Derde hoofdstuk.
A. J. van Dragt translation
Jack neemt de proef van zijns vaders grondbeginselen en komt ten slotte dicht bij de waarheid.
Den volgenden morgen was Jack niet alleen erg pijnlijk, maar ook vrij hongerig, en toen meneer Bonnycastle hem mededeelde, dat hem in plaats van een ontbijt een vernieuwde kennismaking met den stok te wachten stond, toonde Jaapje zich verstandig genoeg om het heele alphabet op te zeggen. Hiervoor werd hij zeer geprezen, en al maakten de loftuitingen weinig indruk op hem, in elk geval was hij er toch oneindig veel liever van gediend dan van een dracht slagen. Meneer Bonnycastle zag in, dat hij met één uur van gestrengheid op zijn pas den jongen volkomen onder den duim had gekregen. Hij liet hem nu over aan de hulponderwijzers zijner school en daar ook deze gerechtigd waren tot het toedienen van een gevoelige aansporing, werd Jaapje al spoedig een handelbaar ventje.
Misschien denkt men dat zijn gemis thuis bijzonder sterk werd gevoeld, maar dat was niet het geval. Vooreerst had dokter Middleton er mevrouw Rustig nadrukkelijk op gewezen, dat op school de gard niet werd gebruikt, terwijl er alle kans bestond dat de bestraffing, die de jongen van zijn vader had ondergaan, nog wel eens zou herhaald worden—en in de tweede plaats, al meende mevrouw eerst, dat zij de scheiding van haar lieveling nooit zou kunnen overleven, spoedig begreep ze toch, dat zij zonder hem vrij wat gelukkiger was. Een bedorven kind is altijd een bron van kommer en verdriet, en na Jaapje’s vertrek genoot mama eerst de rust en de kalmte, waarop zij zoo bijzonder gesteld was. Langzamerhand Bladzijde 20ontwende zij van hem, en tevreden met nu en dan een bezoek aan de kostschool en met de rapporten van dokter Middleton, was zij er ten slotte geheel mee verzoend, dat de jongen school lag en enkel in de vacantie thuis kwam. Jack maakte groote vorderingen; hij had heel veel aanleg en als zijn vader den dokter ontmoette, wreef hij in de handen en zei: “Ja, laat ze hem nog maar een jaartje of twee houden, dan zal ik er zelf wel de laatste hand aan leggen.” Elke vacantie had hij gepoogd Jaapje de gelijke rechten van den mensch in te prenten. De jongen scheen erg weinig te letten op vaders betoogen, maar gaf toch duidelijk blijk, dat al die wijsheid niet geheel aan hem verspild was, want zonder vragen eigende hij zich alles toe waar hij lust in had. Onder deze manier van opvoeden bereikte onze held zijn veertiende jaar en was toen een flinke, ferme jongen en lang niet op zijn mondje gevallen—ja als ’t er op aan kwam, kon hij zelfs zijn vader van z’n stoel praten.
In niets had meneer Rustig zooveel plezier als in Jack’s welbespraaktheid. “Goed zoo, mijn jongen, altijd maar redeneeren en de zaken duidelijk uiteenzetten,” zei hij gewoonlijk, als Jack met zijn moeder aan het redetwisten was. En in zijn handen wrijvend keerde hij zich dan tot den dokter met de opmerking: “Let eens op, Jack zal nog een groot man worden, een zeer groot man.” Meestal riep hij dan Jack bij zich en gaf hem een goudstuk voor zijn knapheid, zoodat zoonlief weldra zelden een gelegenheid liet ontglippen om aan ’t redeneeren te slaan. Tegenover meneer Bonnycastle hield hij zijn praatjes stilletjes voor zich, want hij wist maar al te goed, dat diens bewijsgronden hem te sterk waren. Wel echter redetwistte hij met al de jongens, wat gewoonlijk op een kloppartij uitdraaide; soms zelfs nam hij het op tegen de hulponderwijzers.
Toen nu de groote zomervacantie aanbrak, had Jack zijn hoofd vol van allerlei betoogen en liet er zich niet weinig op voorstaan. Hij wist alles zoo haarfijn te beredeneeren en spon alles zoo breed uit, dat men ten slotte geheel van de wijs raakte en er eigenlijk niets meer van begreep.
Eens was Jack in de rivier gaan visschen, maar een heele morgen was voorbijgegaan en nog had hij niets gevangen. Daar viel zijn oog op den grooten vijver, die hem voorkwam nog al goed voorzien te zijn. Hij klom zonder complimenten over de heining van het buiten en lag zijn hengel in den vijver. Toen hij al verscheiden mooie visschen opgehaald had, werd hij aangeklampt door den eigenaar, die een paar parkopzichters bij zich had.
“Mag ik uw naam ook weten, jongeheer?” vroeg de eigenaar aan Jack. Bladzijde 21
Nu moet gezegd worden, dat Jack altijd even hoffelijk en beleefd was. Hij antwoordde dan ook:
“Met genoegen, meneer; ik heet Rustig, om u te dienen.”
“Gij schijnt ’t nog al luchtigjes op te nemen,” hernam het heerschap; “maar gij zult toch zeker wel begrijpen, dat ge u aan een overtreding schuldig maakt?”
“Over dat woord overtreding”, antwoordde Jack, “valt heel wat te redeneeren, meneer. Vooreerst wordt ’t gewoonlijk als een overtreding beschouwd, als iemand zonder verlof op een anders land of erf komt. Maar nu vraag ik u toch, meneer, is niet de aarde voor allen geschapen? Heeft een enkel bewoner er van, desnoods in vereeniging met anderen, wel het recht een gedeelte als zijn uitsluitend eigendom aan te merken? Me dunkt, ik stel de vraag nog al duidelijk. Laten we er nu eens over gaan redeneeren.”
De heer, door wien Jack aangesproken was, had wel eens over meneer Rustig en diens liefhebberij in het betoogen hooren praten; hij was een luimig man, die veel meer hield van lachen dan van zich boos te maken, en bovendien vond hij het noodig Jack te doen inzien, dat zijn begrippen onder de gegeven omstandigheden niet houdbaar waren.
“Maar, meneer Rustig, aangenomen al dat het betreden van mijn grond verschoonbaar is, dan zult ge toch niet willen beweren, dat gij recht hebt mijn visschen te vangen; ik heb ze gekocht, ze in den vijver gepoot en vervolgens steeds voedsel gegeven. Gij kunt toch niet ontkennen, dat die beesten mijn bijzonder eigendom zijn en dat het wegnemen er van diefstal is?”
“Daar valt nog heel wat op aan te merken, mijn waarde heer,” hernam Jack; “maar—met uw verlof, ik heb juist beet.” Jack sloeg “en fermen karper op, tot groote ergernis van de opzichters en tot vermaak van hun meester. Hij deed den visch van den angel, wierp hem in zijn mandje, vernieuwde doodbedaard het aas, en hervatte, terwijl hij weer inlei, het gesprek.
“Zooals ik u deed opmerken, mijn waarde heer, is dat voor heel wat weerlegging vatbaar. Alle schepselen der aarde werden den mensch gegeven tot zijn gebruik—met mensch wordt bedoeld de menschheid.—Ook het water is een gave des hemels en tot aller gebruik bestemd. Nu komen we tot de vraag, in hoe ver de visschen uw eigendom zijn. Als de visschen alleen voortteelden om u plezier te doen en u hun kroost ten geschenke te geven, dan zou ’t een heel ander geval zijn; maar nu dat zoo niet is, betwijfel ik zeer of gij kunt bewijzen, dat die visschen u meer toebehooren dan mij. Bovendien—maar daar heb ik weer beet—met uw verlof, meneer—ai, hij gaat er van door.— Bladzijde 22
“Dus zijt gij van meening, dat de wereld en al wat zij bevat voor allen geschapen is?”
“Juist, meneer; zoo denkt mijn vader er over, en die is een groot wijsgeer.”
“Maar waaruit verklaart uw vader dan, dat sommigen eigendommen bezitten en anderen weer niet?”
“Daaruit, dat de sterkeren de zwakkeren hebben beroofd.”
“Maar zou dat riet altijd het geval zijn, ook al konden we allen gelijke aanspraken doen gelden, zooals gij vooronderstelt? Laten we bijvoorbeeld eens aannemen dat twee menschen jacht maken op hetzelfde dier en het beiden te gelijker tijd machtig worden, zal dan niet de sterkste er mee naar huis gaan?”
“Dat stem ik toe, meneer?”
“Nu, waar blijft ge dan met uw gelijkheid?”
“Daaruit volgt nog niet, dat het de bedoeling niet is geweest de menschen gelijk te doen wezen; het bewijst enkel dat ze het niet zijn. Ook vervalt daarmede niet de bewering dat alles tot aller nut is geschapen, maar het toont alleen dat de sterke tegenover den zwakke zijn meerdere kracht doet gelden, wat zeer natuurlijk is.”
“Ei zoo, gij vindt dat dus zeer natuurlijk. Nu, meneer Rustig, ik bemerk tot mijn genoegen dat we het volkomen eens zijn, en we zullen dat wel blijven, vertrouw ik. Vergeet niet op te merken, dat ik en mijn twee opzichters er drie zijn, wij vormen dus de sterke partij in dit geval, en al nemen we nu uw stelling aan, dat de visschen evengoed u als mij toebehooren, toch maak ik nu gebruik van mijn meerdere kracht om opnieuw in het bezit er van te komen, wat, zooals gijzelf zegt, zeer natuurlijk is.—Jakob, pak die visschen op.”
“Met uw verlof.” viel Jack hem in de rede, “laten we dat eerst eens beredeneeren.”—
“Volstrekt niet; ik zal handelen volgens uw eigen stelregels—de visschen heb ik, maar ik verlang nog meer—die hengelroe is evengoed van mij als van u, en daar ik de sterkste ben eigen ik ze mij toe. Jakob, Willem, neem die hengelroe,—ze behoort ons.”
“U zult me toch eerst wel de opmerking veroorloven,” hernam Jack, “dat, al heb ik mijn meening te kennen gegeven, dat de aarde en de daarop levende dieren voor ons allen geschapen zijn, ik toch volstrekt niet beweerd heb, dat niet wat iemand zelf vervaardigt, zijn deugdelijk eigendom is.”
“Met uw verlof; de boom, waarvan gij die hengelroe gesneden hebt, was voor ons allen bestemd, en als gij goed gevonden hebt er een hengelroe van te maken, kan ik dat evenmin helpen als dat Bladzijde 23ik de visschen gevoed heb in de ondersteling dat ze mij toebehoorden. Daar alles gemeengoed is en het niet meer dan natuurlijk is dat de sterke van zijn kracht gebruik maakt tegenover den zwakke, moet ik me die hengelroe toeëigenen, tot ze me weer door een sterkere afhandig wordt gemaakt. Bovendien zal ik als de sterkere partij en als bezitter van dit land, dat volgens u niet meer aan mij dan aan u behoort, mijn opzichters last geven u van mijn grondgebied te verwijderen. Jakob, neem die hengelroe en zet meneer Rustig eventjes over de heining. Dag, meneer Rustig, goedenmorgen?”
“Meneer, ik vraag u wel verschooning, maar gij hebt al mijn bewijsgronden nog niet aangehoord,” begon Jack weer, die het volstrekt niet eens was met de gemaakte gevolgtrekkingen.
“Ik heb geen tijd om nog langer naar u te luisteren, meneer Rustig; goedenmorgen.” En de eigenaar vertrok en liet Jack in gezelschap van de twee opzichters achter.
“Ik zal je moeten lastig vallen om die hengelroe, heerschap, zei Willem. Jakob was intusschen druk bezig met de visschen een eind bies onder de kiewen door te halen.
“In elk geval zult gij toch naar rede hooren,” zei Jack. “Ik kan u bewijzen....”
“Nog nooit heb ik een goed bewijs gehoord, dat het stroopen geoorloofd is,” viel de opzichter hem in de rede.
“Je bent een onbeschaamde vlerk,” antwoordde Jack. “Door zulk slag van volk als jullie te betalen, zijn sommige menschen in staat allerlei ongerechtigheid te bedrijven.”
“Door ons te betalen weert men de stroopers—en al is er verschooning te vinden voor een armen drommel zonder werk, voor jou, die nog wel een heer wilt wezen, stellig niet.”
“Als we op zijn eigen praatjes afgaan, is hij geen steek meer dan wij.”
“Zwijg, kerel, ik zal me niet vernederen tegen jou te redeneeren; als ik dat wou, kon ik je gemakkelijk bewijzen, dat jullie een paar laaghartige slaven bent, die evenveel recht hebt op dit landgoed als je meester of ik.”
“Als jij, dat wil ik waarachtig wel gelooven.”
“Ja, als ik, vlegel; deze vijver en de visschen er in behooren evengoed aan mij als aan je meester, die ze zich wederrechtelijk beeft toegeëigend.”
“Wel, Jacob, wat zou je er van denken, als we dien jongenheer eens in het bezit stelden van zijn eigendom?” zei Willem met een knipoogje tot zijn kameraad.
Willem begreep den wenk en eensklaps werd Jack bij armen en beenen opgegrepen en in den vijver gesmeten. Na een flinke onderdompeling Bladzijde 24kwam hij weer boven en wist al snuivend en proestend weer naar den kant te scharrelen.
Intusschen verwijderden zich de opzichters onder luid gelach over de poets, die zij onzen held gespeeld hadden. Hengelroe, visch en blikken pierenbak namen ze mee.
“Er moet toch zeker,” dacht Jack, “aan die wijsbegeerte van vader iets niet in den haak zijn, of anders is de wereld al erg verdorven. Ik zal er eens met hem over spreken.”
Het antwoord, dat Jack op zijn vraag kreeg, luidde aldus:
“Ik heb je vroeger al eens gezegd, dat de groote waarheden nog niet genoeg ingang hebben gevonden; maar daaruit volgt volstrekt niet dat ze minder deugdelijk zijn. We leven in de ijzeren eeuw, waarin macht voor recht wordt gehouden, maar er zal een tijd komen dat mijne stellingen worden erkend, en dan zal je vaders naam beroemder worden dan die van eenig wijsgeer der oudheid. Denk er om, Jack, al heb je bij de bestrijding van het verkeerde en het verdedigen der rechten van den mensch nog zooveel te lijden, toch moet je volharden in je plicht, en nooit het pleit gewonnen geven.”
“Dat nooit,” antwoordde Jack; “maar als ik weer eens aan ’t betoogen ga, zal ik zien de macht op mijn zijde te krijgen en liefst een plek uitzoeken, wat minder dicht bij een vijver.”
“Mij dunkt toch,” zei mevrouw Rustig, die stil toegeluisterd had, “dat Jack maar liever in de rivier moest gaan visschen; al vangt hij er weinig, in elk geval zal hij dan niet in het water geworpen worden en op die manier zijn kleeren bederven.”
Maar mevrouw Rustig was geen wijsgeer.

Jack bespeurde het gevaar dat hem dreigde.
Eenige dagen later kreeg Jack op een mooien morgen aan den anderen kant van een heining, een appelboom met verlokkende vruchten in het oog. Onmiddelijk kroop hij door de heining, klom in den boom, zocht de lekkerste appels uit en ging zitten eten.
“Heila mannetje, wat doe je daar?” riep een barsche stem.
Jack keek naar omlaag en zag beneden een stevigen boer staan.
“Wat ik hier doe, kunt ge, dunkt me, wel zien,” antwoordde Jack; “ik ben aan ’t appels eten—zal ik er u ook een paar toegooien?”
“Dank je vriendelijk, hoe minder er afgeplukt worden hoe beter, maar denk je soms, dat ze jou toebehooren, dat je er zoo vrijgevig mee bent?”
“Ze behooren mij evengoed als u, waarde vriend.”
“Dat zul je toch wel mis hebben, ventje; die appels zijn van mij, en ik raad je om maar drommels gauw uit den boom te komen. Bladzijde 25Als je beneden, bent kunnen we er verder over praten, en je zult dan ruimschoots je deel hebben, voegde hij er bij met een veelbelovende beweging van zijn dikken stok.”
Dit deed Jack niet veel goeds verwachten.
“Mijn beste man,” zei hij, “’t is bepaald een vooroordeel van u, te meenen dat appels niet, evengoed als ander fruit, ten nutte van ons allen gegeven zijn—ze zijn algemeen eigendom, geloof me toch.”
Dat mag jij misschien meenen, kereltje, maar ik denk er heel anders over. Ik heb er al lang op geloerd, wie toch mijn appels stal, en nu ik een van de dieven gesnapt heb, zal hij er niet zonder een behoorlijke kastijding afkomen. Er uit dus, jou kleine rakker, en gauw wat ook, of anders zal ’t slecht met je afloopen.”
“Dank u wel,” zei Jack, “ik zit hier heel best. Maar, als u ’t goed vindt, wil ik gaarne het geval met u nader beredeneeren.”
“Daar heb ik geen tijd voor; ik heb nog heel wat te doen, maar je hoeft niet te denken, dat ik je zal laten ontsnappen. Heb je geen lust om naar beneden te komen, welnu, dan blijf je maar stilletjes boven, maar ik verzeker je, dat ik je na afloop van mijn werk hier nog goed en wel vinden zal.”
“Wat aan te vangen met iemand die naar geen redeneering wil luisteren?” dacht Jack. “Wat een verdorven wereld toch! Maar dat weet ik wel, als hij terugkomt, zal hij me hier niet vinden.”
Daarin vergiste Jack zich echter. De boer deed een paar stappen naar de heining, riep een jongen wat toe en deze ijlde naar de hofstede. Eenige oogenblikken later zag men een groote bulhond door den boomgaard heen op zijn meester losstuiven. “Pas op, Caesar,” zei de boer tot de hond, “pas op!” De hond vleide zich neer op het gras, gluurde met opgeheven kop onafgewend naar Jack en liet daarbij een paar rijen tanden zien, die onzen held voor het oogenblik al zijn wijsgeerige denkbeelden deden vergeten.
“Al kan ik niet wachten, Caesar wel, en ik verzeker je in gemoede dat er geen stuk van je heel blijft, als hij je bij de kladden krijgt. Als ik met mijn werk klaar ben, kom ik terug.” Dit zeggende verwijderde zich den boer en liet het aan Jack en aan den hond over om de kwestie uit te maken, als ze er lust in hadden.
Na een poos liet de hond zijn kop zakken en sloot de oogen, alsof hij sliep, maar niet zoodra bewoog Jack zich even, of een er van werd een weinig geopend. Jack vond het dus maar geraden om te blijven waar hij was. Hij plukte nog een paar appels, want ’t was tijd voor het middagmaal, en begon al etende te overpeinzen.
Nog niet lang was hij daarmee bezig, toen hij gestoord werd Bladzijde 26door een stier, die al brullende den boomgaard doorrende en op het gezicht van Caesar den kop naar omlaag boog. Caesar vloog overeind en vatte den stier in het oog, die met zijn staart in de lucht op hem losstoof. Vlakbij gekomen deed de stier een aanval op den hond; maar deze ontweek den stoot en vloog op zijn beurt op zijn tegenstander aan. Deze schermutseling duurde voort, tot de vechtende partijen een heel eind van den appelboom verwijderd waren geraakt. Jack dacht nu zijn kans waar te nemen om te ontsnappen, maar ongelukkig werd het gevecht juist gevoerd aan dien kant van den boomgaard waar de heining was, die Jack weer over moest. Dat hindert niet, dacht onze held, dan neem ik den anderen kant maar, al moet ik dicht langs den boerenwoning, er valt nu eenmaal niet te kiezen. Terwijl Jack zich uit den boom liet zakken, hoorde hij opeens een vervaarlijk gebrul; de hond was door den stier op de horens genomen en in de lucht geslingerd, en Jack zag hem aan den overkant der heining neersmakken; het gebrul was de zegekreet van den overwinnaar. Toen Jack nu bemerkte dat hij van zijn bewaker verlost was liet hij zich in een wip verder naar omlaag glijden en zette het op een loopen. Ongelukkig kreeg de stier hem in het oog en stoof in den zwijmel der overwinning met een vernieuwd gebrul onzen vriend achterna. Jack bespeurde het gevaar dat hem dreigde, en de angst gaf hem vleugelen; hij vloog niet alleen door den boomgaard, maar ook over de heining, die bijna vijf voet hoog was en wel juist toen de stier er met zijn kop tegenaan rende. Kijk waar je loopt, leert een oud spreekwoord. Als Jack daarna gehandeld had, zou hij ’t er beter afgebracht hebben; maar nu er in dit geval nog al eenige verschooning voor hem kan ingebracht worden, zullen we enkel maar zeggen, dat hij zich aan den anderen kant van de heining in een kleinen bijenstal beland zag. Twee korven had hij in zijn vaart omgeworpen en eer hij goed en wel weer op de been was, waren de verontwaardigde bijen al druk bezig hem van alle kanten te steken. Het eenige wat Jack doen kon was weer aan den haal gaan, maar de bijen vlogen sneller dan hij loopen kon en de arme jongen was dol van de pijn, toen hij half verblind struikelde over het steenen ringmuurtje van een put. Zijn val in den put kon Jack niet stuiten, maar hij greep de ijzeren ketting, die hem in het gezicht sloeg. Het windas liep af—en daar ging ’t met de grootste snelheid naar beneden. Na een daling van een voet of veertig zat hij geheel onder water en had nu geen last meer van de bijen. Jack werkte zich aan den ketting, die geheel afgeloopen was weer wat omhoog en voelde nu iets tegen zijn beenen slingeren. Het was de emmer, die Bladzijde 27ongeveer twee voet onder water zat; Jack zette er zijn beenen in en voelde zich nu vrij behaaglijk; want na de steken der bijen en de verhitting van zijn wedloop met den stier, bracht het water hem een heerlijke verfrissching aan.
“In elk geval,” dacht Jack, “als de stier er niet geweest was, zou de hond op me zijn blijven passen en had ik later een pak ransel gekregen van den boer; maar aan den anderen kant zou ik, als de stier er niet geweest was, niet onder de bijen terecht zijn gekomen, en als de bijen er niet geweest waren, zou ik niet in den put getuimeld zijn; en als die ketting er niet geweest was, zou ik verdronken zijn. Wat een reeks van gebeurtenissen, enkel omdat ik lust had een appeltje te eten!”
“Hoe het zij, van den boer, den hond, den stier en de bijen ben ik af; maar hoe kom ik nu hier uit dezen put? Het schijnt wel, of de geheele schepping tegen de rechten van de mensch heeft samengespannen. Zooals mijn vader zegt, leven we in een ijzeren eeuw en hier hang ik nu te bengelen aan een ijzeren ketting.”