Zesde hoofdstuk.
A. J. van Dragt translation
Aan boord en onder zeil.
Den volgenden morgen zou Jack stellig de invitatie van den kapitein glad vergeten geweest zijn, als niet de bediende van het logement begrepen had, dat, na de vreemde manier waarop onze held den eersten luitenant had ontvangen, het niet raadzaam zou wezen ook nog in eerbied voor den kapitein te kort te schieten.
Tot dusver had Jack zijn uniform nog niet aangehad, en hij vond ’t nu een geschikte gelegenheid, te meer daar de bediende beweerde dat hij in tenu behoorde te verschijnen. Of het soms een voorgevoel was van wat hem te wachten stond, maar Jack voelde zich niets prettig in zijn nieuwe plunje. Het kwam hem voor, dat hij zijn onafhankelijkheid prijs gaf en hij kreeg grooten lust het pak met de glimmende knoopen weer uit te smijten. Daartoe kwam het echter niet, en na zijn hoed opgezet te hebben, begaf hij zich naar het logement van kapitein Wilson. Deze ontving hem zeer heusch en hield zich alsof hij niets wist van Jack’s verzuim om zich tijdig aan boord aan te melden of van diens ontmoeting met den eersten luitenant; maar eer het ontbijt afgeloopen was, had Jack zelf het geval reeds met enkele woorden verteld. Kapitein Wilson begon nu uit te weiden over de plichten en den rang der verschillende personen aan boord van een schip, en betoogde Jack hoe ’t met het oog op Bladzijde 41de tucht onmogelijk was, dat er meer dan één persoon het kommando voerde. Die eene was de kapitein, in wiens persoon koning en vaderland vertegenwoordigd werden. Daar nu de kapitein zijn bevelen gaf aan den luitenant en deze ze overdroeg op de adelborsten, die ze op hunne beurt weer aan de overige bemanning overbrachten, was ’t inderdaad alleen de kapitein, die de bevelen uitdeelde en was iedereen gelijkelijk tot gehoorzaamheid verplicht. Ja, de kapitein zelf volgde weer de orders van zijne superieuren, den admiraal en de admiraliteit; men kon dus met recht zeggen, dat aan boord allen gelijkelijk tot gehoorzaamheid verplicht waren. Door telkens op het woord gelijkelijk veel nadruk te leggen, diende hij zijn eerste les met de noodige omzichtigheid toe. Zijn geheele betoog geleek veel op een handige pleitrede, want terwijl hij Jack duidelijk zocht te maken dat in dienst gelijkheid volstrekt onbestaanbaar was, trachtte hij tevens aan te toonen dat alle rangen volkomen gelijk stonden, in zoover allen evenzeer hun plicht tegenover het vaderland hadden te vervullen; en of nu een matroos zijne bevelen gehoorzaamde, dan of hijzelf die van een hooger officier opvolgde, alles kwam ten slotte daarop neer, dat ze het vaderland dienden.
Met die manier van beschouwen was Jack het vrij wel eens, en de kapitein zorgde wel, dat hij er niet te lang bij bleef stilstaan, maar ging spoedig tot ten ander onderwerp over, dat hij voor Jack aangenamer achtte. Hij zette uiteen, dat de krijgsartikelen de wetten waren volgens welke de dienst werd geregeld, en dat iedereen, van den kapitein tot den minsten jongen aan boord, er gelijke gehoorzaamheid aan verplicht was; dat ieder een vast rantsoen kreeg, wat voor allen gelijk was, zoowel in hoeveelheid als in hoedanigheid; dat al moesten er noodzakelijk rangen zijn en al moesten de bevelen van den kapitein door allen opgevolgd worden, toch elk officier, van welken rang ook, als een beschaafd man beschouwd werd. Kortom, kapitein Wilson wist het zoo ver te brengen, dat Jack begon te gelooven, dat hij de te land vergeefs gezochte gelijkheid nu eindelijk gevonden had. Maar daar herinnerde hij zich ongelukkig de ruwheid, waarmede meneer Sawbridge hem den vorigen avond bejegend had en hij vroeg den kapitein, hoe die man daartoe had kunnen komen. Nu deed de taal door den luitenant gebruikt al heel weinig aan gelijkheid denken, en kapitein Wilson zat er wel een beetje over in. Hij betoogde echter dat volgens de krijgsartikelen ieder, die zich van het schip verwijderde, een vergrijp beging tegen die artikelen. Werd nu zulk een vergrijp begaan door iemand van de bemanning, dan moest de oudste officier daar rapport van maken, of anders was hij zelf strafbaar. Zijn eigen verantwoordelijkheid Bladzijde 42noodzaakte hem dus wel zulk een overtreding niet door de vingers te zien, en als hij er den schuldige in wat al te krasse bewoordingen op wees, dan toonde hij daarmede slechts zijn dienstijver.
“Aan zijn dienstijver valt dan stellig niet te twijfelen,” antwoordde Jack, want als het gansche vaderland op het spel had gestaan, kon hij niet erger hebben uitgevaren.”
“Hij deed dus zijn plicht; maar reken er op, dat hij ’t zelf niet aangenaam heeft gevonden. Ik sta er voor in, dat, als gij hem aan boord ontmoet, hij even vriendelijk zal wezen alsof er niets gebeurd was.”
“Hij zou me anders eens laten zien wat een eerste luitenant was. Wat kan hij daarmee bedoeld hebben?” vroeg Jack.
“Niets dan dienstijver.”
“Ja, maar zoodra ik aan boord kwam, zou hij me het verschil toonen tusschen een eersten luitenant en een adelborst.”
“Dienstijver, anders niet.”
“Ook zou hij mijn verstand wel een beetje opfrisschen.”
“Alles dienstijver.”
“En hij zou me door een sergeant en eenige mariniers laten halen.”
“Alles dienstijver.”
“Ook zou hij mijn wijsbegeerte eens op de proef stellen.”
“Alles dienstijver, meneer Rustig. Die ijver kan zich soms wat overdreven uiten, maar we zouden het in den dienst niet zonder kunnen stellen. Ik hoop en vertrouw mettertijd in u een even volijverig officier te hebben.”
Hier zette Jack een bedenkelijk gezicht, en gaf geen antwoord.
“Ik ben er zeker van,” vervolgde kapitein Wilson, “dat gij in meneer Sawbridge een uwer beste vrienden zult vinden.”
“Misschien wel,” antwoordde Jack, “maar onze eerste kennismaking, beloofde niet veel.”
“Dat is wel jammer. Maar wat ik u zeggen wilde, we zullen morgen uitzeilen. Van avond komt de sloep mijn goed halen, dat is een mooie gelegenheid om ook het uwe mee te geven. Om acht uur ga ik aan boord, we kunnen dan van dezelfde boot gebruik maken.”
Jack had daar volstrekt geen bezwaar tegen. Na zijn rekening in de Fontein betaald te hebben, liet hij zijn koffer naar de sloep brengen en wachtte voor zijn eigen vertrek de boodschap van den kapitein af. Tegen negen uur in den avond bevond Jack Rustig zich goed en wel aan boord van Zijner Majesteits fregat de Harpij.
Toen Jack aan boord kwam was het reeds donker en hij wist niet goed wat hij zou aanvangen. De kapitein werd op het dek door de Bladzijde 43officieren in allen vorm ontvangen, en eerbiedig gegroet. Hij beantwoordde dien groet en Jack volgde dat voorbeeld zoo beleefd mogelijk; daarna knoopte meneer Wilson een onderhoud aan met den eersten luitenant, zoodat Jack voor een oogenblik aan zichzelven overgelaten was. Het was te donker om de gezichten te onderscheiden, en voor iemand die nog nooit aan boord van een schip was geweest, zelfs te donker om een voet te verzetten, zoodat Jack maar stilletjes bleef waar hij was, namelijk niet ver van de betinghouten. Maar dat duurde niet lang; de sloep was aan de groote davits vastgehaakt en de bootsman had geroepen:
“Aanhalen, jongens!”
Op een schel gefluit en het kommando: “Op!” kwamen de matrozen met de takels aangerend en gesprongen. In de duisternis werd Jack omvergeloopen en een half dozijn kerels rolde over hem heen. De matrozen, die niet wisten dat er onder anderen ook een officier van de been was geraakt, hadden schik in de grap en bleven maar voortwippen over degenen die gevallen waren, totdat ze eindelijk zelven neerkwakten. Jack, die er niets van begreep, kwam leelijk te land, en eerst nadat het sein tot vastjorren was gegeven, geraakte hij weer overeind, nadat de halve stuurboordwacht over hem heengegaan was en de adem hem bijna begeven had. Jack strompelde naar een der stukken geschut, toen de officieren, die even goed als de manschappen over de fopperij gelachen had, zijn toestand opmerkten, onder anderen ook Sawbridge, de eerste luitenant.
“Hebt ge u bezeerd, meneer Rustig?” zei hij vriendelijk.
“Een beetje,” antwoordde Jack, weer bij adem gekomen.
“Dat was een wel wat ruwe welkomstgroet,” hernam de eerste luitenant, “maar op sommige tijden heet ’t aan boord: ieder voor zich en God voor ons allen. Harpur,” vervolgde hij tot den dokter, “neem meneer Rustig mee naar de konstabelkamer, ik kom zoo spoedig mogelijk zelf ook beneden. Waar is meneer Jolliffe?”
“Hier, meneer,” antwoordde Jolliffe, een stuurmansmaat en kwam van achter de leizeilspieren te voorschijn.
“Er is met den kapitein een nieuwe adelborst mee aan boord gekomen. Laat een van de kwartiermeesters zorgen voor een hangmat.”
Intusschen ging Jack naar de konstabelkamer, waar een glas wijn hem weer wat opkwikte. Lang bleef hij er niet en tot veel praten bad hij ook geen lust. Zoodra zijn hangmat klaar was, haastte hij zich om te bed te komen en daar hij doodaf was, werd het den volgenden morgen over negenen eer hij ontwaakte. Hij kleedde zich aan, ging op het dek en bespeurde dat het schip al in volle zee was. Spoedig begon hij zich onwel, ja zelfs ziek te gevoelen, zoodat een Bladzijde 44der matrozen hem naar beneden brengen en in zijn hangmat leggen moest, waar hij onder een hevigen wind drie dagen doorbracht, versuft door het schokken en slingeren, terwijl hij elk oogenblik met het hoofd tegen de scheepsbalken sloeg.
“Noemen ze dat na op zee gaan?” dacht Jack. “Geen wonder dat ze zich hier zoo weinig om elkaar bekommeren; maar dit weet ik wel, als ik ooit weer voet aan wal zet, dan gun ik den drommel mijn portie van de zee, ik heb er al meer dan genoeg van.”
Kapitein Wilson en meneer Sawbridge hadden beiden aan Jack gedurende zijn ziekte meer rust gegund dan gewoonlijk aan adelborsten werd toegestaan. Toen de storm tot bedaren was gekomen, had het schip de hoogte van kaap Finisterre bereikt. Den volgenden morgen was de zee volkomen rustig en er lag slechts een flauw briesje op het water.
De betrekkelijke kalmte van den afgeloopen nacht had onzen held weer vrij wel op zijn verhaal doen komen, en toen een stoot op de fluit het sein gaf tot het optrekken der hangmatten, kwam meneer Jolliffe, de stuurmansmaat, hem vragen of hij er niet eens over zou denken op te staan en zich in de kleeren te steken, dan of hij van plan was onder de dekens naar Gibraltar te zeilen.
Jack, die zich een heel ander mensen gevoelde, wipte uit zijn hangmat en kleedde zich aan. Volgens bevel van den kapitein had een matroos Jack tijdens zijn ongesteldheid opgepast en deze man was hem ook nu behulpzaam; hij opende Jacks kist en bracht hem al wat hij verlangde.
Toen hij gereed was vroeg Jack waar hij heen moest gaan, want ofschoon al vijf dagen aan boord, toch had hij nog geen kijkje genomen in de adelborstenkajuit. De matroos duidde hem den weg er heen uit, en Jack, die een geweldigen honger had, klauterde over kisten en koffers tot hij eindelijk terechtkwam in een vertrek, dat er vrij wat slechter uitzag dan de hondenhokken bij zijn vader thuis.
“Niet alleen mijn portie van de zee,” dacht Jack, “maar ook mijn deel in de Harpij wil ik dolgraag overdoen aan ieder die er maar naar taalt. Gelijkheid is er genoeg hier! want ik verbeeld me dat iedereen er even slecht aan toe is.”
Na aldus aan zijn gedachten lucht gegeven te hebben, bespeurde hij dat er nog iemand in de kajuit was, en wel de stuurmansmaat Jolliffe, die Jack eens goed stond op te nemen, wat dezen noopte tegenover hem hetzelfde te doen. Het eerste wat Jack opmerkte was dat Jolliffe erg van de pokken geschonden was en maar één oog had; dat ééne oog glinsterde echter zoo fel, dat het een kooltje Bladzijde 45vuur geleek en meer licht scheen te geven dan een gewone kaars.
“Die manier van kijken bevalt me niet”, dacht Jack—“we zullen nooit vrienden worden.”
Maar Jack oordeelde hierin enkel naar den schijn, en—zooals later zal blijken—hij vergiste zich.
“Het doet me plezier dat ik je weer op de been zie, jongmensch,” zei Jolliffe; “je hebt langer plat op den rug gelegen dan gewoonlijk met anderen het geval is, maar, zie je, juist de sterksten hebben ’t het zwaarst te verantwoorden. Het plan om op zee te gaan is vrij laat bij je opgekomen, doch ‘beter laat dan nooit’, zooals het spreekwoord zegt.”
“Ik voel heel veel lust om over de juistheid van dat gezegde eens nader te praten,” antwoordde Jack, “maar ’t zou op dit oogenbik toch weinig helpen. Ik heb een verbazenden honger, wanneer gaan we ontbijten?”
“Morgenochtend om half negen;” antwoordde Jolliffe. “Voor vandaag is ’t al twee uur over den tijd.”
“Moet ik ’t dan maar zonder iets stellen?”
“Dat wil ik nu juist niet zeggen, want we dienen rekening te houden met je ziekte; maar toch, een ontbijt zal ’t niet wezen.”
“Noem ’t zooals ge wilt,” hernam Jack, “maar doe me het genoegen en laat de bediende me wat eten geven. Geroosterd brood of zoo iets, ’t komt er minder op aan wat; maar het liefst zou ik er een kop koffie bij hebben.”
“Gij vergeet dat we op de hoogte van Finisterre zijn en nog wel in een adelborstenkajuit. Koffie is er niet, en van geroosterd brood kan geen sprake zijn, om de eenvoudige reden dat we in ’t geheel geen brood hebben; maar wel kan ik den hofmeester verzoeken een kop thee met wat scheepsbeschuit en boter voor je klaar te zetten.”
“Welnu,” hernam Jack, “gij zult me verplichten met me dat te bezorgen.”
“Hei daar!” riep Jolliffe een matroos toe, “laat Mesty eens hier komen.”
De toegesprokene droeg het bevel aan een volgenden matroos over, deze weer aan een derde en zoo ging ’t van mond tot mond, tot het eindelijk vooruit op den bak den bedoelden persoon bereikte.
Deze was een neger, indertijd naar Amerika overgebracht en daar als slaaf verkocht. Ofschoon zeer lang en schraal, teekende het lichaam toch groote spierkracht en het gelaat week geheel en al af van den gewonen vorm bij zijn ras. Het hoofd was lang en smal, met uitstekende jukbeenderen, zoodat het gezicht naar de kin als in een punt uitliep; de neus was zeer klein, maar recht en van Romeinschen vorm; ook de mond was buitengewoon klein en de lippen Bladzijde 46veel te dun voor een Afrikaan; de tanden waren hagelwit en scherp gepunt. Of zijn bewering, dat hij in zijn eigen land den rang van vorst had bekleed, waarheid bevatte, viel natuurlijk niet uit te maken. Zijn meester was met hem naar New-York getrokken en daar had Mesty Engelsch geleerd, als men ten minste zijn broddeltaal dien naam wilde geven.
Daar men hem had verteld, dat er in Engeland geen slavernij bestond, had Mesty zich aan boord van een Engelsch koopvaardijschip verscholen en was op die manier ontvlucht. Bij zijn aankomst in Engeland nam hij dienst op een oorlogschip. De eerste luitenant, die hem aangemonsterd had, gaf hem om zijn vreemd uiterlijk den naam van Mephistopheles, wat al spoedig verkort werd tot Mesty. In vele opzichten was die Mesty een zonderling persoontje. Kwam hij soms te praten over zijn stamboom, dan was hij het eene oogenblik uitermate trotsch, en dan weer zwaarmoedig, ja gemelijk zelfs, maar in gewone omstandigheden, als niets hem in den weg zat, kon hij vermakelijk en grappig wezen.
Al spoedig kwam de geroepene opdagen, waarbij hij zich nagenoeg dubbel vouwde om onder de dwarsbalken door te komen en vervaarlijke stappen nam met zijn bloote voeten.
“Maar, Massa Jolliffe, hoe kunt u me nu laten roepen, terwijl juist mijn grauwe erwten staan te koken, en er hier en daar al zoo’n verwenschte rakker van een jongen op den loer ligt om er een handje vol uit den pot te pikken.”
“Je weet wel, Mesty, dat ik je nooit laat roepen, of ’t moet bepaald noodig zijn,” antwoordde Jolliffe; “maar deze arme jongen heeft sinds hij aan boord is nog niets te eten gehad en hij is erg hongerig—je moest hem wat thee geven.”
“Thee bedoelt u, meneer? Wel om thee te krijgen, dien ik toch in de eerste plaats water te hebben en vervolgens ruimte in de kombuis om een ketel te vuur te zetten. Maar waarachtig, meneer, al zou je maar enkel de top van uw pink willen branden, dan nog zou je er in de heele kombuis geen warm water genoeg voor vinden. Warm water om dezen tijd! Dat is immers totaal onmogelijk!”
“Hij zal toch het een of ander moeten hebben, Mesty.”
“’t Behoeft ook juist geen thee te wezen,” zei Jack, “melk is ook goed.”
“Melk? Spreek je van melk, Massa? Van de groenvrouw soms aan den wal?”
“We hebben geen melk, meneer Rustig; gij vergeet dat we in volle zee zijn,” hernam Jolliffe; “ik begin waarlijk te vreezen, dat ge tot het middagmaal zult moeten wachten. Wat Mesty zegt, is de waarheid.” Bladzijde 47
“Ik zal u wat zeggen, Massa Jolliffe, als ik den jongenheer eens in plaats van thee wat uit den ketel gaf, misschien zou hij daar genoegen mee nemen. Thee of nat van grauwe erwten, dat verschil is zoo groot niet. Zoo’n kom vol, met wat beschuit er bij en een scheut peper er in, zal hem goed doen.”
“Misschien is dat nog het beste, Mesty; ga ’t maar gauw halen.”
Na eenige oogenblikken kwam de neger terug met een kom soep, waarin heele erwten rondzwommen; ook zette hij een tinnen bord met kleine beschuiten en een peperbus voor onzen held neer. Op het gezicht van dit gerecht vervlogen Jacks visioenen van thee, koffie, geroosterd brood en melk; maar hij had een verbazenden honger, en toen hij aan ’t proeven ging viel ’t hem nog bijzonder mee; zoo zelfs, dat hij niets van het maal overliet en zich na het gebruik er van veel prettiger gevoelde. Dra klonken er zeven slagen aan de klok en hij volgde nu meneer Jolliffe naar het dek.