Twintigste hoofdstuk.
A. J. van Dragt translation
Jack ontvangt een brief van zijn vader. Don Silvio weet zich onder een valschen naam bij den goeverneur in te dringen.
Hier werd het gesprek gestoord door de aankomst van een bezending brieven uit Engeland. Kapitein Wilson begaf zich met de voor hem bestemde naar zijn kamer, de goeverneur hield zich bezig met de zijne en onze held kreeg voor het eerst een schrijven van zijn vader. Het luidde als volgt:
“Waarde zoon.
Al menigmaal heb ik het plan opgevat u te laten weten hoe ’t hier in deze streken geschapen staat. Maar daar ik om mij heen niets dan ellende bespeur, heb ik telkens de pen weer neergelegd, ten einde u niet te bedroeven met de mededeeling er van.
De tijding van uw dood en ook het latere bericht, dat gij onverhoopt voor ons gespaard waart gebleven, zijn in orde ontvangen en ik houd me overtuigd, dat ik zoowel de smart als de vreugde met de voor een wijsgeer passende kalmte heb gedragen. In het eerste geval troostte ik mij met de overweging, dat de door u verlaten wereld in een staat van slavernij verkeerde en gebukt ging onder den druk der geweldenarij zoodat te sterven slechts onze vrijheid ten goede kon komen; en in het tweede geval matigde ik mijn blijdschap om dezelfde redenen, vast besloten als ik ben om zoowel in leven als in sterven mij een waar wijsgeer te betoonen, wat Dr. Middleton er ook van moge zeggen. Bladzijde 171
Hoe meer ik er over nadenk, hoe meer ik overtuigd word, dat niets de wereld gelukkig kan maken dan gelijkheid en zuivere inachtneming van de rechten van den mensch—kortom dat alles en iedereen op één zelfde peil diende gebracht te worden.
Ja, mijn zoon, als ik niet bleef hopen, dat de zon der gerechtigheid zal verrijzen, om al de donkere wolken, die het land verduisteren, te verdrijven—als ik niet bleef hopen nog eenmaal een gelijke verdeeling van alle eigendom te beleven—dan zou ik er me niet om bekommeren, hoe eer hoe liever dit tranendal vol dwingelandij en ongerechtigheid te verlaten. Doch het groote werk der bevrijding van het menschdom zal volbracht worden, in weerwil van het schouderophalen en hoofdschudden van zulk een koppigen, eigenwijzen kerel als Dr. Middleton.
Uw moeder leeft heel stilletjes voort; werken of lezen doet ze niet meer, ja zelfs haar breikous heeft ze er aan gegeven; zij zit nu maar den ganschen dag in een hoekje van den haard met haar duimen te spelen in afwachting van het duizendjarig rijk. Arm schepsel! wat ze daar al niet voor onzin over uitkraamt! Doch ik laat haar stil begaan, en volg het voorbeeld van den griekschen wijsgeer Socrates, die met zijn Xantippe ook heel wat te stellen had.
Ik hoop, waarde zoon, dat met de jaren uwe beginselen in vastheid zullen gewonnen hebben en dat gij, indien zulks noodig is, alles zult opofferen ter bereiking van datgene wat in mijne oogen het duizendjarig rijk is. Zie zooveel mogelijk aanhangers voor onze denkbeelden te winnen en geloof mij
Uw toegenegen vader en trouwen gids NICODEMUS RUSTIG.”
Jack schudde het hoofd en lei den brief met een zucht neer, ontevreden over zijn vader en over zichzelf. Het liep echter tegen etenstijd en dus ging hij zich kleeden voor het diner bij den goeverneur, waarop ook Gascoigne genoodigd was. Nauwelijks waren ze in de ontvangkamer gekomen, of Sir Thomas trad op hen toe:
“Gij beiden verstaat Italiaansch, heeren, doe me dus het genoegen u van middag bezig te houden met een Siciliaansch officier, die mij zeer aanbevolen is.”
Zij werden nu voorgesteld aan een slank jongmensch van een kaap uiterlijk, maar die toch iets onaangenaams in zijn blik had. Aan tafel werd Don Matthias, zoo luidde zijn naam, tusschen onze Bladzijde 172beide adelborsten geplaatst en deze begonnen terstond een gesprek met hem, begeerig als ze waren om iets te vernemen omtrent hun vrienden te Palermo. Zoo onder het praten vroeg Jack of hij ook kennis had aan Don Rebiera, waarop de Siciliaan bevestigend antwoordde, en weldra hadden ze ’t heel druk over de verschillende leden der familie. Tegen het einde van het diner vroeg Don Matthias onzen held hoe hij met Don Rebiera in kennis was gekomen en Jack vertelde nu hoe hij en zijn vriend Gascoigne den man gered hadden uit de handen van twee schurken. Na deze mededeeling scheen het opeens uit te raken met de spraakzaamheid van den jongen officier, maar toch gaf hij bij het afscheid nemen zijn hoop te kennen onze adelborsten nog nader te ontmoeten. Nauwelijks was hij vertrokken of Gascoigne merkte op: “Me dunkt, ik heb dat gezicht meer gezien, maar waar, dat wil me niet te binnen schieten.”
“Ik kan me niet herinneren hem ooit ontmoet te hebben,” antwoordde onze held, “maar in dergelijke opzichten is jouw geheugen heel wat beter dan het mijne.”
Er werd niet verder over gesproken en Jack was al weer aan het luisteren naar den goeverneur en kapitein Wilson, die nog alleen van de partij over waren, toen Gascoigne, nadat hij geruimen tijd had zitten soezen, opeens van zijn stoel opsprong en uitriep:
“Nu ben ik er achter!”
“Waar achter?” vroeg kapitein Wilson.
“Achter den naam van dien Siciliaanschen officier—ik wist ook wel, dat ik hem meer gezien had.”
“Dien Don Matthias?”
“Neen, Sir Thomas! Niet Don Matthias! Hij is niemand anders dan Don Silvio, die op het punt stond Don Rebiera te vermoorden, toen wij te hulp schoten en den man redden.”
“Ik geloof waarlijk dat je gelijk hebt, Gascoigne.”
“Stellig heb ik dat,” hernam Gascoigne; “nog nooit heb ik me in zoo iets vergist.”
“Reik me die brieven eens aan, Rustig,” zei de goeverneur, “dan zullen we eens zien hoe hij genoemd wordt. Hier heb ik ’t—Don Matthias de Alayeres. Je hebt ’t zeker mis, Gascoigne; bedenk wel, dat ge een zware beschuldiging tegen dien jongen man inbrengt.”
“Dat weet ik, Sir Thomas, maar ik zou er mijn heele traktement onder durven verwedden, dat ’t Don Silvio is. Ook heb ik wel degelijk opgemerkt, dat hij van kleur verschoot, toen Jack hem verhaalde, dat wij beiden het geweest waren, die Don Rebiera te hulp waren gekomen. ’t Is jou toch zeker ook niet ontgaan, Jack, dat hij later haast geen woord meer gesproken heeft.” Bladzijde 173
“Dat is zoo,” antwoordde Jack.
“Dan zullen we aan ’t onderzoeken moeten,” merkte de goeverneur op; “want in dat geval is de aanbevelingsbrief bedriegerij.”
Allen begaven zich nu naar bed, en terwijl Rustig en Gascoigne den volgenden morgen nog eens hun vermoedens bespraken, werden er brieven uit Palermo voor hen gebracht. Zij dienden ter beantwoording van Jack’s schrijven bij hun aankomst op Malta; eenige regels van Don Rebiera, een klein briefje van Agnes, en een uitvoerig schrijven van zijn vriend Don Philip, waarin onder anderen ook voorkwam, dat Don Silvio opnieuw een aanslag gewaagd had op hun vaders leven, welke toeleg gelukkig verijdeld was. Waarschijnlijk was de ellendeling met een der marktschuiten naar Malta ontsnapt.
Dit nieuws werd bij het ontbijt terstond aan den gouverneur en aan kapitein Wilson medegedeeld.
“We zullen dat eens onderzoeken,” merkte de gouverneur op, die nu ook naar den verderen inhoud der brief vroeg.
Jack en Gascoigne hadden rust noch duur aan het ontbijt en niet zoodra was dit afgeloopen, of zij pakten zich stilletjes weg. Toen kapitein Wilson eenige oogenblikken later opstond om naar boord te gaan, waren de beide adelborsten nergens te vinden.
“Ik begrijp ’t al, Wilson,” zei de gouverneur; “laat ze maar aan mij over, en ga zelf gerust naar boord.”
Intusschen hadden onze beide vrienden een eenzamen vestingwal opgezocht, waar ze niet licht gestoord zouden worden, “Je vermoedt zeker wel wat ik van plan ben, Gascoigne,” zei Jack. “Ik wil dien ellendeling nog dezen morgen een kogel door den kop jagen.”
“Alles goed en wel, Jack, maar dat is eigenlijk mijn werk en niet het jouwe; ik heb hem ontdekt, dus behoort hij mij.”
“Dat staat nog te bezien,” hernam Jack; “hij heeft ’t toegelegd op het leven van den man, dien ik eens mijn schoonvader hoop te noemen, en dus heb ik het meeste recht op hem.”
“Bedenk wel, Jack, dat hij een aanverwant van Agnes is; jij mag je dus niet met zijn bloed bezoedelen, want dat zou later voor je huwelijk een groot bezwaar kunnen opleveren.”
Dit bracht Jack tot nadenken en na nog wat gehaspel werd er bepaald, dat Gascoigne met Don Silvio zou vechten, terwijl Jack de uitdaging zou overbrengen. Zij lieten er geen gras over groeien en Jack begaf zich onmiddellijk naar het logement, waar de Siciliaan zijn intrek genomen had.
Bij Don Silvio binnen gelaten, vond hij hem bezig met het wetten van een tweesnijdenden dolk. De Siciliaan trad hem te gemoet Bladzijde 174en stak hem met voorgewende hartelijkheid de hand toe, maar Jack zei met een uitdagenden blik: “Don Silvio, wij kennen u; ik kom hier alleen om namens mijn vriend voldoening van u te vragen. En waarlijk, gij moogt nog van geluk spreken, want het is toch vrij wat verkieselijker te sterven door de hand van een fatsoenlijk man dan aan de galg.”
Don Silvio werd opeens doodsbleek—zijn hand deed een greep naar zijn dolk, maar deze was op tafel blijven liggen; ten slotte antwoordde hij: “’t Is goed, meneer, over een uur zal ik mij met hem meten, waar gij maar verkiest.”
Jack gaf op waar de ontmoeting zou plaats hebben en ging heen. Hij spoedde zich met Gascoigne naar de woning van een officier met wien ze bevriend waren, en, na zich bij deze van de noodige vuurwapenen voorzien te hebben, kwamen zij nog vóór den bepaalden tijd op de aangeduide plek. Zij wachtten geruimen tijd, maar wie er verscheen—Don Silvio niet.
“Hij heeft de plaat gepoetst,” merkte Gascoigne op; “de schurk is ons ontsnapt.”
Reeds was er een half uur na het vastgestelde tijdstip verstreken en nog altijd was er geen spoor te zien van Gascoigne’s tegenpartij; maar wel kwam een der adjudanten van den gouverneur op hen af.
“Daar heb je Atkins,” zei Jack; “dat treft ongelukkig, maar hij zal wel geen bezwaar maken.”
“Heeren,” zei Atkins, heel deftig groetende, “de gouverneur wenscht dringend u beiden te spieken.”
“Op dit oogenblik kunnen we onmogelijk komen, maar over een half uur zullen we er wezen.”
“Gij moet er echter binnen drie minuten zijn. Neem me niet kwalijk, maar ik heb uitdrukkelijke bevelen en om ze stipt te kunnen uitvoeren, staat er een korporaal met eenige manschappen achter den vestingwal geposteerd—maar natuurlijk, als gij gewillig meegaat is die hulp overbodig.”
“Dat is een vervloekte dwingelandij,” riep Jack uit. Er bleef hun echter geen keus over, en daarom volgden zij meneer Atkins naar het gouvernements gebouw, waar zij Sir Thomas aantroffen onder de waranda, die het uitzicht gaf op de haven en de open zee.
“Kom eens hier, heeren.” zei de gouverneur op strengen toon; “ziet ge daar ginds op twee mijlen van de kust dat schip wel? Daarmede wordt Don Silvio gevankelijk naar Sicilië overgebracht. En onthoudt nu wel den levensregel, dien ik u zal aangeven: Vecht als het noodig is met fatsoenlijke menschen, maar nooit met schurken en moordenaars. Een tweegevecht met een ellendeling aan te nemen, Bladzijde 175is even onteerend als een fatsoenlijk man voldoening te weigeren. Gaat nu heen, want ik ben boos op u, en komt niet meer onder mijn oogen vóór etenstijd.”