← Table of contents
Jack Rustig

Vijfde hoofdstuk.

A. J. van Dragt translation

De jongenheer rustig krijgt zijn eerste les over dienstijver.

Er viel niet veel tijd te verliezen, onze held moest de ouderlijke woning spoedig vaarwel zeggen, en zat al gauw te Portsmouth. Daar Jack volop geld had en het heel prettig vond zijn eigen meester te wezen, maakte hij volstrekt geen haast om zich op het schip aan te melden, en vijf of zes jongelui van niet al te best allooi, met wie hij onderweg in kennis was gekomen en die op zijn zak teerden, raadden hem ten sterkste het aan boord gaan zoo lang mogelijk uit te stellen. Toevallig stemde die raad volkomen overeen met Jack’s eigen meening, zoodat onze held bijna drie weken in Portsmouth was, eer iemand iets van zijn komst had vernomen. Maar ten slotte ontving kapitein Wilson een brief van meneer Rustig, waarin onder anderen gemeld werd, wanneer Jack van huis was vertrokken. De kapitein verzocht nu den eersten luitenant eens onderzoek te doen, daar hij vreesde dat den jongen eenig ongeluk overkomen mocht zijn. Daar meneer Sawbridge, de eerste luitenant, dienzelfden avond toch naar den wal moest, misschien wel de laatste maal vóór het uitzeilen van het schip, liep hij bij verschillende logementen aan, om te hooren of er ook een zekere meneer Rustig zijn intrek genomen had.

“O ja,” antwoordde de bediende uit de Fontein, “meneer Rustig is hier al drie weken gelogeerd.”

“Wel verduiveld,” bromde Sawbridge met al de verontwaardiging van een eersten luitenant, die bemerkt dat hij gedurende drie weken door een adelborst is misleid.

“Waar is hij; in de gelagkamer?”

“O neen, meneer,” antwoordde de bediende, “meneer Rustig heeft de voorkamers der eerste verdieping betrokken.”

“Nu, wijs me die dan maar.”

“Mag ik ook zoo vrij wezen uw naam te vragen, meneer?” zei de bediende.

“Eerste luitenants laten zich niet vooraf aandienen bij adelborsten,” antwoordde Sawbridge; “hij zal spoedig genoeg te weten komen wie ik ben.”

Op dit bescheid, liep de bediende, gevolgd door Sawbridge, de trap op en deed de deur open. Bladzijde 35

“Daar is een heer om u te spreken, meneer,” zei de bediende.

“Verzoek hem binnen te komen,” zei Jack; “en hoor eens: zorg dat de punsch wat beter is dan gisteren; ik heb nog twee heeren meer ten eten gevraagd.”

Intusschen was meneer Sawbridge, die zijn uniform niet aanhad, binnengetreden, en zag nu Jack alleen zitten bij een keurig aangerichte tafel, waarop voor acht personen gedekt was. Zoowel het diner als het vertrek zelf zou, volgens Sawbridge’s meening, veeleer gepast hebben voor een kommandant dan voor een adelborst van een oorlogsschip.

Sawbridge was een flink officier, iemand die zichzelf tot luitenant opgewerkt had, en niets bezat dan zijn tractement. In zijn zeven en twintig jaren dienst had hij iets stroefs over zich gekregen, en vooral jongelui van aanzienlijke familie, wier getal steeds toenam op de schepen, kon hij niet uitstaan. Geheel zonder reden was dit niet, want hij bemerkte dat door dien toevloed zijn eigen kansen op bevordering verminderden. Volgens zijn oordeel werden de adelborsten des te onbruikbaarder naarmate ze meer het heertje uithingen, geen wonder dus dat hem de gal overliep bij het aanschouwen van al de vertooning en drukte gemaakt door een jongmensch, dat weldra op een zuur gezicht van hem zou ineenkrimpen, en zulks al drie weken geleden had moeten doen. Toch was Sawbridge een rechtschapen mensch, al bleek hij soms wat naijverig op degenen, die zich meer weelde konden veroorloven dan hij.

“Mag ik vragen, meneer,” zei Jack, die altijd buitengewoon beleefd was, “waarmede ik u van dienst kan zijn?”

“Jawel, meneer,—met onmiddellijk naar uw schip te gaan. En mag ik op mijn beurt eens vragen, wat de reden is, dat gij al drie weken hier aan wal zijt zonder u te komen aanmelden?”

Jack, die volslrekt niet gesticht was over Sawbridge’s bevelenden toon en intusschen plaats had genomen, sloeg de beenen over elkaar, speelde achteloos met zijn gouden horlogeketting en antwoordde na een poos vrij koel:

“Maar, meneer, wie zijt gij dan toch?”

“Wie ik ben, meneer?” hernam de bezoeker van zijn stoel opspringende, “mijn naam is Sawbridge, meneer, en ik ben de eerste luitenant van de ‘Harpij.’ Ziedaar het antwoord op uw vraag.”

Sawbridge, die zich verbeeldde, dat het noemen zijner waardigheid van eersten luitenant den adelborst een schrik om het hart zou doen slaan, liet zich weer op zijn stoel vallen en nam een air van groot gewicht aan.

“Inderdaad, meneer,” antwoordde Jack, ik moet erkennen, datBladzijde 36ik uit onbekendheid met den dienst weinig besef heb van uw eigenlijke positie aan boord, maar uit uw gedrag zou ik opmaken, dat u een niet geringen dunk van uzelven heeft.”

“Hoor eens, jongmensch, ik wil aannemen, dat ge niet weet wat een eerste luitenant is—uw houding tegenover mij geeft er duidelijk blijk van—maar reken er gerust op, dat ik het u spoedig zal laten merken. Tevens sta ik er op; dat ge onmiddellijk mee naar boord gaat.”

“Het spijt me, meneer,” antwoordde Jack doodbedaard, “maar ik kan aan uw hoogst bescheiden verlangen niet voldoen. Ik zal aan boord komen, zoodra mij dat goeddunkt, en u zult mij verplichten met u verder niet over mij te bekommeren.”

Jack trok aan het schelkoord; de bediende, die aan de deur had staan luisteren, trad onmiddellijk binnen en eer Sawbridge, verbluft door zoo’n verregaande brutaliteit, iets zeggen kon, gaf Jack den bediende last meneer even uit te laten.

“Alle donders!” riep de eerste luitenant uit. “Wacht maar, ventje; heb ik je eenmaal goed en wel aan boord, dan zal ik je het verschil tusschen een adelborst en een eersten luitenant terdege duidelijk maken.”

“Ik erken alleen gelijkheid, meneer,” antwoordde Jack; “als gelijken zijn wij allen geboren, dat zult gij toch toestemmen, hoop ik.”

“Gelijkheid—wel verdraaid! wou je soms ook het bevel over het schip op je nemen? We zullen je spoedig uit den droom helpen. Ik ga nu aan kapitein Wilson rapport uitbrengen over uw gedrag en dit verzeker ik je, als ge niet nog hedenavond aan boord zijt, dan zend ik morgenochtend met het krieken van den dag een sergeant met eenige mariniers om je in te rekenen.”

“Wees verzekerd, meneer,” antwoordde Jack, “dat ook ik niet in gebreke zal blijven aan kapitein Wilson mede te deelen, dat ik u als een onhebbelijken ruziemaker beschouw en hem raad u niet langer aan boord te dulden. Met zulk een ongelikten beer op een zelfde schip te wezen, is niet om uit te houden.”

“Hij moet gek zijn—stapelgek,” riep Sawbridge uit, wiens verbazing de overhand kreeg over zijn verontwaardiging.

“Neen, meneer,” antwoordde Jack, “een gek ben ik niet, maar een wijsgeer.

“Wat voor een ding?” riep Sawbridge uit, “Wacht maar, grappenmaker, we zullen de wijsbegeerte van je wel op de proef stellen.”

“Juist daarom heb ik besloten op zee te gaan, meneer,” hernam Jack; “en als gij aan boord blijft, hoop ik met u eens te redeneeren, en u te bekeeren tot erkenning der gelijkheid en der rechten van den mensch.” Bladzijde 37

“Wees er maar zeker van, dat ik je spoedig tot onderwerping aan de krijgsartikelen zal bekeeren, als je tenminste ooit aan boord komt. Voorloopig ga ik nu den kapitein rapport maken over uw gedrag, en laat u bij uw diner als ge nog eetlust overgehouden mocht hebben.”

“Ten zeerste verplicht, meneer, maar over mijn eetlust behoeft ge u volstrekt niet bezorgd te maken. Het eenige wat me spijt, is dat ik, met het oog op het nette gezelschap dat ik wacht, u niet durf uitnoodigen onzen dischgenoot te zijn. Ik zou dat anders gaarne gedaan hebben, nu het blijkt dat we tot hetzelfde schip behooren. Ik wensch u goedendag, meneer.”

“Twintig jaren ben ik in dienst,” bulderde Sawbridge, “en nu zou me daar zoo’n.... maar hij is gek, stapelgek.” En de eerste luitenant stormde de kamer uit.

Jack was zelf ook wat verbluft. Had Sawbridge zijn uniform aangehad, dan was ’t nog wat anders geweest, maar dat zoo’n alles behalve indrukwekkend persoon met zwarte bakkebaarden, slordig onderhouden haar, een ouden blauwen rok en een geel kaschmiren vest, het durfde wagen hem op zoo’n manier toe te spreken, dat was onbegrijpelijk. Hij noemt me een gek, dacht Jack, maar ik zal kapitein Wilson eens netjes vertellen, hoe ik over zijn luitenant denk. Een oogenblik later verschenen de gasten en spoedig was Jack het geheele geval weer vergeten.

Intusschen begaf Sawbridge zich naar den kapitein en vond hem thuis. Na een omstandig verhaal van wat er had plaats gehad, eindigde hij zijn rapport met in drift te eischen, dat Jack onmiddellijk ontslagen of anders voorbeeldig gestraft zou worden.

“Nu, nu, meneer Sawbridge,” antwoordde kapitein Wilson, “komaan, neem plaats, en laten we er eens over redeneeren, zooals meneer Rustig zegt; ik wed, dat ik u tot betere gedachten breng. Wat dat straffen betreft, ja, zie je, dat is een lastig geval, want vooreerst heeft meneer Rustig zich nog niet op zijn schip aangemeld, en ten tweede kon hij immers niet weten dat gij de eerste luitenant waart, want ge hadt uw uniform niet aan.”

“Dat is waar meneer,” antwoordde Sawbridge, “daar had ik niet aan gedacht.”

“En wat dat ontslaan of liever niet toelaten op het schip aangaat, meneer Rustig is aan den wal grootgebracht en heeft mogelijk zijn heele leven geen grootere uitgestrektheid water gezien dan een vischvijver. Van zeedienst of van wat er aan vast is, zal hij wel evenveel begrip hebben als een kind van nog geen jaar. Ik wed dat hij niet eens weet wat een luitenant is, en stellig heeft hij geen flauw idee Bladzijde 38van de macht van een eersten luitenant, dat blijkt duidelijk uit de manier waarop hij zich tegenover u gedragen heeft.”

“Dat moet ik ook gelooven,” antwoordde Sawbridge droogjes.

“En daar nu zijn gedrag het uitvloeisel moet zijn van volkomen onwetendheid, mag hij, dunkt me, niet al te streng gestraft worden. Ga ’t zelf maar eens na, Sawbridge.”

“Misschien hebt gij gelijk, meneer, maar hij noemde zich toch een wijsgeer en sprak over de gelijkheid en de rechten van den mensch. Hij zei, dat hij alleen gelijkheid tusschen ons kon aannemen en wilde dat nader uiteenzetten. Nu vraag ik u toch, meneer, wat moet er van den dienst terechtkomen, als zoo’n adelborst over elk bevel, dat er gegeven wordt aan ’t redeneeren slaat?”

“Die opmerking is zeer juist, Sawbridge; daaraan heb ik in ’t geheel niet aan gedacht, toen ik beloofde den jongen Rustig aan boord te zullen nemen. Ik herinner me nu dat zijn vader, die een verre neef van me is, eenige vrij dwaze denkbeelden in zijn hoofd had, precies dezelfde die zijn zoon bij zijn ontmoeting met u te berde heeft gebracht. Toen ik eens bij meneer Rustig ten eten was, had hij ’t maar steeds over de beginselen der natuurlijke gelijkheid en der rechten van den mensch, tot groot vermaak van zijn gasten en ook van mij, moet ik bekennen. Ik maakte nog de opmerking, dat die denkbeelden onmogelijk toe te passen waren op den dienst, want dat ’t dan gedaan zou zijn met alle tucht. Hoe weinig vermoedde ik toen, dat zijn eenige zoon, voor wien niet de minste aanleiding bestond om het zeeleven te kiezen—want zijn vader is een rijk grondbezitter—nog ooit met mij onder zeil zou gaan en die denkbeelden op mijn schip komen brengen. ’t Is jammer, erg jammer.”

“Maar Meneer,” zei Sawbridge, “als ’t mij geoorloofd is mijn meening over het geval te zeggen—zou ’t niet het best zijn, zoowel voor hemzelf als voor den dienst, dat hij maar weer naar huis werd gezonden? Als officier zal hij enkel zichzelven en anderen last bezorgen.”

“Mijn waarde Sawbridge,” hernam kapitein Wilson, nadat hij de kamer een paar malen op en neer was gestapt, “we zijn te gelijk in dienst gekomen, hebben verscheidene jaren aan denzelfden disch gegeten en niet enkel langdurige vriendschap, maar ook vertrouwen op uw degelijke kennis hebben er mij toegebracht u voor te stellen mijn eersten luitenant te worden. Nu zal ik u eens een geval ter beslissing voorleggen, en wat meer is, ik zal me aan uw uitspraak onderwerpen.

“Neem eens aan, dat gij evenals ik scheepskommandant waart Bladzijde 39met een vrouw en zeven kinderen, en dat ge na jarenlang getob om in hun onderhoud te voorzien, in weerwil van de grootste spaarzaamheid in schulden waart geraakt. Nu gelukt het u eindelijk een flinke aanstelling te krijgen, waardoor ge u uit alle ongelegenheden zult kunnen redden. Maar al uw hoop dreigt in rook te vervliegen, omdat ge geen geld hebt voor een uitrusting en voor het afdoen der meest dringende schulden. Als nu in zulk een benarden toestand een verre bloedverwant, dien ge ternauwernood kent, zoo edelmoedig is u duizend gulden te leenen, zonder daarvan rente te vorderen en het geheel aan u overlaat wanneer ge de som wenscht terug te betalen, dan vraag ik u, Sawbridge, wat zoudt gij voor zoo iemand gevoelen?”

“Ik zou mijn leven voor hem wagen,” antwoordde Sawbridge getroffen.

“Vooronderstel nu dat, louter bij toeval of door een samenloop van omstandigheden, de zoon van dien man onder uw bescherming werd gesteld; wat dan?”

“Ik zou als een vader voor hem zorgen.”

“Maar laten we toch eens verder gaan en vooronderstellen, dat ge niet in alle opzichten met den jongen ingenomen zijt, dat hij dwaalbegrippen heeft ingezogen, die, als ze niet uitgeroeid worden, verderfelijk voor hem kunnen worden. Zoudt ge hem dan om die reden uw bescherming onttrekken en hem aan zijn lot overlaten?”

“Volstrekt niet, meneer,” antwoordde Sawbridge; “integendeel, ik zou hem zoo lang bij me houden, tot ik hem, hoe dan ook, van zijn verkeerdheden had genezen, en op die wijze zooveel mogelijk de schuld der dankbaarheid aan den edelmoedigen vader had betaald.”

“Na al wat er gebeurd is behoef ik u wel niet te zeggen, Sawbridge, dat het jongmensch, met wien ge in aanraking zijt geweest, de zoon is en meneer Rustig van Boschlust de vader.”

“Het eenige wat ik zeggen kan, meneer, is dat ik, niet enkel om u genoegen te doen, maar ook uit eerbied voor iemand, die u zooveel welwillendheid heeft betoond, het jongmensch volgaarne vergeef wat er tusschen hem en mij is voorgevallen en bovendien al wat er waarschijnlijk nog gebeuren zal, eer we hem in het rechten spoor hebben.”

“Hartelijk dank, Sawbridge, ik had niet anders van u verwacht, en ik heb me in die verwachting niet bedrogen.”

“Maar wat moet er nu gedaan worden, kapitein?”

“We moeten hem aan boord zien te krijgen, maar niet met een escorte mariniers—dat zou meer kwaad dan goed doen. Ik Bladzijde 40zal hem een uitnoodiging zenden om morgenochtend bij me te komen ontbijten en het een en ander te bepraten. Ik wil hem geen schrik aanjagen; hij moest anders eens hals over kop naar Boschlust terugkeeren.”

“Dat mag in geen geval, want zijn vader schijnt zijn grootste vijand te zijn. Hoe jammer dat iemand met zulk een goed hart zoo’n zwakhoofd kan wezen!”

Meneer Sawbridge verwijderde zich en kapitein Wilson zond aan onzen held een schriftelijke uitnoodiging om den volgenden morgen te negen uur bij hem te komen ontbijten. Het antwoord luidde bevestigend, maar werd mondeling overgebracht, want Jack had te veel champagne gedronken dan dat hij een pen op het papier durfde zetten.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings