← Table of contents
Jack Rustig

Vierde hoofdstuk.

A. J. van Dragt translation

Jack begint vrij verstandig te overleggen, maar komt toch tot een erg onverstandig besluit.

Nadat Jack ongeveer een kwartier in zijn zonderlinge positie had doorgebracht, begonnen zijn tanden te klapperen en zijn lippen te trillen; hij voelde een dofheid in al zijn ledematen en achtte het hoog tijd om hulp te roepen. In het eerst durfde bij wel niet goed, uit vrees dat hij dan weer zou blootgesteld raken aan de verontwaardiging van den boer en diens gezin, maar hij kon hier toch niet blijven. Juist sperde Jack zijn mond open om een schreeuw te geven, toen er beweging in den ketting kwam en hij langzaam omhoog ging. Eerst hoorde hij klachten over de zwaarte van den emmer, wat hem volstrekt niet verwonderde; daarna hoorde hij gegrinnik en gelach van twee personen en weldra ging het vrij vlug naar boven. Ten slotte kwam zijn hoofd boven het lage muurtje uit en juist wilde hij zijn eene arm uitsteken om zich vast te grijpen, toen de twee aan het windas hem in de gaten kregen. Het waren een stevige boerenknecht en een meid. Bladzijde 28

“Dank u,” zei Jack.

Maar men moet nooit te vlug zijn met bedanken. De meid gaf een gil en liet den draaier los, de knecht schrikte en kon het windas ook niet meer houden; de draaier ontglipte aan zijn handen, sloeg hem tegen de kin, zoodat hij languit op den grond rolde en eer het “dank u” goed en wel over Jack’s lippen was gekomen, ging hij weer als een pijl uit den boog naar omlaag. Gelukkig had hij den ketting nog niet losgelaten, anders zou hij tegen den kant geslagen zijn en er stellig het hachje bij ingeschoten hebben; hij kwam er nu af met een tweede onderdompeling en bevond zich weldra weer in zijn vorigen toestand.

“Dat is me ook wat moois,” dacht Jack, terwijl hij zijn pet wat vaster op het hoofd drukte, “maar ze kunnen zich nu ten minste niet meer houden, alsof ze niet wisten dat ik hier was.”

Intusschen stoof de meid de keuken binnen, liet zich op een stoel vallen, maar gleed er onmiddellijk weer af en kwam terecht op eenige opgemaakte brooden, die nog gebakken moesten worden en op den grond bij het vuur gezet waren om wat te rijzen.

“Hemeltje lief! wat is er met Suze aan de hand?” riep de pachtersvrouw uit. “Heidaar,—Marie—Jan—waar zit je? Och, och, al mijn brooden zoo plat als een koek!”

Jan kwam spoedig daarop, met zijn hand aan zijn onderkaak. Hij zag er ontdaan en verschrikt uit, wat geen wonder was; want vooreerst dacht hij dat zijn onderkaak gebroken was en bovendien geloofde hij stellig en vast, dat hij den duivel gezien had.

“Goeie genadigheid! wat is er toch gaande!” riep de pachtersvrouw alweer. “Marie, Marie?” schreeuwde ze en begon nu zelf ook angstig te worden, want hoe ze ook alle krachten inspande, ze kon maar geen beweging krijgen in Suze, die als een klomp lood op haar bed van deeg lag. Marie gaf gehoor aan het luid geroep harer meesteres en met haar hulp gelukte het Suze van den grond te tillen; maar de brooden weer in hun fatsoen te brengen, daar was geen denken aan.

“Waarom help jij dan ook eens niet een handje, Jan? snauwde Marie hem toe.

“Au-au-au!” was al wat ze ten antwoord kreeg van Jan, die van dat helpen van Suze al plezier genoeg had gehad, en maar steeds zijn hand aan de wang hield.

“Wat is er toch te doen, vrouw?” riep de pachter onder het binnentreden. “Wel verdraaid, wat scheelt Suze toch? En wat scheelt jou?” vervolgde hij, zich nu tot Jan wendend. “Duivels, het schijnt wel dat de heele boel in de war loopt vandaag. Om te beginnen Bladzijde 29worden mijn appels gestolen—dan vind ik in den tuin al mijn bijenkorven omvergesmeten—de stier heeft Caesar leelijk toegetakeld, is vervolgens door de heining gebroken en daarna in den zaagkuil gevallen—en nu ik hier hulp kom halen om er hem weer uit te krijgen, vind ik de meid meer dood dan levend en Jan met een gezicht alsof de booze hem verschenen was.”

“Au-au-au!” antwoordde Jan met een veelbeteekend hoofdknikken.

“Je zoudt waarachtig gaan denken, dat de duivel vandaag losgebroken was. Wat is er toch, Jan? Heb jij hem soms gezien, of Suze?”

“Au-au!”

“Loop heen met je au! Met jou valt niets te beginnen. Is dat schepsel weer bij haar positieven gekomen!”

“Ja, ja, ze is weer beter.—Suze, wat is er gebeurd?”

“O, o, juffrouw! de put, de put.”—

“De put! Daar is ’t zeker niet in den haak; ik zal eens gauw gaan kijken.”

De boer haastte zich naar den put. Hij zag dat de emmer naar omlaag en de ketting geheel afgeloopen was; hij boog zich wat over den rand en keek in den put. Jack, die vrij ongeduldig geworden was en al telkens opgekeken had of er nog geen hulp kwam opdagen, zag nauwelijks het vollemaansgezicht van den boer of hij riep:

“Hier ben ik, haal me spoedig op, of ik zal ’t besterven.” Die bewering was niet zoo ver buiten de waarheid, want de jongen was doodaf, ofschoon hij nog altijd moed had gehouden.

“Verduiveld, daar is er eentje in den put gevallen!” riep de boer uit; “er komt vandaag geen eind aan de ongelukken. Ja, een christenmensch gaat toch altijd boven een stier; dus eerst hem uit den put gehaald en dan mijn beest uit den kuil geholpen.”

Fluks riep hij eenige arbeiders en nu zou het reddingswerk beginnen.

“Opgepast daar beneden, hou je stevig vast.”

“Ga je gang maar!” riep Jack.

Het windas werd in beweging gebracht en weldra kwam Jack opnieuw over den rand kijken. Een paar handen werden hem toegestoken en spoedig was hij uit zijn benarden toestand gered. Ze moesten hem echter languit op den grond leggen, want zijn krachten hadden hem begeven.

“Wel verdraaid! ’t is dezelfde jongen, die bezig was mijn appels te stelen,” riep de boer uit—“maar toch, het kapen van een paar appels mag hem den dood niet kosten; alloo, jongens, opgepakt Bladzijde 30en hem naar binnen gedragen—hij is heel verkleumd van de kou—en geen wonder.”

De pachter liep vooruit en zijn arbeiders droegen Jack in huis, waar hij een glas brandewijn te drinken kreeg. Dit wekte de levensgeesten weer op en spoedig was de jongen weer aardig opgeknapt.

Nadat Jack verteld had hoe alles zich had toegedragen, vroeg de boer hem, hoe hij heette.

“Mijn naam is Rustig,” antwoordde Jack.

“Hoe! ben je de zoon van meneer Rustig van Boschlust?”

“Ja.”

“Alle drommels! dat is mijn pachtheer, en wat een goede, hoor!—Waarom heb je dat niet gezegd, toen je in den appelboom zat? Voor mijn part hadt je dan den heelen boomgaard kunnen plunderen.”

“Beste vriend,” hernam Jack, die na een tweede glas brandewijn weer erg spraakzaam was geworden, “laat het u een les zijn, om voortaan altijd te luisteren, als iemand u iets uiteen wil zetten. Als gij maar geduld hadt gehad, zou ik u onweerlegbaar bewezen hebben, dat gij niet meer recht op die appels hebt dan ik; maar gij verkoost niet te luisteren naar mijn betoog, en zonder redeneering kunnen we nooit achter de waarheid komen. Gij hebt er uw hond bijgehaald en nu ligt hij met een opengescheurd lijf—uw stier heeft zijn poot gebroken in den zaagkuil—uw bijenkorven liggen overhoop, zoodat al de honig verloren is—uw knecht heeft zijn onderkaak gebroken—uw meid heeft al uw brood bedorven—en waarom? Enkel en alleen omdat gij mijn redeneering niet hebt willen aanhooren.”

“Ja, zie je, jongenheer, ’t mag waar zijn, dat al die ongelukken gebeurd zijn omdat ik u niet hebt laten uitpraten, maar als ik nu toch den boomgaard van uw vader gepacht heb, dan begrijp ik me niet, hoe gij me zoudt kunnen bewijzen dat de appels mij niet toebehooren. Maar al bekijken we het geval op uw manier, dan zie ik nog niet in, dat gij er zooveel beter af zijt gekomen: gij klimt in een boom om een paar appels, terwijl gij meer dan genoeg geld in uw zak heb om ze te koopen als ge er lust in hebt—een hond belet u weer naar beneden te komen—een stier gaat u bijna met zijn horens te lijf—de bijen steken u erbarmelijk en gij tuimelt in een put; ja, ’t is een duizend lukje, dat gij er het hachje niet bij ingeschoten hebt—en dat enkel om een paar appels, die nog geen dubbeltje waard zijn.”

“Dat is alles zeer waar, mijn goede man,” hervatte Jack, “maar gij vergeet, dat ik, als wijsgeer, bezig was met de rechten van den mensch te verdedigen.” Bladzijde 31

“Zoo? Ik heb nog nooit geweten, dat een jongen, die appels stal, een wijsgeer genoemd werd; wij noemen zoo eentje een kleine gauwdief. En wat die rechten van den mensch betreft, ik zie niet in hoe men die kan verdedigen door verkeerde dingen te doen.”

“Gij begrijpt niet hoe de zaak in elkaar zit, pachter.”

“Neen, dat doe ik ook niet—en ik ben te oud geworden om het nog te leeren, jongeheer. Al wat ik er van zeggen kan is dit, dat gij altijd welkom zijt in den boomgaard als ge lust hebt in een paar appels, en als gij, in de vooronderstelling dat gestolen vruchten het lekkerst smaken, ze liever wilt stelen, welnu, dan zal ik last geven, dat men u stil uw gang moet laten gaan. Maar, jongenheer, mijn sjees staat voor de deur en mijn knecht zal u naar huis rijden. Doe alsjeblieft mijn groeten aan uw vader en zeg hem, dat ’t me erg spijt, dat gij in onzen put zijt gevallen.”

Daar Jack op het oogenblik veel meer lust had om in zijn bed te kruipen dan om aan ’t betoogen te gaan, wenschte hij den pachter goedenavond, en liet zich naar huis rijden.

De pijn, die de steken der bijen hem veroorzaakten, was intusschen zoo hevig geworden, dat hij heel blij was dokter Middleton bij zijn vader en moeder aan de theetafel te vinden. Jack vertelde enkel, dat hij het ongeluk had gehad onder een zwerm bijen verzeild te raken en hevig gestoken was. Hij gaf aan het heele geval een anderen draai. Toen de dokter hem de pols voelde, bemerkte hij, dat de jongen een hevige koorts had, wat na al hetgeen er dien dag met hem gebeurd was, niet te verwonderen viel. Een week lang moest hij het bed houden, gedurende welken tijd hij allerlei dingen door zijn hoofd haalde en een plan maakte.

Maar we moeten een omstandigheid vermelden, die misschien wel de oorzaak was van Jack’s besluit. Toen hij op dien bewusten avond thuis kwam, trof hij er behalve dokter Middleton ook een zekeren kapitein Wilson aan, een verren neef die slechts zelden Boschlust bezocht, omdat hij nog al veraf woonde. Bovendien had de man vrij wat moeite om in het onderhoud van zijn groot gezin te voorzien, zoodat er van snoepreisjes niet veel sprake kon zijn. Het bezoek van kapitein Wilson gold thans een poging om van meneer Rustig geldelijken bijstand te krijgen. Hij was pas aangesteld als gezagvoerder over een oorlogschip, en daar zijn uitrusting nog al veel kostte, kon hij zijn vrouw geen voldoende som tot onderhoud van het gezin achterlaten. Daarom verzocht hij nu meneer Rustig hem eenige honderden guldens te leenen, die hij zoodra mogelijk zou terugbetalen. Meneer Rustig was er de man niet naar om zoo iets te weigeren en daar hij altijd een aanzienlijk bedrag bij zijn Bladzijde 32kassier had uitstaan, trok hij op dezen een wissel van duizend gulden en gaf dien aan kapitein Wilson, met de bijvoeging dat hij het bedrag maar terugbetalen moest, als het hem gelegen kwam. Juist was deze zaak bedisseld en kapitein Wilson weer met meneer Rustig in de huiskamer gekomen, toen Jack van zijn uitstapje terugkeerde.

Jack groette kapitein Wilson, dien hij sinds lang kende; maar, zooals wij reeds opmerkten, leed hij zooveel pijn, dat hij al spoedig zich met dokter Middleton verwijderde en naar bed ging.

Een week geeft heel wat gelegenheid tot overdenken, zelfs aan een jongen van veertien, al is die leeftijd niet bijzonder geneigd tot overpeinzingen. Maar Jack lag te bed; van de steken der bijen waren zijn oogleden zoo gezwollen, dat hij volstrekt niet lezen kon of zich op eenige wijze bezig houden waarbij zijn gezicht te pas kwam. Te luisteren naar het gebabbel van Saar, die hem oppaste, beviel hem ook niet erg; zoodat hij zich maar met zijn eigen gedachten den tijd zocht te verdrijven.

Nadat hij acht dagen te bed had gelegen, verscheen hij eindelijk weer in de huiskamer, en deed nu aan zijn vader een uitvoerig verhaal van de omstandigheden, die hem genoodzaakt hadden het bed te houden.

“Zie je wel, Jack”, antwoordde zijn vader, “’t is precies zooals ik je gezegd heb: de wereld is in merg en been verdorven door wat ze maatschappelijke instellingen gelieven te noemen, en ieder die zich tegen die ordeningen verzet, bemerkt telkens dat hij aan het kortste eindje trekt. Maar geen moed verloren, de waarheid moeten we blijven voorstaan, als zou ’t onze ondergang zijn.”

Alles goed en wel, papa, maar bij het betrachten van die wijsbegeerte ben ik nu, in den korten tijd van twee dagen, beroofd van de visschen, die ik gevangen had, en van hengelroe en tuig bovendien—ze hebben me in een vischvijver gegooid—een bulhond heeft me een doodsangst op het lijf gejaagd—’t scheelde niet veel of een stier had me gedood—bijen hebben me allerjammerlijkst toegetakeld, en tweemaal ben ik in een put gevallen. Als dat nu in twee dagen gebeurt, wat staat me dan niet in een heel jaar te wachten? Het lijkt me onverstandig hier nog verdere pogingen te doen, want het schijnt dat de menschen te land voor geen rede vatbaar zijn. Maar al is de grond ook zoo schandelijk onder weinigen verdeeld, het water is ten minste algemeen eigendom. Niemand maakt aanspraak op een deel er van, ieder kan het naar hartelust doorkruisen, zonder dat een ander dit als overtreding beschouwt. Alleen op zee denk ik de gelijkheid en de rechten van den mensch erkend te zien, en daarom ben ik besloten niet naar Bladzijde 33school terug te keeren, waar ik erg een hekel aan heb, maar op zee te gaan en daar zooveel mogelijk onze denkbeelden te verbreiden.”

“Daar heb ik geen ooren naar, Jack. In de eerste plaats moet je weer naar school, en in de tweede plaats mag je niet naar zee.”

“En toch verklaar ik bij de rechten van den mensch, dat ik niet weer naar school wil, maar naar zee. Wie en wat zou me verhinderen? Heb ik niet evenveel recht op mijn deel van de zee als ieder ander sterveling? Ik dring aan op de volkomen gelijkheid,” voegde hij er bij en stampte op den grond.

Wat kon meneer Rustig hierop antwoorden? Hij moest òf als wijsgeer zijn stellingen opgeven, òf als vader zijn zoon laten varen. Als alle wijsgeeren, koos hij wat hem het minst gewichtig toescheen, hij bracht zijn zoon ten offer; maar, we moeten tot zijn eer zeggen, hij deed ’t met een zucht.

“Nu, Jack, als je er op staat, zul je naar zee.”

“Natuurlijk,” antwoordde Jack met den glans der overwinning op het gelaat: de vraag is maar, met wien? Ik meen gehoord te hebben, dat kapitein Wilson spoedig zee zal kiezen en met hem zou ik graag onder zeil gaan.”

“Ik zal hem schrijven,” zei meneer Rustig op droeven toon; en hiermee was de zaak beklonken.

Kapitein Wilson’s antwoord luidde natuurlijk toestemmend, en hij beloofde, dat hij Jack als zijn eigen zoon zou behandelen.

Onze held reed dienzelfden middag op zijn vaders paard naar meneer Bonnycastle.

“Ik ga naar zee, meneer.”

“Dat is heel goed voor je,” antwoordde deze.

Onze held begaf zich naar dokter Middleton.

“Ik ga naar zee, dokter.”

“Je kunt niet beter doen,” luidde het antwoord.

“Ik ga naar zee, moeder,” zei Jack.

“Naar zee. Jaapje, naar zee, zeg je? o neen, neen, Jaapjelief, niet naar zee!” riep mevrouw Rustig met afgrijzen uit.

“Jawel, moe, pa heeft ’t goed gevonden en me gezegd, dat hij ook uwe toestemming zal weten te krijgen.”

“Mijne toestemming! Och, mijn lieve, lieve jongen!”—en mevrouw Rustig weende bitter. Bladzijde 34

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings