← Table of contents
Jack Rustig

Tweede hoofdstuk.

A. J. van Dragt translation

Jaapje wordt op kostschool gelegd, waar hij een toontje lager leert zingen.

Den volgenden dag hamerde dokter Middleton nog eens op hetzelfde aanbeeld en in weerwil van Sara’s weeklachten en de tranen van mevrouw, die geen enkel woord in het midden durfde brengen, in weerwil van den heftigen tegenstand van Jaapje zelf, die een soort van voorgevoel scheen te hebben van wat hem boven het hoofd hing, werd onze held in dokter Middleton’s koetsje gestopt. Wel trapte hij onder de bedrijven een ruit van het portierraampje in, maar de dokter, die den jongen nu geheel in zijn macht had, wiesch hem daarvoor eens duchtig de ooren. Zonder verder ongeval bereikte men weldra het huis van meneer Bonnycastle, en Jaapje werd door den knecht van den dokter naar de spreekkamer gedragen en in een stoel neergekwakt. Nauwelijks was de man den bengel kwijt, of hij bekeek eerst zijn handen, die op verschillende plaatsen bloedden, en wierp vervolgens met op elkaar geklemde tanden en saamgeknepen lippen een blik op Jack, als wilde hij zeggen: “Als ik maar dorst, dan zou ik je wel leeren!” Daarna verliet hij de kamer en begaf zich weer naar de voordeur, waar hij zijn toegetakelde handen aan den koetsier liet zien, die er van zijn bok een meewarigen blik op wierp en volkomen instemde met de verontwaardiging van zijn kameraad.

Maar we moeten weer naar de spreekkamer. Dokter Middleton neusde in een krant, terwijl Jack heel in elkaar gedoken op zijn stoel zat, met zijn voeten op de bovenste sport, zoodat zijn neus bijna zijn knieën raakte. Waarlijk een veelbelovend leerling, die Jack.

Meneer Bonnycastle trad binnen. Hij was een slank, flink gebouwd man, van een gunstig voorkomen; bij zijn netjes gepoederd haar droeg hij een deftig zwart pak, waartegen zijn keurig linnengoed helder afstak. Als hij glimlachte, vertoonde zich een rij hagelwitte tanden en zijn zachtblauwe oogen getuigden van de grootste welwillendheid. Dat was eerst het ideaal van een onderwijzer, en onmogelijk kon iemand hem aanzien en naar zijn zoet vleiende, aangename stem luisteren, zonder al zijn zonen onder ’s mans hoede te wenschen. Hij was een kundig en degelijk man, aan wiens zorgen, op het oogenblik waarvan wij spreken, meer dan honderd jongens waren toevertrouwd. Hij stond bekend als een uitstekend opvoeder en velen Bladzijde 14van zijn leerlingen hadden het tot hooge ambten en betrekkingen gebracht en zich daarin gunstig onderscheiden.

Dokter Middleton, die met meneer Bonnycastle op zeer vertrouwelijken voet stond, rees bij diens binnentreden op en zij schudden elkaar de hand. Middleton wendde zich vervolgens in de richting waar Jack zat en met den vinger naar hem wijzende, zei hij: “Zie me dat daar nu eens.”

Bonnycastle glimlachte. “Ik kan niet zeggen, dat ik er erger gehad heb, maar toch wel van hetzelfde slag. Ik zal echter spoedig genoeg wat leven brengen in dien vormeloozen klomp. Komaan, Middleton, ga nu eens zitten.”

“Maar Bonnycastle,” zei de dokter, toen hij zijn plaats weer ingenomen had, “je moest me toch eens zeggen, hoe het mogelijk is zoo’n bengel in zijn fatsoen te krijgen, zonder de toevlucht te nemen tot de gard.”

“Van het gebruik der gard verwacht ik niet de minste vrucht en daarom pas ik ze ook niet toe. Ik heb zelf te Harrow school gelegen en was toen een hachje. Evenals de meeste jongens werd ik nog al eens uit de bank geroepen en ik herinner me zeer goed, dat ik spoedig om een bestraffing met de gard niets gaf. Ik was er tegen gehard geraakt. Die wijze van straffen laat niets achter, dat de herinnering er aan levendig houdt.”

“Dat had ik me geheel anders voorgesteld.”

“Mijn waarde Middleton, met éénmaal den stok te gebruiken werk ik meer uit dan door twintig bestraffingen met de gard. Ga maar eens na, de gard treft alleen de minst gevoelige plek; maar de stok komt overal neer, van het hoofd tot de voeten. Zoodra de eerste tinteling, door de gard teweeggebracht, over is, volgt er een verdooving van het gevoel in het getroffen lichaamsdeel, en de pijn heeft dan verder niets te beteekenen; een flink pak met den stok daarentegen laat hevige pijnen en kneuzingen achter op allerlei lichaamsdeelen, die bij spierbewegingen dienst moeten doen. Na een kastijding met de gard kan een jongen best meeravotten in de speeluren, maar na een duchtig pak met den stok is ’t heel wat anders; dagen lang kan hij geen lid verroeren zonder door de pijn herinnerd te worden aan de straf, die hij heeft ondergaan, en hij past wel degelijk op, dat hij niet voor de tweede maal uit de bank wordt geroepen.”

“Beste vriend, ik verkeerde werkelijk in de meening, dat ge uitermate zachtzinnig waart,” antwoordde Middleton lachend, “maar het doet me pleizier, dat ik me vergist heb.”

“Zie me daar nu zoo’n figuur eens zitten dokter, ’t heeft meer van een stom dier dan van een redelijk wezen; zoudt ge soms Bladzijde 15denken, dat het ooit gelukken kon daar zonder krasse maatregelen eenig fatsoen in te brengen? Laat ik u tevens zeggen, dat ik mijn stelregel als verreweg de beste beschouw. Op sommige scholen zijn de straffen zoo licht, dat de jongens er eenvoudig niets om geven; bij mij echter mag elke bestraffing waarlijk dien naam dragen en het gevolg is, dat het toepassen er van maar hoogst zelden noodig is.”

“Gij brengt er dus den schrik in, Bonnycastle.”

“De twee machtigste drijfveeren in ons zijn vrees en liefde. In theorie is het veel mooier op de laatste te werken; maar in de praktijk heb ik er nooit de gewenschte uitkomsten van gezien,—en dat ligt eenvoudig hieraan, dat onze eigenliefde sterker is dan onze liefde tot anderen. In de uitwerking van de vrees daarentegen heb ik me nog nooit bedrogen, en alweer om dezelfde reden; immers door vrees werken we op de eigenliefde en anders niet.”

“Toch zijn er velen, die beweren dat lichaamsstraffen verlagend werken en ze daarom van de scholen willen weren.”

“Och dokter, er zijn zoo’n boel gekken in de wereld.”

“Dat doet me denken aan den vader van dien jongen daar,” hernam dokter Middleton. En nu begon hij den opvoeder de dwaze denkbeelden van meneer Rustig te ontwikkelen en de omstandigheden mee te deelen, die tot het naar school zenden van Jack hadden geleid.

“Dan mag er geen oogenblik verzuimd worden, dokter. Ik moet dat jongemensch geheel onder den duim hebben, eer zijn ouders hem komen bezoeken. Reken er op, binnen een week zal hij zoo volgzaam zijn als een lammetje.”

Dokter Middleton nam nu afscheid van Jack en zei hem, dat hij maar goed moest oppassen. Jack verroerde geen vin en gaf geen antwoord.

“Stoor u daar maar niet aan, dokter, als ge weer eens komt zal hij wel beleefder wezen, reken daar gerust op.” En de dokter vertrok.

Ofschoon meneer Bonnycastle streng was, ging hij toch steeds met oordeel te werk. Op het bedrijven van een of ander kattekwaad volgde slechts geringe straf, zooals in school blijven tijdens de speeluren en dergelijke; ook kwam hij zelden tusschenbeiden als de jongens met elkaar vochten, ofschoon hij er een stokje voor stak als er een den baas wilde spelen. Waar het bij hem vooral op aankwam was attentie bij het werk. Spoedig was hij er achter, waartoe zijn leerlingen in staat waren; en naar die mate werden hun ook eischen gesteld; voor een luiaard, die wel kon maar niet woû, kende hij geen genade. Het gevolg er van was, dat hij de knapste Bladzijde 16jongens afleverde. Ook bleef hij in de behandeling zijner leerlingen zoo gelijkmatig en onveranderlijk, dat, al vreesden zij hem zoolang ze onder zijn toezicht stonden, toch allen, die zijn onderricht genoten hadden, veel van hem hielden en in hun later leven zijn vrienden bleven.

Meneer Bonnycastle zag terstond in, dat er met overreding bij onzen held niets te beginnen zou zijn, en dat vrees het eenige middel was om hem tot rede te brengen. Zoodra dus dokter Middleton de kamer verlaten had, sprak hij hem op gebiedenden toon toe: “Wel, jongen, hoe is je naam?”

Jack schrikte op; hij gluurde naar zijn meester, zag hoe diens oogen strak op hem gericht waren, en begreep uit de geheele houding van den man, dat er niet met hem te spotten viel. Jack was lang niet gek en ook de kastijding, die zijn vader hem had toegediend, deed hem wel een beetje huiveren voor hetgeen er komen zou. Dus vond hij ’t geraden zich tot een antwoord te verwaardigen en zei met zijn wijsvinger in den mond:

“Jaapie.”

“En hoe heet je verder?”

Jack, die al berouw scheen te hebben over zijn inschikkelijkheid, gaf eerst geen antwoord, maar keek meneer Bonnycastle weer even in het gezicht en vervolgens de kamer rond: er was niemand die hem helpen kon, en zelf wist hij ook geen raad, daarom antwoordde hij maar: “Rustig.”

“Weet je, waarom je naar school bent gezonden?”

“Omdat ik vader gebrand heb.”

“Neen, je bent hierheen gezonden om te leeren lezen en schrijven.”

“Ik wil niet leeren lezen en schrijven,” antwoordde Jack druilig.

“Dat zul je toch; en je begint nu maar eens dadelijk de letters op te noemen.”

Jack zei niets. Meneer Bonnycastle opende een soort van boekenkast en gunde ons verbaasde Jaapje een kijkje op een reeks van stokken, die evenals biljart-queues netjes op een rij stonden.

“Weet je waar die voor dienen?”

Met een benauwd gezicht tuurde Jack er naar; hij had een flauw besef, dat hij er stellig nader kennis mee zou maken, maar antwoorden deed hij niet.

“Ze dienen om kleine jongens te leeren lezen en schrijven, en nu zal ik eens met dat onderricht beginnen. Je zult wel spoedig leeren. Kijk eens hier,” vervolgde meneer Bonnycastle terwijl hij een boek met groote letters opensloeg en aan het begin van een hoofdstuk op een letter wees van wel een halven duim groot. Bladzijde 17

“Zie je die letter?”

“Ja,” antwoordde Jaapje, wendde zijn oogen af en wriemelde met zijn vingers.

“Nu, dat is de letter B. Zie je ’t? Kijk er nu goed naar, opdat je ’t straks ook weet. Dat is de letter B. Zeg me nu eens, welke letter is ’t?”

Jack besloot nu koppig te wezen, en gaf geen antwoord.

“Je weet ’t dus niet? Welnu, dan zullen we eens zien, wat een van deze kleine vrienden er van weet te maken,” zei meneer Bonnycastle en kreeg een stok. “Let wel, Jaapje, dat is de letter B. Nu, hoe heet die letter? Antwoord me onmiddellijk.”

“Ik wil niet leeren lezen en schrijven.”

Flap! kwam de stok neer op de schouders van Jaapje, die een luiden schreeuw liet en ineenkromp van de pijn.

Meneer Bonnycastle wachtte een paar seconden. “Dat is de letter B. Zeg me nu eens onmiddellijk, ventje, hoe heet die letter?”

“Ik zal ’t aan ma zeggen!”—Flap!—“O jé! o jé!”

“Hoe heet die letter?”

Met open mond, hijgend en terwijl de tranen hem langs de wangen biggelden, riep Jaapje nijdig uit. “Houd op! Ik zal ’t aan Saar zeggen!”

Flap! ging ’t opnieuw en Jaapje gilde ’t weer uit.

“Hoe heet die letter?”

“Ik zeg ’t niet,” griende Jaapje; “ik zeg ’t niet—ik doe ’t niet.”

Flap—flap—flap! en daarop volgde een poos stilte. “Ik heb je zooeven gezegd, dat ’t de letter B is. Hoe heet nu die letter? Zeg ’t zonder dralen.”

Bij wijze van antwoord deed Jaapje een greep naar den stok. Au! daar had hij ’m, welzeker, maar niet precies zooals hij ’t gewild had. Jaapje greep nu het boek en smeet het in een hoek van de kamer. Flap, flap! Jaapje trachtte meneer Bonnycastle te bijten. Flap, flap, flap, flap! en Jaapje viel op het vloerkleed en brulde van de pijn. Meneer Bonnycastle liet hem toen een poos ongemoeid om hem gelegenheid te geven weer op zijn verhaal te komen.

Toen eindelijk het gegil van Jaapje in een zacht snikken overgegaan was, zei meneer Bonnycastle tot hem: “Je zult nu wel begrepen hebben, Jaapje, dat het geraden is te doen wat ik je vraag, want dat er anders klappen vallen. Kom, sta eens gauw op. Versta je me niet?”

Eer Jaapje het zelf wist, stond hij weer op zijn beenen.

“Zoo, dat is eerst een brave jongen; je ziet nu wel, dat je geen Bladzijde 18slaag krijgt, als je maar doet wat ik je vraag. Komaan, Jaapje, je moest het boek eens gaan oprapen, dat je daar ginds neergesmeten hebt. Gauw hoor, breng ’t onmiddellijk hier!”

Jaapje wierp een steelschen blik naar meneer Bonnycastle en naar den stok. Al had hij ook nog zooveel lust om te weigeren, hij raapte het boek op en lei het op tafel.

“Goed zoo, mijn jongen; nu zullen we de letter B eens opzoeken. Hier is ze: wel, Jaapje, hoe heet die letter nu?”

Geen antwoord.

“Zeg ’t me terstond,” zei meneer Bonnycastle en hief den stok hoog op. Die aanmaning was Jaapje te machtig. Hij gluurde angstig naar den stok; ze kwam in beweging en daalde al. Buiten adem schreeuwde hij haastig: “B!”

“Juist zoo, Jaapje, heel goed. De eerste les is nu afgeloopen, en je gaat thans naar bed. Je hebt meer geleerd dan je zelf vermoedt. Morgen beginnen we opnieuw. We zullen den stok nu maar wegzetten.”

Meneer Bonnycastle schelde en gaf last, dat men den jongenheer Jack naar bed zou brengen, en wel in een afzonderlijk kamertje. Avondeten mocht hij niet hebben, want een beetje honger zou morgen het leeren des te gemakkelijker maken. Alleen met pijn en honger kan men wilde dieren temmen, en dezelfde middelen moeten toegepast worden tot het onderdrukken van die hartstochten in den mensch, waardoor hij aan een redeloos dier gelijk wordt. Jaapje werd naar bed gebracht, ofschoon het pas zes uur was. Hij leed niet enkel pijn, maar ook zijn hoofd was geheel in de war; en geen wonder, al zijn leven had men hem zijn eigen zin laten volgen en tot op gisteren had hij nooit eenige kastijding ondergaan. Na al de liefkoozingen van zijn moeder en van Saar, die hij nooit naar waarde had weten te schatten—na het dagelijksch zich volstoppen en maar dooreten tot hij er van begon te walgen, zag hij zich nu ineens zonder moeder, zonder Saar, zonder avondmaaltijd, overdekt met builen, en, wat nog het ergst van alles was, zonder dat hij zijn eigen zin kon volgen.

Geen wonder dus dat Jaapje niet goed wist hoe hij ’t had; ineens was hij gedwee geworden en meneer Bonnycastle had volkomen gelijk, toen hij tot hem zei, dat hij al meer geleerd had, dan hij zelf vermoedde. Wat zou mevrouw Rustig wel gezegd hebben als ze alles geweten had—en Saar? En meneer Rustig, met zijn rechten van den mensch? Terzelfder tijd dat bij Jaapje het duiveltje der koppigheid uitgedreven werd, zaten zij zich te troosten met het denkbeeld, dat er in elk geval op de school van meneer Bonnycastle Bladzijde 19niet van de gard gebruik werd gemaakt, en zij verloren geheel uit het oog, dat evengoed als men een hond nog wel op een andere wijze van kant kan maken dan door hem te verdrinken, er ook verschillende manieren bestaan om jongens te kastijden. Gelukkig in hun onwetendheid, sliepen allen rustig in zonder er in ’t minst van te droomen, dat Jaapje al genoeg kennis had opgedaan om een vrij voldoend begrip te hebben omtrent het geheim van den stok. Wat Jaapje zelf betrof, hij schreide zich in slaap, minstens zes uren vroeger dan zij.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings