Zestiende hoofdstuk.
A. J. van Dragt translation
Onze held krijgt een hekel aan den dienst, maar raakt er ook weer mee verzoend. Hij neemt wakker deel aan de bemachtiging van een Franschen kaper.
Daags na de begrafenis van kapitein Tartar zeilde de Aurora naar Malta en werden onze beide adelborsten aan boord van de Harpij gezonden.
Meneer James, de eerste luitenant van de Aurora, die na Tartar’s dood het kommando over het schip voerde, was verlangend zich bij den admiraal te Toulon te vervoegen en wilde daarom reeds den volgenden dag de reis voortzetten. Aan tafel bij den gouverneur ontmoette hij kapitein Wilson en vertelde, dat Jack en Gascoigne op last van kapitein Tartar in boeien geslagen waren. Ook deelde hij zijn vermoedens mede omtrent de aanleiding er toe en het duel dat er het gevolg van geweest was. Het geheele geval bleef echter zeer raadselachtig, daar Jack en Gascoigne zich tegenover niemand aan boord der Aurora over hun avonturen op Sicilië hadden uitgelaten.
“Ik zou omtrent dat duel wel eens het naadje van de kous willen weten,” zei de gouverneur; “och, Wilson, breng Rustig morgenochtend mee hierheen, dan kan hij ons zijn verhaal opdisschen.”
Ik vrees dat we hem te veel aanmoedigen, Sir Thomas, hij maakt ’t al erg genoeg. Er komt maar geen einde aan zijn avonturen en ’t loopt altijd goed af.”
“Nu ja, maar je kunt hem immers hier ontbieden en duchtig onder handen nemen, evengoed als in uw eigen kajuit; we zullen dan de waarheid wel uit hem krijgen.”
“Dat is stellig,” antwoordde kapitein Wilson, “want hij komt er altijd rond voor uit.”
“Nu, doe me dan het genoegen hem te laten halen. Ik vind ’t zoo verschrikkelijk niet, dat hij zich schuil gehouden heeft, want hij schijnt in de meening verkeerd te hebben, dat hij zou gehangen worden. Ik moet den jongen noodzakelijk zien.”
“Welaan, gouverneur, als dat uw wensch is,” antwoordde kapitein Wilson, en schreef een paar woorden om meneer Sawbridge te verzoeken, meneer Rustig tegen tien uur in den morgen ten huize van den gouverneur bij hem te zenden.
Jack verscheen in uniform. Over hetgeen hem zou gezegd worden Bladzijde 143bekreunde hij zich niet veel, want hij was toch besloten den dienst te verlaten. Dat hij in boeien was geslagen, kon hij maar niet verkroppen.
Toen Jack bij den kapitein werd toegelaten, vond hij dezen met den gouverneur aan het ontbijt. Onverschrokken, maar met den noodigen eerbied, stapte hij naar binnen. Kapitein Wilson sprak hem toe en bracht hem onder het oog, dat hij met dat duel, en meer nog met het van het schip wegloopen, een groote fout begaan had. Jack keek deemoedig naar kapitein Wilson op, erkende het verkeerde zijner handeling en beloofde in het vervolg beter te zullen oppassen, als kapitein Wilson het ditmaal door de vingers wilde zien.
“Vergun me, kapitein, dat ik een woordje ten gunste van het jongemensch in het midden breng,” zei de gouverneur; ik ben overtuigd dat het enkel een gevolg is geweest van gebrek aan oordeel.”
“Nu, meneer Rustig, daar gij berouw toont en de gouverneur het voor u opneemt, zal ik de zaak maar laten rusten. Maar vergeet niet, dat ge mij met uw dolle streken heel wat ongerustheid hebt bezorgd, en bedenk steeds, dat ik veel te veel belang stel in uw welzijn, om niet angstig te zijn als gij u aan zulke gevaren blootstelt. Ga nu maar weer aan boord aan uw bezigheid en laat Gascoigne hetzelfde doen; maar laat me alsjeblieft niet meer hooren van duels en van wegloopen.”
Jack was door die vriendelijke bejegening zoo getroffen, dat hij geen woord kon uitbrengen; hij maakte een buiging en wilde juist de kamer verlaten toen de gouverneur zei:
“Meneer Rustig, hebt ge al ontbeten?”
“Ja, meneer,” antwooordde Jack, “eer ik aan wal ging.”
“Kom, een adelborst ziet er niet tegen op tweemaal te ontbijten; schuif maar bij—alles is nu toch vergeten.”
Jack boog, nam een stoel, en bewees dat zijn eetlust niet veel schade geleden had door het standje. Toen het ontbijt afgeloopen, was, merkte kapitein Wilson op:
“Mijnheer Rustig, gewoonlijk hebt ge bij uw terugkomst eenige avonturen te verhalen, zoudt ge den gouverneur en mij niet het een en ander willen meedeelen van wat er op uw laatsten tocht is voorgevallen?”
“Welzeker, meneer,” antwoordde Jack; “maar ik moet om geheimhouding verzoeken, want die is voor Gascoigne en mij van het grootste belang.”
“Met genoegen als geheimhouding noodig is, mijn jongen; maar daarover kan ik zelf het best oordeelen,” zei de gouverneur.
Jack begon nu te verhalen wat wij reeds weten en besloot met Bladzijde 144de mededeeling, dat hij den dienst wenschte te verlaten, Hij hoopte dat kapitein Wilson hem zou ontslaan en naar huis zenden.
“Och wat, onzin!” riep den gouverneur uit, en kapitein Wilson ging aan ’t betoogen om hem van zijn voornemen terug te brengen, wat dan ook gelukte.
“Als gij er niets tegen hebt, kapitein, dan noodig ik meneer Rustig van middag bij ons ten eten en verzoek hem Gascoigne mee te brengen. Gij kunt hem dan eerst duchtig het jak uitvegen en ik hem vervolgens troosten met een flink diner.”
Toen Jack vertrokken was, zei de gouverneur: “De jongen moet zachtzinnig behandeld worden, kapitein Wilson; ’t zou een verlies zijn, als hij den dienst verliet. Lieve hemel, wat al avonturen en hoe aardig weet hij ze te vertellen! Als gij ’t goedvindt, vraag ik hem al den tijd, dien gij hier blijft, bij me te logeeren; ik moet goede maatjes met hem worden en hij mag den dienst niet verlaten.”

“Nu is ’t tijd, jongens, vooruit nu!” riep onze held.
Kapitein Wilson, die ook begreep dat onze held met zachtheid het best te regeeren was, gaf zijn toestemming op het voorstel van den gouverneur. Jack at dus aan tafel bij den gouverneur en nam les in het Spaansch en Italiaansch, zoolang de Harpij opgelapt werd. Nog eer het schip klaar was, kwam er een vaartuig van de vloot met last aan kapitein Wilson om zich naar Mahon te begeven en een transport, dat daar lag, uit te zenden, ten einde de vloot van levende ossen te voorzien. Jack keerde wel niet met veel lust naar zijn schip terug, maar hij had den gouverneur beloofd, dat hij in dienst zou blijven en begaf zich dus den avond vóór het onder zeil gaan aan boord. Hij had dus een lekker leventje geleid, dat de scheepskost hem eerst tegenstond, maar spoedig herkreeg hij zijn eetlust.
Den volgenden dag ging de Harpij onder zeil en Jack vatte zijn gewone bezigheden weer op. Meneer Asper leende tien pond van hem en onze held hield zooveel wacht als hij verkoos, wat al bijster weinig was, daar hij aan het wacht houden een broertje dood had.
De Harpij hield onder voortdurenden tegenwind koers langs de Afrikaansche kust en gedurende verscheidene dagen ondervonden ze niets dan teleurstelling. Eindelijk ontdekten ze onder den wal, op ongeveer zestien mijlen afstand, een brik. Naar uiterlijk en tuigage hield kapitein Wilson het schip voor een of anderen kaper, maar het was stil weer en ze konden het niet naderen. Toch achtte de kapitein zich tot een onderzoek verplicht, en daarom werden om tien uur ’s avonds de booten uitgezet. Daar het enkel om een Bladzijde 145verkenning te doen was, ging meneer Sawbridge niet mee. Meneer Asper stond op de ziekenlijst, zoodat de stuurman Smallsole het kommando over de expeditie kreeg. Jack verzocht meneer Sawbridge om het bevel over een der booten. Meneer Jolliffe en meneer Vigors gingen bij den stuurman in de sloep. De konstabel was bevelvoerder over den eenen kotter en onze held over den tweeden. Ofschoon eerst zeventien jaar, was Jack toch sterk en groot voor zijne leeftijd en kon gerust een volwassen man genoemd worden. Mesty was bij hem en juist toen de boot afzette, liet ook Gascoigne zich er in glijden. De opdracht aan den stuurman was vrij bepaald; hij moest het schip verkennen, en als het flink bewapend bleek niet aanvallen, want het lag dicht onder den wal en kon, zoodra de wind opzette, toch niet aan de Harpij ontsnappen. Voerde het geen geschut dan moest hij het aanklampen, maar niet voordat de morgen was aangebroken. Dat de booten reeds ’s avonds werden uitgezonden, was om geen hinder te hebben van de zonnehitte, die overdag buitengewoon groot was en al menigeen op de ziekenlijst had gebracht. Ze moesten de baai inroeien, maar zorgen niet ontdekt te worden en niet al te dicht bij het vreemde schip de ankers uitwerpen om het aanbreken van den dag af te wachten. Opdat er geen misverstand zou plaats hebben, had meneer Smallsole zijn bevelen gekregen in tegenwoordigheid van de andere officieren, die over de booten waren gesteld. Na drie uren roeien bereikten zij de plaats waar de brik lag, en daar ze aan boord geen lichten zagen bewegen, meenden zij niet opgemerkt te zijn. Zij lieten de ankers vallen in omstreeks zeven vademen water en wachtten het daglicht af. Toen Jack kapitein Wilson’s bevel hoorde om tot het aanbreken van den dag voor anker te gaan liggen, had hij Mesty beneden vischsnoeren laten halen, want versche visch is altijd een versnapering voor adelborsten. Onder het visschen raakten Jack en Gascoigne aan het praten over de beste manier van aanval met booten. Gascoigne was er voor, dat alle booten te gelijk het schip zouden aanklampen, terwijl Jack het beter vond, dat ze dit een voor een deden.
“Wil jullie wel eens stil wezen, daar in je boot!” riep de stuurman. “Jullie zijn er altijd op uit om den boel in de war te sturen.”
“Dank je wel, meneer,” mompelde Jack. “Ik heb weer beet, Ned.”
Jack en zijn vriend bleven aan het visschen tot de dag aanbrak. De mist trok op, zoodat de brik zichtbaar werd, en ternauwernood bespeurde zij de sloepen, of ze heesch de Fransche vlag en loste een kanonschot ter uitdaging.
Meneer Smallsole wist niet goed wat hij doen zou, het geloste schot verried geen zwaar geschut, dat vond meneer Jolliffe ook. Bladzijde 146De manschappen, als gewoonlijk tuk op den aanval, beweerden hetzelfde, en daar meneer Smallsole niet voor den vijand durfde wijken, uit vrees van door de bemanning van zijn schip later met een scheel oog te worden aangezien, gaf hij bevel de ankers te lichten.
“Wacht nog even, jongens,” zei Jack tot de manschappen van zijn boot, “ik heb daar juist beet.” Zij lachten, dat Jack ’t zoo luchtig opnam, en gaven hem gelegenheid eerst zijn visch op te halen; met wat forscher roeien zouden ze in een paar seconden wel weer met de andere booten gelijk komen.
“Hij is binnen,” riep Jack; “licht nu het anker maar.” Door het oponthoud waren de anderen booten zulk een eind voor, dat ze niet zoo gemakkelijk meer in te halen waren.
“Ze zullen vóór ons aan boord zijn.” zei Gascoigne.
“Wat hindert dat?” antwoordde Jack; “één moet er toch de laatste wezen.”
“Best mogelijk, maar niet de boot waar ik in ben.”
“Och kom, wij zullen het reservekorps vormen en de eer genieten van de kans te onzen gunste te doen keeren.”
“Allen gelijk, jongens!” riep Gascoigne, bemerkende dat de overige sloepen nog steeds een kabellengte voorbleven.
“Hoor eens, Gascoigne, ik heb het kommando over de sloep,” zei Jack, “en ik verkies niet dat mijn manschappen buiten adem enteren—dat zou al te dom wezen. Geregeld en bedaard, jongens, maar niet te haastig.”
“Maar zij zullen het schip veroveren eer wij langs zij komen!”
“Al was dat zoo, dan zoo ik nog gelijk hebben, nietwaar Mesty?”
“Zeker, Massa Rustig, gelijk heeft u—want stel dat ze het schip nemen zonder u, dan hebben ze u niet noodig—en hebben ze u noodig, dan komt gij.” En de neger, die zijn buis uitgegooid had, stroopte zijn hemdsmouwen op, alsof hij niet veel goeds verwachtte.
De eerste kotter, onder bevel van den konstabel, sneed de barkas voorbij en was drie bootslengten voor, toen zij langs zij van het schip kwam. De brik gaf haar de volle laag en de boot verdween in de golven.
“De kotter zinkt!” riep Gascoigne uit; “roei op toch, jongens!”
“Zie je nu wel, dat als we alle drie gelijk gebleven waren, die volle laag ook ons om zeep zou gebracht hebben?” zei Jack bedaard.
“Kijk de barkas eens vooruitschieten! Zet aan, jongens, zet aan!” riep Gascoigne stampvoetend van ongeduld.
“De ontvangst was blijkbaar zeer warm; terwijl de manschappen uit de barkas aan boord klauterden, was de kotter onder den achtersteven van de brik gekomen—nog een paar slagen en hij zou langs zij wezen. Opeens had er aan dek van het schip een Bladzijde 147vreeselijke ontploffing plaats en brokstukken van lichamen en voorwerpen werden door de lucht geslingerd. De uitbarsting was zoo hevig, dat de manschappen van den tweeden kotter, als van schrik verlamd, eensklaps het roeien staakten; strak staarde ze naar de opstijgende rookkolommen, die masten en tuigage van het schip onzichtbaar maakten.
“Nu is ’t tijd, jongens, vooruit nu!” riep onze held.
Door zijn stem weer tot bezinning gebracht, gehoorzaamden de manschappen—maar de boot had reeds genoeg vaart en eer zij weer een ruk aan de riemen konden doen, bonsden zij al tegen het schip aan en, Jack volgende, waren ze in een paar seconden op het halfdek van de brik. Hier was ’t een verschrikkelijk gezicht—het heele dek was zwart en lag bezaaid met lijken; vele kleeren branden nog en verscheidene lichamen waren vaneengerukt.
De gangspil was gelicht en over één kant geslagen—het kompashuisje lag in gruizelementen en verscheidene touwen brandden. Geen levende ziel was aan dek te bekennen.
Zooals zij later vernamen van de manschappen, die hun leven gered hadden door beneden te blijven, had de Fransche kapitein de sloepen al in het oog gehad eer zij ankerden, en zich op alles voorbereid; voor het handiger laden der kanonnen, had hij een groote ammunitiekist met kardoezen op het dek laten plaatsen. Nu was het gevecht tusschen de bemanning van de sloep en die van het schip vlak bij de ganspil gevoerd, en een pistoolschot was bij ongeluk tusschen de kardoezen te land gekomen en had de vreeselijke verwoesting veroorzaakt.
Het eerste werk was den brand te blusschen, die zich over het schip uitbreidde. Zoodra men de vlammen meester was, ging onze held naar het achterschip en keek over de verschansing naar den gezonken kotter om.—“Gascoigne, ga met vier man in de boot—ik zie daar op een kwartmijl afstand den kotter drijven: misschien valt er nog iemand te redden; me dunkt, ik zie een paar hoofden.”
Gascoigne haastte zich weg en keerde spoedig terug met drie man van den kotter; de overigen waren weggezonken, waarschijnlijk gedood of gewond, toen ze van de brik de volle laag kregen.
“Goddank, ten minste drie gered!” zei Jack. We moeten nu zien of er hier op dek nog enkele van die arme drommels in leven zijn gebleven, en dan de rest maar over boord gooien. Wel, Ned, wat zou er van ons geworden zijn, als we de brik te gelijk met de sloep hadden geënterd?”
“Ja, jij komt altijd op je beenen te recht, Jack,” antwoordde Gascoigne; “maar dat bewijst nog niet dat je gelijk hebt.” Bladzijde 148
“Jij bent niet te overtuigen, Ned; maar ’t is nu geen tijd van lange redeneeringen, we moeten naar die arme kerels omzien; enkelen leven er nog.”
Bij het nagaan der lijken bleek, dat ook Vigors onder de verongelukten behoorde, en in een gelaat, dat bijna geheel zwart gebrand was, herkenden zij den armen Jolliffe. Drie vingers van de linkerhand was hij ook kwijt, maar zoodra hij aan dek gebracht was, scheen hij weer te herleven en wees naar zijn mond om water, dat hem oogenblikkelijk gebracht werd.
“Mesty,” zei Jack, “zorg jij zoo goed mogelijk voor meneer Jolliffe tot ik terugkom.”
Het onderzoek werd nu voortgezet en men vond vier Engelsche matrozen en evenveel Franschen, die er waarschijnlijk het leven nog zouden afbrengen. De overige lijken werden over boord gesmeten. Van den stuurman vonden ze tusschen de kanonnen enkel het hoofd en beneden waren maar elf Franschen.
Het schip was een Fransche kaper met tien stukken en vijf en zestig koppen, waarvan er acht op buit uit waren. De bemanning van het schip leed een verlies van zes en veertig aan dooden en gewonden. Van de Harpij waren er vijf van den kotter verdronken en achttien met de sloep in de lucht gevlogen; van de drie en twintig, die aan de expeditie deelnamen, hadden alleen meneer Jolliffe en vijf matrozen er het leven afgebracht.
“Daar komt de Harpij aan,” zei Gascoigne tot Rustig.
“Des te beter, Ned, want ’t is hier een allerellendigst tooneel en ik wou dat ik maar weer aan boord was. Ik ben daar juist bij Jolliffe geweest; hij kan een beetje spreken; denkelijk zal hij nog herstellen. Ik hoop ’t voor den armen kerel, hij heeft dan alle kans eindelijk eens bevorderd te worden.”
Spoedig lag de Harpij naast de brik bijgedraaid en Jack ging met den kotter aan boord om rapport uit te brengen omtrent het gebeurde. Kapitein Wilson gevoelde grooten spijt over het verlies van zooveel manschappen, en begaf zich met Sawbridge aan boord van de brik om de verschikkelijke uitwerking der ontploffing persoonlijk in oogenschouw te nemen.
Jolliffe en de overige gewonden werden aan boord van de Harpij gebracht, en allen herstelden. Tengevolge der brandwonden vervelde Jolliffe’s pokdalig gelaat geheel en al en het leek wel of het daardoor een beetje opgeknapt was. Hij werd echter niet alleen bevorderd, maar ook op pensioen gesteld en trad dus uit den dienst. Bladzijde 149