HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF.
Reading edition
DE HEER CORNELIS EDELING AAN MEJUFFROUW ADRIANA NYVERHART.
Myn allerkostelykste kostelykheid!
De knoop is gelukkig gelegt: ik ben eens even t'huis gekomen, om te zien, of er ook een Brief van uwe Majesteit, Adriana de Eerste, was. Neen, geen Brief. Nu, dat's weêr een schreefje op den kerfstok! Ik ga zo vliegent weer naar 't huis van Mevrouw Buigzaam.
ô Waarom, myne Jaantje, hebt gy gisteren niet by ons geweest? Niets ontbrak er aan myn geluk dan uw byzyn! Ik geloof niet, dat men met meerder betaamlykheid, met meerder blydschap, een Party als die van gisteren zoude kunnen uitdenken en uitvoeren. Alles was naar de onmerkbare Ordonnantie van Mevrouw Buigzaam; kon het dan anders zyn? Myn Broeder, weet gy, is een regt schoon man, en zyne Bruid, (of nu jonge Vrouw,) eene Bevalligheid, die nog meer bekoort dan het schone zelf. Niemand van ons was eigenlyk opgeschikt: alles was négligé. Wy geleken net één Huisgezin. Hendrik was geheel liefde, geheel vreugd: De Bruid minder levent dan anders, en men zag, dat zy alleen uit beleeftheid mede sprak. De voor-avond werdt musicerent gesleten. De Eerwaarde Smit was geen der minste spelers: maar Mevrouw Buigzaam wordt niet geëvenaart, ook niet van de jonge Vrouw, en die speelt, zo als de Heer Blankaart zegt, evenwel "Kapitaal." De eetzaal was gereet gemaakt, om ons Soupée te houden: het overtrof nog het Verjarings Collation. De Heer Blankaart's knegt, die van Vader, en die der Weduwe dienden. Men had voor hun wel degelyk gezorgt, en Blankaart hadt de oude kindermeid van de Bruid ook verzogt, om meê in de vreugd te delen. (Van die nog een woord.)
De twee Weduwen werden door de twee oude Heren op hare plaatzen geleidt; en zo dra de Getrouwden gezeten waren, voegden wy ons er by. Op het dessert heb ik my ook gewroken; doch zy hebben my, door hun verdriet te verbergen onder een vriendelyken lach, deerlyk te leur gestelt. Ik zal het Vod[1] zelf hier in sluiten. 't Zal u mooglyk tot een zoet rustmiddeltje dienen; en gevolglyk nog ergens goed voor zyn.
Toen men vervolgens zat te praten over die kostelyke niet met allen, die onder goede vrienden zo aangenaam zyn, zei myn Vader: "Kom een glaasje van gelukwensching. Welkom, vervolgde hy, met een zeer ernstig vriendlyk gelaat, daar zyn eerlyk hart in uitscheen: Welkom, lieve Dochter, in myne Familie. Nooit moet gy u den dag beklagen, die u in dezelve brengt; ik althans zal een goed Vader omtrent u zyn: gy zyt het waardig. Geluk, myn Zoon, met uwe Vrouw; wees een zo goed Man, als gy een Zoon, een Broeder, een Meester waart, en gy zult uwe Vrouw dierbaar blyven. En gy, Cornelis, (tegen my,) geluk, jongen, met uwe Zuster; als gy trouwt, zal ik even zeer in myn schik zyn als nu: gy zyt beide myne Kinderen. Myn Heer Blankaart, geluk met deeze verbintenis! dat wy beide nog lang getuigen zyn van dat heil, dat myn Vaderlyk hart van den Almagtigen God afsmeekt." Hy kon niets meer zeggen, maar boog tegen het gehele gezelschap, en er vielen tranen langs zyne wangen. De Bruid stondt op, omhelsde hem; hy kuste haar; niemand sprak: allen droogden wy onze oogen af. Hendrik, (om wat afwendig te maken,) vroeg aan 't gezelschap, of men hem, toestondt, om de gewezen kindermeid der Bruid binnen te verzoeken? Niets liever! Daar op kreeg ik myn hoed en handschoenen, en marcheerde naar de Keuken, om het ouwe schaap, dat in haar beste Zondaagsche plunje was, en styf stond van de gouden ringen, in te leiden. "Aanstaande Zuster, zei ik, met myn hoed onder den arm, en Pieternelletje zeer eerbiedig aan de hand, daar heb ik myn Vryster, die gaarn de eer hadt, om by u haar compliment van felicitatie af te leggen." De Bruid trok haar stoel wat uit, en gaf de vrome eenvoudige Pieternel gelegenheid, om zich te laten bekyken. "Wel, God dank! zei ze, dat ouwe Pieternel haar jonge Juffrouws trouwdag nog beleven mogt. Heden, Juffrouw, je bent krek alleens als je lieve Moeder, toen die trouwde. Niet waar, myn Heer Blankaart? En toen myn Heer Blankaart even zo klugtig als deeze myn Heer. Nu, myn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten zegen; och, myn Heer Edeling, je krygt zulk een lief meisje; ze het ouwe Pieternel nooit een onvertogen woord gegeven, 't was een lief hartje van een kind, en ik was ook zo mal met haar, dat, als zy tandjes kreeg, of zo, ik my tot water huilde; niet waar, myn Heer Blankaart?" En toen gaf zy de Bruid en Bruigom een kusch, die klonk als een klok. De overige Bedienden werden binnen geschelt; de Heer Blankaart overend ryzende, nam een schoon tafelbord, waar op zes verzegelde kleine Pakjes lagen. "Hier, Kinderen, zei hy tegen de Bedienden, daar is voor u elk een gedagtenis van dit Huwlyk. Gelyke munniken, gelyke kappen: Abraham Blankaart kan, en wil ook wel, Goddank! wat missen." Hy gaf elk een pakje, en zy gingen in de keuken zich vrolyk maken. "Vrienden, zei de brave man: zie, ik ben, wil ik spreken, maar een oude Vryer, ik heb kind noch kraai; en God de Heer heeft my boven alle myne begeerte gezegent: Ik weet, 't is waar, niet wat het Vaderlyke hart is; maar dit lieve Bruidje is de waardige Dochter van een man, dien ik my ten vriend had uitgekozen; zy is onder myne oogen opgegroeit; duizendmaal zat zy op myn schoot met my te snappen, of haar Poppen te kleden; (want ik ben een regte kinder-gek!) zo dat ik maar zeggen wil, dat dit de gelukkigste dag van myn leven is; en dat ik nu niets meer van God te wenschen hebbe, dan dat ik en alle brave menschen gelukkig zyn." Onze Dominé besloot, op 't verzoek der oude Heren, dit Vrienden-maal met eene dankzegging, die ons de hoogste denkbeelden gaf van zyn Godvruchtig hart, en zyn menschlievenden aart. Den Eerwaardigen Jongeling rolden de tranen op de t'samen geslagen handen. Zyn stem was zielroerent, alles was diepe aandagt.
De Heer Blankaart luisterde my in 't oor, dat wy moesten dansen. Willem en ik haalden twee Fiolen: Een gaf ik aan myn Vader: "Jongen, zei hy, ik doe er niet meer aan! Ik vrees, dat het gebrekkig zyn zal." Evenwel, de vreugd, die zyn hart overstroomde, deedt hem die aannemen; ik presenteerde den Heer Smit ook een: die, zonder eenige kwalyk geplaatste excusen, zei: "ik zou dit fatsoenlyk gezelschap onëer aandoen, indien ik my onttrok, om het myne tot eene zo billyke vreugd te doen. Wy zyn onder de Roos." De Heer Blankaart haalde de Bruid op. Zy danste niet wel; niet zó wel, meen ik, als zy 't anders kan; en zy verzogt hem om geëxuseert te zyn. Toen moest Letje en Willem op de baan; beiden toonden, dagt my, dat zy elkander wilden behagen. Bruinier was onvermoeit, en gy weet, ik val ook niet heel vies van een cabriooltje. Eens haalde ik Mevrouw Buigzaam, en danste met haar een zeer statige Menuët; trouwens allen waren in den goeden smaak: Na een uur dus doorgebragt te hebben, verdwenen Mevrouw Buigzaam en het Bruidje. Hendrik bleef nog in de kamer, doch ik geloof, dat wy alleen zyne uitwendige tegenwoordigheid hadden: De beide oude Heren gaven hem de hand. De Weduwe kwam niet te rug, voor myn Broeder insgelyks weg was: de vreugd ging haren gang: ten drie uuren waren de Koetzen gereet: elk nam even vrolyk, minzaam en even vriendlyk afscheid en ging naar zyn eigen huis.
Vóór ik ga zien, of de Jonge Lieden al by de hand zyn, sluit ik deezen. Indien ik eenigszins kan, kom ik in 't laatst van deeze week; ik heb u wel honderd millioenen van zaken te zeggen; (nu, dat kun je wel denken;) 't is, of ik u in geen eeuw of twintig gezien heb. Myn vader is nu zo minzaam als altoos welmenent eerlyk: en nu durven wy hem beminnen. Blankaart doet u hartlyk groeten, en doen alle de Vrienden en Vriendinnen, en goede bekenden, en ik omhels u, met een hart stikkent vol liefde. Maak myn compliment aan uwe waarde Ouders, en aan de kleine Familie. Altoos ben ik
Uwe
C. EDELING.
Noot:
[1] Zijn "gedicht", niet veel zaaks.
[Illustratie: Nu, mijn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten zegen; och, min Heer Edeling, je krijgt zulk een lief meisje; illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave van 1782.]
HONDERD-EEN EN ZESTIGSTE BRIEF.—Saar en Hendrik zijn gelukkig!