TWINTIGSTE BRIEF.
Reading edition
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
Lieve Kind!
Myn Boekhouder, de oude goede Peterszen, zal u het geld brengen, dat ik u toeschik: de Wissel bedraagt duizend Guldens. Koop er al van wat gy nodig hebt, om in ordentelyke gezelschappen te gaan. Maak drie Sacken, of hoe hieten die Samaartjes[1], zo als uwe Moeder en Grootmoeder droegen. Koop alles wat er by hoort, maar niet opzichtig, of wilt; nu ik vertrouw alles goeds van u. En doet nu niets aan je lyf, dat je niet kunt blyven dragen: dit zou u al zo gek staan, als die klungels die Tante u aan deedt. Gy moet het eerste half jaar in voorraad betalen; ik wil geen verplichting op dit stuk. Leg het wel aan, en als ik u zie, toon my dan eens hoe gy 't besteet hebt. Hoor meid, zo je 't wel aanlegt, heb jy gelds genoeg; zoo niet, dan is 't gaauw op.
Ik heb zakken met klagten over u, in eenen zotten Brief van je Tante. Doe jy maar wél, en ik zal u altoos voorstaan. Ik had gemeent t'huis te komen, maar 't zal nog vooreerst niet lukken. Luistert toch altyd naar de brave en wyze Juffrouw Willis, als of het uwe moeder waar; meer eisch ik niet van u. Ga je wel in de Kerk, Kind? Dat moet je voor al en voor al doen. Daar zit ik nou weer in een Paaps land, daar hoor je van God, noch zyn gebod, wil ik spreken; en zo ik myn tyd niet wel had waargenomen, hoe zou 't nu gaan met my? Als ik t'huis kom, zal ik je alle Zondag afhalen om ter kerk te gaan, want ik ben nog zo een oud Hollands man; en je zou niet geloven, Kind, hoe fraai de meisjes zyn, als zy daar, gelyk zo een rei wassepoppetjes, wel gekapt en gekleet, aandagtig zitten toe te luisteren wat de Leeraar zegt. Ik versta weinig Fransch, maar als je evel toch altemet eens naar de Fransche Kerk wilt, dan zal ik, uit pure inschikkelykheid, met je gaan, en denken: zy onderhoudt er haar Fransch door; en voor my is de penitentie kort, want die Coquette Abbeetjes maken het in een uur knaphandig af.
Zeg eens, Saar lief, staat er ergens in den Bybel van een teken des Beestes? zy past dat toe op de menschen daar ik nu by ben. Ik heb de vier Evangelien al eens doorgelopen, doch vind er niks van[2]. Doch dat Fyne volk vindt zo veel in Gods woord, dat er geen Christen mensch anders in kan vinden. Jy hebt niet veel anders te doen, lees zo lang tot je het vindt; maar 't zal weer op niets uitkomen. Evenwel staat het in den Bybel, dan spyt het my, Kind, dat ik het niet wist: want ik ben een dood vyand van spotten. Och Heer! ik dagt dat zy choqueerde[3] op de Kapsels. Zo ik iets op u vermag, bederf uw schoon bruin hair niet ten plaisiere van eene ongevallige mode: anders moei ik my er niet mee. Nu, zoek er eens ter deeg naar, hoor? En schryf my of gy 't wel hebt. Vrees God, leef betaamlyk, en denk dat je daar twee Ouders in den Hemel hebt, die u ter zyner tyd hopen weer te zien.
Nagt beste Kind, ik ben
Uw toegenegene Voogd,
ABRAHAM BLANKAART.
Noten:
[1] Ruime japon met overkleed. [2] Openbaringen. [3] Hier: afgaf op.
EEN EN TWINTIGSTE BRIEF.—Sara stelt Blankaart gerust; ze is niet verkwistend, dankt voor 't geld, vraagt een paar japonnetjes; Jacob Brunier—Aletta's broer—vindt ze een meisjesgek; Willem Willis beschouwt ze als haar broer, diens moeder acht ze hoog; ze verlangt naar Blankaart.
TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF.—Aan Anna Willis vertelt Sara, hoe ze zich in de bullen steekt, nogal weidsch! Ze ombert om 'n stuiver 't fiche! wat ze niet véél vindt. Ze heeft 't best naar haar zin: Jacob Brunier bevalt haar niet: te fatterig.
DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF.—Anna antwoordt: ik maak me ongerust! Die Brunier vrijt naar je, en dat zou niets zijn, als hij maar wat beteekende. Spelen? Ook Anna speelt, maar Saar maakt het te bont! Ze zal ziek worden, vermaak-ziek. Pas op, Saar!