← Table of contents
Jack Rustig

Dertiende hoofdstuk.

A. J. van Dragt translation

Onze held komt tot de wetenschap, dat driehoeksmeting niet enkel noodig is voor de scheepvaart, maar ook kan dienen tot vereffening van eerezaken.

Kapitein Wilson had te recht gezegd, dat hij ’t te druk had om dien avond naar Jack’s verhaal te luisteren, want zij moesten zich haasten om beide schepen zoo spoedig mogelijk zeilree te maken. De Spanjaarden hadden namelijk op nog geen tien mijlen afstand te Carthagena oorlogsschepen liggen, die met den uitslag van het treffen bekend waren geworden. Meneer Sawbridge was aan boord van het buitgemaakte schip, een korvet, die twee stukken meer voerde dan de Harpij en de Cacafuogo heette.

Het onbesuisd optreden van Jack had veel tot de vermeestering er van bijgedragen, zoodat kapitein Wilson en meneer Sawbridge, die beiden bevorderd werden, de een tot postkapitein, de ander tot kommandant, dit eigenlijk aan Jack te danken hadden. De Harpij had aan dooden en gewonden negentien man verloren en de Spaansche korvet zeven en veertig.

Tegen twee uur in den morgen waren de schepen gereed en gingen onder zeil naar Gibraltar, terwijl de Nostra Signora del Carmen, onder bevel van Jolliffe, hen vergezelde. Jolliffe genoot het eerst het verhaal van Jack’s avonturen, en luisterde er met verbazing naar. Omstreeks negen uur draaide de Harpij bij en zond een sloep aan boord om onzen held en de manschappen, die zoolang met hem op het buitgemaakte schip waren geweest, af te halen en tevens de aanwezige dollars over te brengen. Toen Jack afscheid nam van Jolliffe haalde hij zijn krijgsartikelen voor den dag en gaf ze hem ten geschenke met den wensch, dat ze hem evenveel dienst mochten bewijzen, als ze hemzelf hadden gedaan. De matrozen waren al in de sloep en wierpen smeekende blikken op Jack, ten einde zijn medelijden op te wekken, en Mesty ging vrij gemelijk naast onzen held zitten, waarschijnlijk omdat ’t hem maar half beviel, dat hij weer “den pot Bladzijde 109zou moeten koken voor de jongeheeren.” Ook Jack was niet prettig gestemd nu hij zijn kommando moest laten varen, en hij wierp nog eens een blik op den groenen vrouwenrok, die maar steeds aan den mast wapperde, want Jolliffe had de vlag, waaronder Jack zoo gelukkig gestreden had, niet willen neerhalen.

Zooals te begrijpen valt, nam het verhaal van Jack een groot deel van den morgen in beslag, en ofschoon onze held niet trachtte te verbloemen, dat hij meneer Sawbridge’s terugroepingssignaal wel gezien had, wekte toch het overige zoozeer de belangstelling van den kapitein, dat hij geheel verzuimde Jack een berisping toe te dienen over het in den wind slaan der bevelen. Hij prees Jack’s houding en was ook bijzonder tevreden over Mesty. De gelegenheid was te schoon, om niet melding te maken van Mesty’s tegenzin in zijn tegenwoordige bediening en Jack’s aanbeveling werd gunstig opgenomen. Ook wist hij vergiffenis te verkrijgen voor de manschappen, maar toch moesten ze voor het oogenblik in boeien geslagen worden. Jack liet hun echter door middel van Mesty mede deelen, dat ze weer vrijgelaten zouden worden, zoodra ze te Gibraltar aankwamen, zoodat een gunstige wind het eenige was wat er nog te wenschen overbleef.

Kapitein Wilson deelde aan Jack mede, hoe hij in de vooronderstelling dat de kotter gezonken was, aan zijn vader had geschreven, om hem den dood van zijn zoon te melden. Dit speet onzen held zeer, vooral om het verdriet dat zijn arme moeder er over hebben zou. “Maar och,” dacht Jack, “al gevoelt ze zich een paar maanden ongelukkig, des te blijder zal ze zijn, als ze hoort dat ik nog in leven ben. Zoodra we te Gibraltar binnenvallen, zal ik schrijven en bij gunstigen wind kan dat morgen of overmorgen zijn.”

Het langdurig onderhoud met Jack had kapitein Wilson tot de overtuiging gebracht, dat er een flink officier uit hem zou groeien en dat de malligheden van de gelijkheid en de rechten van den mensch al vergeten waren; maar in dit opzicht vergiste hij zich—het in een kinderziel gezaaide onkruid wordt niet zoo spoedig uitgeroeid.

Zoodra de kommandant hem had laten gaan, begaf Jack zich aan dek, waar hij den kapitein en de officieren van de Spaansche korvet aantrof, die peinzend naar de Nostra Signora del Carmen stonden te turen. Toen zij onzen held in het oog kregen, van wien ze door kapitein Wilson wisten, dat hij hun het binnenloopen in de haven van Carthagena had belet, sloegen zij wrevelige blikken op hem.

Jack groette echter met zijn gewone beleefdheid en was blij dat hij wat van zijn Spaansch kon luchten. Ofschoon de Spaansche Bladzijde 110kapitein alle reden had om Jack naar de maan te wenschen, nam hij toch de vormen behoorlijk in acht en vroeg hem onder anderen wat hij toch wel voor een vlag gevoerd had.

“Ja, meneer Rustig,” zoo sloot kapitein Wilson zich bij die vraag aan, “dat moet je ons eens vertellen. We konden er geen van allen wijs uit worden. Ik zie daar, dat meneer Jolliffe ze nog altijd in top laat wapperen.”

Jack wist niet goed wat hij er van maken moest, maar antwoordde ten laatste: “Dat was de banier van de gelijkheid en de rechten van den mensch, meneer.”

Kapitein Wilson fronsde de wenkbrauwen en Jack, die zijn misnoegen bespeurde, vertelde nu het heele geval, waarop de ander begon te lachen, Jack deelde het ook in het Spaansch aan de officieren der korvet mede en deze merkten op, dat het wel niet de eerste en ook niet de laatste maal zou zijn, dat mannen in verlegenheid waren geraakt door een vrouwenrok.

Bij de geheele bemanning van het schip stond Jack in hooge gunst, behalve bij zijn vier vijanden—den stuurman, Vigors, den bootsman en den onderbetaalmeester. Vigors had de wijste partij gekozen en zijn eindje touw in zijn kist geborgen tot Jack weer eens een tocht mocht ondernemen. De kleine Gossett wees, als Vigors eenige beleedigende aanmerking op hem maakte, grinnikend naar het raampje van de kajuit en alleen de herinnering deed Vigors verbleeken en bracht hem tot zwijgen.

Binnen twee dagen bereikten zij Gibraltar, waar meneer Sawbridge en ook Jolliffe weer aan boord van de Harpij kwamen. Gedurende de veertien dagen, die ze voor anker lagen, mocht Jack aan wal blijven. Meneer Asper vergezelde hem en Jack trok een flinken wissel op zijn vader om hem goed duidelijk te maken, dat hij nog in leven was.

Toen Jack zijn avonturen aan meneer Sawbridge verteld had, zei deze: “Mij dunkt, meneer Rustig, als ge zoo verzot zijt op kruistochten, diendet ge u wat toe te leggen op de zeevaartkunde.”

“Ja,” antwoordde Jack bescheiden, “in dat opzicht ontbreekt me nog heel wat.”

“Welnu, meneer Jolliffe zal u zeker gaarne onderrichten; hij is er ook het best toe geschikt, en als ge er even vlug mee vordert als met het Spaansch, kan het u niet veel moeite kosten.”

Jack vond dat een goeden raad. Reeds den volgenden dag was hij met zijn vriend Jolliffe druk aan den gang en kwam tot de gewichtige ontdekking, dat twee evenwijdige lijnen, tot in het oneindige verlengd, elkaar nooit snijden. Bladzijde 111

Tijdens Jack’s afwezigheid van een maand of vijf, zes, was het op de Harpij bij het oude gebleven, alleen de konstabel Minus, die bij het afschieten van een slecht geladen geweer zijn rechterhand verspeeld had en op pensioen was gesteld, had een plaatsvervanger gekregen in meneer Tallboys, een stevig gebouwden, ineengedrongen kerel met rood haar, een rood gezicht en nog rooder handen. Deze beschouwde een konstabel als de meest gewichtige persoon aan boord van een schip en meende, dat zoo iemand van al wat de zeevaartkunde betrof op de hoogte moest wezen. Hij wist minstens tien gevallen bij te brengen van bloedige gevechten, waarin de kapitein en al de officieren gedood of gewond waren, zoodat het bevel over het schip op den konstabel neer was gekomen.

“Nu begrijp je wel”, placht hij dan te zeggen, “dat zoo’n konstabel een zeevaartkundige moet wezen, wel degelijk een wetenschappelijk man.”

In die overtuiging bleef hij steeds studeeren, maar daar zijn hersens slechts weinig konden bevatten, warde hij alles dooreen en zijn hoofd zat zoo volgepropt met technische termen dat hij zijn mond niet kon open doen zonder er eenige te pas te brengen.”

“Ik vind ’t heel verstandig, meneer Rustig”, zei de konstabel op zekeren dag, terwijl ze naar Malta onder zeil waren, “dat gij de wetenschap der zeevaartkunde onderhanden hebt genomen; op uw leeftijd werd dat hoog tijd.”

“Ja,” antwoordde Jack, “ik kan al een loodlijn trekken en, als het noodig is, de verschillende streken van het kompas opnoemen.”

“Ja, maar aan de afwijking van het kompas zijt ge nog niet gekomen.”

“Neen, nog niet,” antwoordde Jack.

“Weet ge wel, dat een zeilend schip een parabool beschrijft om den aardbol?”

“Zoover ben ik nog niet.”

“Hebt ge al iets gehad over de driehoeksmeting?”

“Nog niet.”

“Nu, die vereischt heel wat oplettendheid.”

“Dat wil ik graag gelooven,” antwoordde Jack.

Dergelijke praatjes knoopte de konstabel telkens aan maar gelukkig stoorde Jack zich weinig aan de dikwijls averechtsche beweringen, en hield zich alleen aan de lessen van Jolliffe, zoodat hij, eer ze Malta bereikten, al een heelen bluf wist te slaan met zijn verkregen kennis.

Op Malta kwam hij weer in ongelegenheid. Ofschoon meneer Smallsole hem ongemoeid liet, bleef die toch zijn vijand, en Vigors Bladzijde 112hield zich koest, al zon hij op wraak; maar in het bedoelde geval kreeg hij ’t met den bootsman en den onderbetaalmeester te kwaad. Terwijl Jack weer eens, zooals hij dikwijls placht, vooruit op den bak een praatje maakte met Mesty, liepen de bootsman en de onderbetaalmeester het dek op en neer en verzuimden geen gelegenheid om onzen held, telkens als ze in zijn buurt kwamen, steken onder water te geven.

“Het is mijn bepaalde meening,” zei Easthupp, terwijl hij aan zijn boord trok, “dat een heer zich als een heer behoort te gedragen en als zoo iemand met denkbeelden van gelijkheid en zulke vrijzinnige gevoelens voor den dag komt, dient hij er zich ook aan te houden.”

“Zeer zeker, meneer Easthupp, dat moet hij ook; en als iemand, die even goed een heer is als hij, toevallig niet tot het halfdek behoort, behoeft hij hem daarom niet te beleedigen enkel omdat hij dezelfde denkbeelden verkondigt.”

Daarop sloeg meneer Biggs met zijn rotting tegen de schoorsteenkap van de kombuis en wierp een zijdelingschen blik op onzen held.

“Ja,” vervolgde de onderbetaalmeester, “ik zou wel eens willen zien dat iemand aan den wal zoo handelde; maar de tijd zal nog wel eens komen, dat ik de ondergane beleediging in bloed kan afwasschen, meneer Biggs.”

“En ik mag vervloekt zijn, als ik niet op een goeden dag een lesje zal geven aan den vlegel, die indertijd mijn broek gestolen heeft.”

“Kwam ’t met het geld uit, meneer Biggs?” vroeg de onderbetaalmeester.

“Ik heb ’t niet nageteld,” luidde het onverschillige antwoord.

“Neen—fatsoenlijke lui zijn daarboven verheven”, hernam Easthupp; “maar er loopt anders wel volk rond met lange vingers. ’t Is ongelooflijk zoo’n menigte verloren geraakte horloges en voorwerpen van waarde ik vroeger in Londen gezien heb.”

“Ik durf gerust zeggen,” zei de bootsman weer; “dat ik niet zou aarzelen voldoening te geven aan iemand beneden mijn rang, als ik zelf hem te voren beleedigd had. Ik sta niet zoo op mijn rang al praat ik niet over gelijkheid en al ben ik geen goede maatjes met negers.”

... zei de Konstabel terwijl hij een stuk krijt uit zijn zak haalde en een driehoek op de tafel teekende.
... zei de Konstabel terwijl hij een stuk krijt uit zijn zak haalde en een driehoek op de tafel teekende.

... zei de Konstabel terwijl hij een stuk krijt uit zijn zak haalde en een driehoek op de tafel teekende.

Dit alles was te duidelijk, dan dat onze held het niet zou begrijpen; jack trad dus op den bootsman toe, groette beleefd en zei:

“Als ik me niet vergis, meneer Biggs, dan heeft uw gesprek betrekking op mij.”

“Best mogelijk”, antwoordde de bootsman. “Luistervinken hooren zelden veel goeds van zichzelven.”

“Het schijnt wel, dat fatsoenlijke lui niet zamen kunnen praten Bladzijde 113zonder beluisterd te worden,” liet Easthupp er op volgen, met een ruk aan zijn halsboord.

“Het is niet de eerste maal, dat gij goed gevonden hebt beleedigende aanmerkingen te maken, meneer Biggs; en daar gij dat geval met uw broek niet schijnt te kunnen verkroppen, zal ik u maar ronduit zeggen, dat ik ze mee naar boord genomen heb. Als gij er soms voldoening voor verlangt, dan ben ik volkomen bereid die te geven.”

“Ik ben uw meerdere in rang, meneer Rustig,” antwoordde de bootsman.

“Volgens de regeling van den dienst, ja; maar zooeven hebt ge beweerd niet veel aan rang te hechten en bovendien—ik behoor tot het halfdek en gij niet.”

“Hier is een fatsoenlijk man, dien gij beleedigd hebt, meneer Rustig,” zei de bootsman op den onderbetaalmeester wijzende.

“Ja, meneer Rustig, even fatsoenlijk als gij, al is ’t me tegengeloopen; ik behoor tot een van de oudste geslachten van het land,” voegde Easthupp er bij, die zich nu door den bootsman gesteund zag.

“Gij hebt dien heer grof beleedigd,” vervolgde meneer Biggs, en al hebt ge den mond vol van gelijkheid, toch durft ge hem geen voldoening geven en verschuilt ge u achter uw halfdek.”

“Meneer Biggs,” hervatte onze held, die nu kregel was geworden, “zoodra we te Malta binnenloopen zal ik aan wal gaan. Als gij en die man daar u dan wat netjes in de kleeren steekt, zal ik me met u beiden meten, en toonen of ik bang ben voldoening te geven.”

“Een voor een,” zei de bootsman.

“Neen, meneer, niet een voor een maar beiden te gelijk of anders in ’t geheel niet. Als gij mijn meerdere zijt, moet gij tot mij afdalen,” hernam Jack met bijtenden spot, “of anders daal ik niet af tot dien kerel daar, dien ik weinig beter acht dan een zakkenroller.”

Deze uitval van Jack deed den onderbetaalmeester verbleeken en daarna weder rood worden. Hij stampvoette en snoof, maar durfde toch Jack niet onder de oogen zien.

“Nu, meneer Biggs, hebt gij me goed begrepen, of verschuilt ge u soms achter uw bak?”

“Ik zoek geen uitvluchten,” antwoordde de bootsman, “en op Malta zullen we de zaak vereffenen.”

Na dit antwoord begaf Jack zich weer naar Mesty.

“Massa Rustig, het gezicht van dien Easthupp bevalt me niet. Ik ga mee aan wal, om te zien of het wel eerlijk toegaat.”

Nu Biggs verklaard had dat hij zou vechten, moest hij natuurlijk Bladzijde 114naar een secondant omzien en hij koos daartoe den konstabel Tallboys. Deze had zich in den laatsten tijd meer en meer geërgerd, dat Jack hem in de wetenschap der zeevaartkunde de baas werd, en kon hem daarom niet goed meer zetten; hij kon echter maar niet vatten hoe zoo’n duel van drie personen geregeld moest worden en ging dus in zijn hut aan het napluizen van zijn boeken.

Jack durfde Jolliffe niet over het geval spreken en eigenlijk was er op het schip maar één aan wien hij het kon toevertrouwen, namelijk Gascoigne. Deze nu vond het wel beneden Jack’s waardigheid zich met den bootsman te meten, maar nu de uitdaging eenmaal geschied was, viel er niets meer aan te veranderen; hij stemde er dus in toe Jack’s secondant te wezen, zonder zich verder over de gevolgen te bekommeren.

Den tweeden dag, nadat ze in de haven van Valette waren binnengeloopen, kregen de bootsman, de konstabel, Jack en Gascoigne verlof om aan wal te gaan. Meneer Easthupp, de onderbetaalmeester, trok zijn besten blauwen jas met koperen knoopen en fluweelen kraag aan, begaf zich naar het halfdek en vroeg eveneens verlof, maar meneer Sawbridge weigerde het hem, omdat zijn diensten vereischt werden bij het overbrengen van duigen en hoepels naar de kuiperij. Ook Mesty kon tot zijn grooten spijt niet gemist worden.

Dit trof ongelukkig, maar er werd nu overeengekomen, dat de ontmoeting plaats zou hebben achter de kuiperij. Easthupp moest er dan maar een deel van zijn diensttijd afnemen, om de breuk in zijn gekwetste eer te herstellen. De partijen gingen allen aan wal en trokken regelrecht naar een der kleine herbergen om de noodige toebereidselen te maken.

Meneer Tallboys nam meneer Gascoigne ter zijde, terwijl de bootsman zijn troost zocht bij een glas grog en onze held zich buiten vermaakte met een aap te plagen.

“Meneer Gascoigne,” zei de konstabel, “ik heb er erg over ingezeten, hoe ’t met dat duel gaan moet, maar nu ben ik er achter. ’t Is met die drie partijen, weet je; waren er twee of vier, dan gaf dat geen moeilijkheid; de rechte lijn of het vierkant zouden ons in dat geval te pas komen; maar nu moeten we het in een driehoek opstellen.”

Gascoigne keek verbaasd op, hij begreep maar niet, waar dat op neer zou komen.

“Zijt ge op de hoogte, meneer Gascoigne, van de eigenschappen van een gelijkzijdigen driehoek?”

“Jawel,” antwoordde de adelborst, “dat ze drie gelijke zijden heeft—maar wat drommel heeft dat met het duel te maken?” Bladzijde 115

“Heel veel, meneer Gascoigne,” hernam de konstabel; “de moeilijkheid wordt er door opgelost: werkelijk, een duel met z’n drieën kan enkel naar dat grondbeginsel plaats hebben. Zie maar eens hier,” zei de konstabel, terwijl hij een stuk krijt uit zijn zak haalde en een driehoek op de tafel teekende, “in deze figuur hebben we drie punten, op gelijken afstand van elkaar en ook hebben we drie strijders; plaatsen we er op ieder punt één, dan is de zaak in orde: hier bijvoorbeeld meneer Rustig, de bootsman daar en de onderbetaalmeester op den derden hoek.”

“Maar hoe moet er dan geschoten worden?” vroeg Gascoigne, die schik in de grap kreeg.

“Dat komt er minder op aan,” hernam de konstabel, “maar voor zeelui dient ’t wel met de zon om te gaan; dat wil zeggen meneer Rustig schiet op meneer Biggs, meneer Biggs op meneer Easthupp en meneer Easthupp weer op meneer Rustig; op die manier krijgt ieder zijn schot en dient tevens tot mikpunt voor een ander.”

Gascoigne was in de wolken over die nieuwe vinding, te meer daar hij begreep, dat ze voor Rustig groot voordeel opleverde.

“Op mijn woord, meneer Tallboys! ik maak u mijn compliment; wat zijt ge toch een wiskundige kop, ik ben niet uw schikking ten hoogste ingenomen. Natuurlijk hebben in dergelijke zaken de partijen zich te houden aan de voorschriften der secondanten, en ik zal er wel voor zorgen, dat meneer Rustig met uw uitnemend en wetenschappelijk voorstel genoegen neemt.”

Gascoigne begaf zich naar buiten, waar Jack nog met den aap bezig was, deelde hem de door den konstabel voorgestelde regeling mee en beiden lachten er hartelijk over.

De konstabel stelde er den bootsman mee in kennis, en ofschoon deze er zoo goed als niets van begreep, zei hij toch:

“Voor mijn part, ik vind ’t best—schot om schot, en geen begunstiging van den een boven den ander.”

De partijen verschenen nu op de aangewezen plaats met twee paar scheepspistolen, die meneer Tallboys stil van boord meegesmokkeld had, en de konstabel ging nu meneer Easthupp uit de kuiperij roepen. Intusschen had Gascoigne een gelijkzijdigen driehoek van twaalf pas per zijde uitgemeten, die door Tallboys bij zijn terugkeer goedgekeurd werd. Rustig nam zijn plaats in, de bootsman werd op de zijne gezet en Easthupp, die beteuterd stond te kijken, door den konstabel naar de derde plaats geleid.

“Maar meneer Tallboys,” zei de onderbetaalmeester, “ik begrijp er niets van. Meneer Rustig moet toch eerst met meneer Biggs vechten, is ’t niet?” Bladzijde 116

“Wel neen,” antwoordde de konstabel, “’t is een duel met z’n drieën. Gij schiet op meneer Rustig, meneer Rustig op meneer Biggs en meneer Biggs op u. Zoo is ’t geregeld, meneer Easthupp.”

“Maar,” zei meneer Easthupp, “dat vat ik niet. Waarom moet meneer Biggs op mij schieten? Met hem heb ik geen twist.”

“Omdat meneer Rustig op meneer Biggs schiet, en meneer Biggs moet immers evengoed zijn schot hebben.”

“Meneer Easthupp,” merkte Gascoigne op, “als gij ooit in fatsoenlijk gezelschap hebt verkeerd, dient ge eenig begrip te hebben van duelleeren.”

“In de fijnste gezelschappen heb ik verkeerd, meneer Gascoigne, en ik weet iemand voldoening te geven; maar....”

“In dat geval, meneer, behoort gij te weten dat uw eer in handen van uw secondant is en dat geen fatsoenlijk man van diens schikking in appél komt.”

“Dat weet ik ook wel, meneer Gascoigne; maar ik heb geen ruzie met meneer Biggs, en daarom zal meneer Biggs stellig niet op mij willen mikken.”

“Zou je soms denken dat ik voor niets op me liet schieten?” viel de bootsman uit. “Waarachtig niet ik wil ook mijn schot hebben.”

“Maar op uw vriend, meneer Biggs!”

“Dat kan me niet schelen, ik zal schieten op wie dan ook; schot om schot, en ik zal zoo goed mogelijk raken.”

“Neen, heeren, daar tegen teeken ik protest aan,” riep Easthupp; “ik ben hier gekomen om voldoening te eischen van meneer Rustig en niet om meneer Biggs op me te laten schieten.”

“Gij krijgt immers voldoening door op meneer Rustig te mogen schieten, wat wilt ge nog meer?” antwoordde de konstabel.

“Maar ik protesteer tegen het schieten van meneer Biggs op mij.”

“Zoo, wou je soms wel een schot lossen maar er geen ontvangen?” snauwde Gascoigne hem toe, “je bent een vervloekte lafaard en moest eigenlijk weer in de kuiperij gesmeten worden.”

Die beleedigende uitdrukking maakte het bloed van Easthupp gaande en hij nam het pistool aan, dat de konstabel hem voorhield.

“Onthoud die woorden goed, meneer Biggs; wat een taal tegenover een fatsoenlijk man! Gij zult van me hooren, meneer, zoodra het schip afbetaald is. Ik verzet me niet langer, meneer Tallboys; liever dood dan eerloos. Ik ben een man van fatsoen, voor den donder!”

Blijkbaar was de bluffer alles behalve dapper, want hij beefde sterk toen hij aanlegde. Bladzijde 117

De konstabel gaf het teeken, met een omhaal alsof hij aan boord de oefeningen met de kanonnen leidde. Nauwelijks had hij “vuur!” gekommandeerd of meneer Easthupp gaf een luiden gil, sloeg de hand achter tegen zijn broek en viel neer; de kogel had den zetel van zijn eer getroffen, daar hij bij het mikken op onzen held den bootsman zijn rug had toegekeerd. Ook Jack’s schot had doel getroffen; de kogel was dwars door de wangen van den bootsman gegaan had een paar van zijn beste boventanden meegenomen en bovendien zijn tabakspruim. De kogel van Easthupp echter was geheel uit den koers gevlogen, want bij het afvuren had hij de oogen dichtgeknepen.

De onderbetaalmeester lag op den grond te kermen—de bootsman spoog met zijn paar tanden een mondje twee, drie bloed uit en wierp zijn pistool nijdig van zich af.

“’t Is waarachtig wat moois,” bromde hij tusschen het spuwen door; “hoe moet ik nu voortaan het sein voor het middagmaal geven? Als ik op de fluit wil blazen zal de wind ontsnappen door de gaatjes in mijn wangen.”

Intusschen waren de anderen begonnen hulp te verleenen aan den onderbetaalmeester, die maar aldoor aan het jammeren bleef. Zij onderzochten de wond en bevonden dat ze niet gevaarlijk was.

“Houd toch op met dat verwenschte geschreeuw,” riep de konstabel uit, “je zult nog maken dat de wacht er op af komt; je bent niet getroffen.”

“Niet?” kermde de betaalmeester. “O, laat me maar sterven, laat me maar sterven; raak me toch niet aan!”

“Malligheid!” riep de konstabel uit, “je moet opstaan en naar de boot loopen; als je ’t niet doet, laten we je hier liggen—houd je mond toch, kerel! Zul je? of je krijgt een opstopper van me.”

“Hij zal niet kunnen loopen, meneer Tallboys,” zei Gascoigne; “het best zal wezen dat we een paar man uit de kuiperij roepen en hem naar het hospitaal laten dragen.”

Terwijl de konstabel aan dien wenk gehoor gaf, kwam meneer Biggs, met een doek om zijn gezicht alsof hij kiespijn had, op den onderbetaalmeester af.

“Wat duivel maak jij toch voor een erbarmelijk leven? Kijk mij eens, ik heb twee gaten dwars door mijn facie, en jij enkel een in je achtersteven. Ik wou maar dat ik in jouw plaats was, dan kon ik ten minste nog op de fluit blazen. Dat was een verwenscht schot, meneer Rustig.”

“Het spijt me waarlijk,” antwoordde Jack met een beleefde buiging; “ik verzoek u wel verschooning.” Bladzijde 118

Onder dit gesprek raakte de onderbetaalmeester zoo’n beetje buiten westen en dacht dat hij sterven zou.

“Och hemeltje, wat was ik een dwaas! Nooit ben ik een heer geweest—enkel een bluffer: ik zal sterven; nooit zal ik meer zakkenrollen—nooit—nooit!”

“Jou vervloekte kerel!” riep Gascoigne uit. “Dus ben je toch werkelijk een zakkenroller geweest?”

“Ik zal er me nooit weer mee inlaten,” kreunde de vent. “Voortaan zal ik een deugdzaam leven leiden—water, water, alsjeblieft! O, o!”

Daarop viel de arme stakker in zwijm, en meneer Tallboys, die juist met een paar man terugkeerde, liet hem nu naar het hospitaal brengen, waarheen ook de bootsman hem vergezelde, in de meening dat hij wel eenige geneeskundige hulp kon gebruiken, eer hij weer naar boord ging.

“Wel, Rustig,” zei Gascoigne, terwijl hij de pistolen opraapte en in zijn zakdoek wikkelde, “dat is de mooiste grap geweest, die ik ooit heb bijgewoond.” En bij de herinnering er aan, barstte hij in lachen uit, zoodat de tranen hem over de wangen liepen. Jack echter vond het geval lang zoo prettig niet, want hij vreesde dat de onderbetaalmeester ernstig gewond zou zijn en gaf zijn bezorgdheid daarover te kennen.

“In elk geval hebt gij hem niet getroffen,” hernam Gascoigne; “het eenige wat op uw rekening komt is het geschonden gezicht van den bootsman,—je zult hem nu wel voor goed den mond gestopt hebben.”

“Ik vrees, dat het voortaan met ons verlof krijgen uit zal zijn,” antwoordde Jack.

“Daar kunnen we wel zeker van zijn,” stemde Gascoigne in.

“Hoor eens hier,” zei Rustig; ik heb een aardig sommetje dollars bij me—als we eens niet naar boord teruggingen?”

“Sawbridge zal ons door de wacht laten inrekenen,” luidde het antwoord; “maar daartoe moeten ze ons eerst vinden.”

“Dat kan zoo lang niet duren, ze zullen ons gauw genoeg bij de kladden hebben en dan gaan we voor een paar dagen de doos in.”

“’t Zou toch een verduiveld werk zijn, als we al de zes weken, die het schip hier blijft liggen, bij zoo’n brandende zonnehitte aan boord moesten hokken, met geen andere bezigheid dan naar het spelen der loodsmannetjes om het roer te kijken en slechte abrikozen te verorberen. Heb je veel geld bij je, Jack?”

“Twintig dubloenen en nog wat dollars,” antwoordde Jack.

“Laten we ons dan houden, Jack, alsof we ons doodelijk ongerust Bladzijde 119maken over de gevolgen van het duel en ons niet durven vertoonen uit vrees van gehangen te zullen worden. Ik zal Jolliffe een brief zenden, dat we ons schuil houden tot onze zaak afgehandeld is en hem verzoeken bij den kapitein en den eersten luitenant een goed woord voor ons te doen. Ik zal hem alles in bijzonderheden vertellen en mij voor de waarheid er van op den konstabel beroepen; dan weet ik zeker, dat, al worden wij gestraft, zij toch om het geval zullen lachen. Maar ik zal ’t laten voorkomen, alsof Easthupp gedood is, en wij bang zijn voor ons leven. Als we dan aan boord gaan van een der marktschuiten, die met fruit van Sicilië hier komen en van avond naar Palermo zeilen, kunnen we een tocht van veertien dagen maken en, als ons geld op is, weer terugkeeren.”

“Dat is een prachtig idee, Ned, en hoe eer we het ten uitvoer brengen hoe beter. Ik zal den kapitein schrijven om hem te smeeken ons van het ophangen te verschoonen en hem te melden, waar we heen gevlucht zijn. Die brief moet hem overhandigd worden, nadat we onder zeil zijn gegaan.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings