plaats gehad. Boekenkasten en boeken waren verwijderd en midden in zag men van de zoldering een toestel afhangen, dat ieders scherpzinnigheid op een zware proef zou gesteld hebben. Het bestond uit een reeks van staafjes in allerlei richtingen, met schroeven aan de uiteinden en een even groot aantal buisjes, elk afzonderlijk in verband met een groote luchtpomp, die op tafel stond. Jack keek eens goed overal rond, trad vervolgens op zijn vader toe en sprak hem aan.
“Hoe!” riep meneer Rustig uit, “is het mogelijk?—ja waarlijk, ’t is mijn zoon Jack! Wat ben ik blij, nu ik je weer zie, Jack—wezenlijk heel blij,” vervolgde de oude man en greep beide zijn handen—“heel blij dat je thuis gekomen bent. Ik verlangde zoo naar je; ik heb je hulp noodig bij de uitvoering van mijn grootsch en roemrijk plan, dat nu, den hemel zij dank, met spoed zijn voltooiing nadert. Weldra zullen de gelijkheid en de rechten van den mensch overal afgekondigd worden. De drang van buitenaf is ontzaglijk, en de bolwerken onzer belachelijke maatschappelijk en staatkundige inrichting zullen vallen. Spoedig zal de gouden eeuw Bladzijde 199aanbreken, het ware duizendjarig rijk—en niet dat, waarover je moeder het altijd had. Ik sta aan het hoofd van negen-en-twintig vereenigingen, en als mijn gezondheid mij bijblijft, zul je zien wat ik tot stand breng, nu ik ook op jouw hulp rekenen kan, Jack.” En meneer Rustig’s oogen begonnen te glinsteren, als die van een overspannen krankzinnige.
Jack zuchtte en om het gesprek een andere wending te geven merkte hij op:
“Wat heeft hier een groote verandering plaats gehad, vader! Waar dient dat alles voor? Is dat soms een werktuig om er de gelijkheid en de rechten van den mensch mee af te meten?”
“Mijn waarde zoon,” hernam meneer Rustig, terwijl hij op zijn gemak ging zitten en de beenen over elkaar sloeg—“ja, zie je, mijn waarde zoon, dat is ’t eigenlijk niet precies, maar toch verraadt uw gissing eenig helder inzicht, want als mijn uitvinding bijval vindt (en daar twijfel ik geen oogenblik aan), zal ik de groote kunst ontdekt hebben om alle onvolkomenheden van de natuur te verhelpen en aan het gansche menschengeslacht een gelijkheid van organisatie te bezorgen, door het aanbrengen der edeler organen van menschelijkheid en het vernietigen der lagere. ’t Is een prachtige uitvinding, Jack, allerprachtigst. Ze spreken wel van Gall en Spurzheim, en dergelijken, maar wat hebben die gedaan? Niets anders dan de hersenmassa afgedeeld, de organen tot klassen gebracht en aangewezen waar ze hun zetel hebben; maar wat heeft dat alles geholpen? De moordenaar van nature is een moordenaar gebleven, de goedhartige goedhartig; van verandering van inborst was geen sprake, en het middel daartoe heb ik nu juist gevonden.”
“Maar, vader, het orgaan der goedhartigheid zult ge toch stellig niet willen wijzigen?”
“Zeker wel, Jack. Ikzelf, bijvoorbeeld, lijd aan te sterke ontwikkeling van dat orgaan; heb ik ’t maar eerst wat beperkt, dan zal ik in staat zijn tot groote dingen, dan zal ik me niet meer laten afschrikken door moeilijkheden, zal alle bezwaren weten te overwinnen en enkel het oog gericht houden op het groote vraagstuk der algemeene gelijkheid en der hoogste rechten van den mensch. De laatste drie maanden stop ik mijn hoofd elken morgen twee uren lang in de machine, en ik kan goed merken dat ’t dagelijks al beter met me wordt.”
“Zou u me die buitengewone uitvinding niet eens wilien uitleggen, vader?” zei onze held.
“Welzeker, mijn jongen, met alle genoegen. Zooals je ziet is er midden-in een vorm, die een manshoofd kan bevatten—natuurlijk Bladzijde 200een beetje ruim—en daar onderaan een soort van ijzeren halsband, waarop het hoofd rust. Is nu het hoofd behoorlijk daarin bevestigd, en moet de afmeting van een of ander orgaan beperkt worden, dan neem ik het knopje, dat correspondeert met de plek waar dat orgaan in het cranium zetelt, en bevestig het er op. Want je zult wel opmerken, dat al de knopjes aan de binnenzijde van den vorm correspondeeren met de organen, zooals die beschreven staan in dit pleisterafgietsel op tafel. Ik schroef dan de knop flink aan, en verhoog de drukking dagelijks, totdat het orgaan geheel en al verdwijnt of teruggebracht is tot den vereischten omvang.”
“Dat begrijp ik volkomen, vader,” antwoordde Jack; “maar verklaar me nu ook eens, hoe gij het aanlegt om een orgaan, dat niet aanwezig is, te doen ontstaan.”
“Dat is nu juist de grootste volmaaktheid van de heele uitvinding,” antwoordde meneer Rustig, “want zonder dat zou ze weinig waard zijn. Ik ben stellig overtuigd, dat mijn ontdekking mij vereeuwigen zal. Let maar eens op al deze kleine glazen klokjes, die in verbinding staan met de luchtpomp. Ik scheer mijn patiënt het hoofd kaal, smeer dat een weinig met vet in, en plaats er het glazen klokje op, dat precies den vorm heeft, die het orgaan in lengte en breedte krijgen moet. Ik laat de luchtpomp werken en ontwikkel het orgaan door zuiging. Missen kan ’t niet. Daar heb je, bijvoorbeeld, mijn bottelier, een man die verleden voorjaar een moord begaan heeft en ternauwernood aan de galg ontsnapt is. Hem heb ik met opzet gekozen; het orgaan voor moord heb ik geheel en al weggedrukt en dat voor goedhartigheid zoo sterk ontwikkeld, dat ’t haast zoo groot is als een duivenei.”
“Nu, vader, als het opgang maakt, zal ’t een winstgevende uitvinding zijn.”

Meneer Rustig was druk bezig met een pleister afgietsel van een menschenhoofd van alle kanten te bekijken.
“Opgang maken!—wel, dat kan immers niet missen. Het heeft me bijna twee duizend pond gekost. In ’t voorbijgaan gezegd, Jack, je hebt ’t wat erg rijkelijk aangelegd, en bij mijn eigen uitgaven heeft ’t me wel eens moeite gekost je wissels te betalen. Niet dat ik er aanmerking op wil maken—maar met al die genootschappen, mijn machine, de weigering van mijn pachters om de huurpenningen te betalen, op grond dat de hofsteden even goed van hen als van mij zijn—wat ik niet tegen kan spreken—ben ik soms in geldverlegenheid geraakt.”
“De gouverneur heeft wel gelijk gehad,” dacht Jack, en vroeg, om het gesprek op iets anders te brengen, naar dokter Middleton.
“Die arme kerel! Hij is nog in leven—ik geloof zelfs, dat hij zich heel wel gevoelt. Dat is nu iemand, die altijd zijn neus in een Bladzijde 201ander mans zaken wil steken, en zich onder anderen ook over mijn bedienden beklaagt—maar ik laat den onnoozelen hals stilletjes praten. Zoo deed ik met je moeder ook, dat arme schaap.”
“Met uw verlof, vader, ik heb me ook te beklagen over de onbeschaamdheid van uw bedienden; maar als u ’t goed vindt, zullen we daar later overspreken, want op het oogenblik heb ik behoefte aan wat eten.”
“Welzeker, Jack, als je zoo’n honger hebt—ik ga met je mee. Te klagen over mijn bedienden, zeg je?—Dat moet stellig een vergissing zijn—iederen morgen krijg ik ze onder mijn machine; maar ik moet ook nog een kleine verbetering aanbrengen. Je begrijpt, Jack, dat er iets indrukwekkends aan verbonden dient te zijn: het geheele toestel moet een voet of wat hooger komen, bij wijze van een troon, want het is de troon der rede, de overwinning van den geest over de natuur.”
“Alles goed en wel, vader; maar ik heb een verbazenden honger.”
Jack en zijn vader gingen naar de huiskamer en er werd gescheld; er kwam evenwel niemand, en Jack stond op om nogmaals te schellen.
“Mijn beste jongen,” merkte meneer Rustig op, “wees toch niet zoo haastig: iedereen zorgt natuurlijk eerst voor hetgeen hij zelf noodig heeft, en daarna voor een ander. Mijn bedienden nu....”
“Zijn een troep onbeschaamde vlegels, en onbeschaamdheid heb ik nooit kunnen verdragen. Toen ik hier in huis kwam, heb ik er al één een peuter gegeven, en als gij ’t goedvindt, zal ik er morgen minstens twee wegzenden.”
“Mijn waarde zoon,” riep meneer Rustig uit, “gij een van mijn bedienden slaan!—maar beseft ge dan niet, dat volgens de wetten der gelijkheid....”
“Wat ik besef is dit, vader,” antwoordde Jack, “dat, volgens alle maatschappelijke wetten, wij het recht hebben beleefdheid en gehoorzaamheid te verwachten van degenen, die door ons betaald en gevoed worden.”
“Betaald en gevoed! Maar, mijn waarde zoon,—mijn beste Jack.—bedenk toch....”
“Ik bedenk alles heel goed, vader; maar als uw bedienden niet heel gauw tot bezinning komen, moeten zij of ik de deur uit.”
“Maar, mijn beste jongen, ben je dan de beginselen, die ik je ingeprent heb, heelemaal vergeten? Was je naar-zee-gaan niet juist een zoeken naar de gelijkheid, die hier aan den wal door dwingelandij en overheersching te niet gedaan wordt? Erken en steun je mijn wijsbegeerte niet langer?” Bladzijde 202
“We zullen daar morgen eens uitvoerig over praten, vader,—voor het oogenblik verlang ik naar wat eten,” en Jack gaf driftig een ruk aan de schel.
Op die laatste aanmaning verscheen de bottelier, gevolgd door Mesty, die er van kwaadheid als een duivel uitzag.
“Lieve hemel, wat is er dat voor een?”
“Mijn bediende, vader,” riep Jack opspringend; “iemand op wien ik vertrouwen kan en die mij gehoorzaamt. Mesty, laat me onmiddellijk wat eten en wat wijn brengen—zorg dat die schobbejak het in een wip klaar heeft. Maakt hij niet voort, gooi hem dan de deur uit en sluit hem er buiten. Begrepen?”
“Jawel, Massa,” grijnsde Mesty; “u zult gauw genoeg een maal voor u hebben, of anders.... Volg me,” snauwde hij den bottelier toe; “vlug wat, of ik zal je laten merken met wie je te doen hebt.”
“Breng onmiddellijk avondeten en wijn,” zei meneer Rustig op een bevelenden toon, dien zijn bottelier nog nooit van hem gehoord had.
De bottelier verliet de kamer, gevolgd door den neger.
“Mijn beste jongen,—mijn Jack—aan den honger kan ik veel vergeven, maar waarlijk je bent veel te heftig. De beginselen....”
“Och wat, met uw beginselen, ’t is onzin anders niet, vader!” riep Jack driftig uit.
“Hoe, Jack!—mijn zoon—wat moet ik hooren? En nog wel van jou—onzin! Maar, Jack, wat heeft kapitein Wilson toch wel met je uitgevoerd?”
“Mij weer bij mijn verstand gebracht.”
“O hemeltje! mijn dierbare Jack, je zult me het mijne nog doen verliezen.”
“Dat is al niet meer noodig,” dacht Jack.
“Dat gij, mijn zoon, zoo zorgvuldig opgevoed in de groote, roemvolle school der wijsbegeerte, zoo moest afdwalen—zoo gewelddadig worden—dat gij uw verheven wijsbegeerte, en alles moest vergeten—evenals Ezau, die zijn eerstgeboorterecht voor een maal linzen verkocht! O, Jack, gij doet mij den dood aan! En toch heb ik u lief, Jack,—want wien heb ik anders op de wereld? Doch geduld maar, wij zullen er over redeneeren, mijn jongen—ik zal je overtuigen—binnen een week zal alles weer in orde zijn.”
“Dat zal ’t, als ik er iets aan doen kan,” antwoordde Jack.
“Zoo mag ik ’t hooren,—dat geeft troost, veel troost—maar ik begin nu te gelooven, dat ik verkeerd gedaan heb met je op zee te laten gaan, Jack.”
“Volstrekt niet, vader.” Bladzijde 203
“Nu, het doet me genoegen, dat je zoo spreekt; ik dacht anders, dat ze je te gronde hadden gericht, dat ze al je wijsbegeerte hadden te niet gedaan—maar het zal wel weer te recht komen—je zult onze vergaderingen bijwonen, Jack,—ik ben er president van—je zult me hooren spreken, Jack,—je zult me hooren donderen als Demosthenes—maar daar komt het eten.”
De bottelier, gevolgd door Mesty, die hem als een gevangene bewaakte, verscheen nu met spijzen, zette die gemelijk neer en ging heen. Jack beval Mesty te blijven.
“Wel, Mesty, hoe is het in de bodenkamer gesteld?”
“’t Is er kompleet oproer, meneer,—ze hebben gezworen, dat ze zich niet door ons zullen laten ringelooren, en dat wij beiden morgen de deur uit moeten.”
“Mijn huis verlaten, Jack, en dat na vier jaren afwezigheid!—neen, neen! Ik zal eens met hen gaan praten, hen tot rede brengen. Je weet niet hoe welbespraakt ik ben, Jack.”
“Hoor eens, vader, dat mag ik niet toestaan, een van beiden: geef me onbeperkte volmacht om de huishouding hier op orde te brengen, of ik ga morgen hier vandaan.”
“Heengaan, Jack! neen, neen—geef hun de hand en wordt weer goede maatjes met hen, wees beleefd en zij zullen u dienen—maar je weet, volgens de beginselen....”
“Beginselen van den duivel!” schreeuwde Jack woedend.
“Van den duivel, Jack? Och, was je maar nooit op zee gegaan!”
“Kort en goed, vader, stemt ge toe, of moet ik het huis verlaten?”
“Het huis verlaten! O neen; niet heengaan, Jack. Je bent mijn eenige zoon. Doe dan maar liever al wat je goedvindt—maar zend toch dien moordenaar niet weg, want ik moet hem volkomen genezen, en in hem de deugdelijkheid van mijn bewonderenswaardige uitvinding bewijzen.”
“Mesty, breng mijn pistolen in gereedheid voor morgenochtend, en de jouwe ook—begrepen?”
“Jawel, Massa,” antwoordde Mesty. “Die maatregel is hoog noodig.”
“Noodig!—pistolen, Jack? Wat beteekent dat toch?”
“’t Is mogelijk, vader, dat gij uw moordenaar nog niet geheel genezen hebt, en daarom is het goed op zijn hoede te zijn. Voor het oogenblik wensch ik u goedennacht; maar doe me, eer ik ga, het genoegen, een der bedienden hier te roepen om hem op te dragen aan de anderen mee te deelen, dat de huishouding voortaan onder mijn toezicht komt.”
Er werd opnieuw gescheld, en ditmaal werd er spoediger gehoor Bladzijde 204aangegeven. Jack zei nu den bediende, dat hij, met toestemming van zijn vader, voortaan het geheele beheer op zich zou nemen, en dat het dienstpersoneel de orders van Mesty had op te volgen. De man staarde hem een tijd lang verwezen aan, sloeg daarna een vragenden blik op meneer Rustig, die aarzelde, maar ten laatste zei:
“Ja, Willem; je zult me wel bij allen verontschuldigen en zeggen, dat ik ’t zoo geregeld heb.”
“Geen verontschuldigingen, tegenover niemand,” riep Jack uit; “maar zeg hun, dat ik morgenochtend, den heelen boel regelen zal. Laat de huisknecht hier komen om me mijn slaapkamer te wijzen. Mesty ga je avondmaal gebruiken en kom daarna bij me; als er een durft weigeren, onthoud hem dan goed, en wijs me hem morgenochtend. Nu weet je hoe het staat,” vervolgde hij tot den bediende; “ingerukt, en breng me een kandelaar.”