← Table of contents
Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF.

Reading edition

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW MARIA BUIGZAAM, WEDUWE

P. SPILGOED.

Mevrouw!

Ik geloof waarlyk, dat het inkomen van alle myne uitstaande gelden my niet half zo veel zou verblyden, dan ik verblyd ben door den inhoud uws Briefs, dien gy my de eere aandeedt van te schryven. Hoe, wat! is de lieve meid dan myn lieveling niet? Is zy de dochter niet van eenen man, die myn eenigste hart-vriend was? Dat zou ik geloven, waaragtig! Hoor, myne goede dame, alles is strikt waarheid, wat of de kleuter u verhaalt heeft. Maar, haal my de Boze, indien ik aan zo eene Vrouw een knappen Brief kan schryven: doe al wat u behaagt; och Heer, het geld is goed, wil ik spreken; maar ik zal eene fatsoenlyke vrouw nooit kwellen. Wat denkt gy, Mevrouw, kan ik met u kibbelen om een honderd guldens drie vier, nu myn kind in zulke goede handen is? Ja, zie, ik heb wat ongerustheid voor haar uitgestaan, toen zy nog by hare Tante was; en voor ik wist, waar of zy toch belant mogt zyn. Want, hier gezeit, en hier gebleven, het kon immers gebeurt zyn, dat het stout Dingetje in slegte handen was gevallen, en zo al wyders, gelyk de waarheid is.

Wilt gy wel geloven, Mevrouw, dat uw brief my een traan of vier gekost heeft? 't Is echter zo. Wel lieve God, zei ik, zyn de beste vrouwen dan meest altoos in de onwaardigste handen? Dat is toch ellendig! En daar zit Abraham Blankaart nog in zyn vyftigste jaar, als een niets beduident oud Vryer; en ik had zo hemels vast besloten, om met myn vyf-en-twintig jaar man en vader te zyn. Wat zal men zeggen? die eerst komt die eerst maalt; en een weinig te laat is veel te laat. Ja, Mevrouw, ik heb den Heer Pieter Spilgoed wel gekent, maar nooit met hem verkeert. Hy hadt my te veel wilt hair op 't hoofd; en als de jonge lui getrouwt zyn, moeten zy dat laten afscheeren, of de Boel zit op zy. Ik wist wel, dat hy eene fatsoenlyke Geldersche dame getrouwt hadt, doch meer niet; en ik bemoei my bykans nooit met de zaken van een ander: Ik zeg altoos: "Abraham Blankaart, vrees God, en doe wel; dat is jou zaak, myn vriend."

Alles wat gy van Saartje zegt, is, zo veel ik daar over kan oordeelen, wáár. Wees toch zo goed en hou een wakent oog over haar; wy mans hebben daar zo den slag niet van. Indien er iets mogt voorvallen, 't geen u nodig schynt my te doen weten, zo verzoek ik ernstig om my met uwe Brieven te verëeren. Ik weet heel wel, dat er geene beloning zyn kan, die geëvenredigt is aan uwe zorg en raadgevingen voor en aan een Meisje als myn Sarotje; evenwel zal het myn pligt zyn, om uwe edelmoedige deelneming in haar op eene waardige wys te gedenken. Kan ik u van dienst zyn, 't zy door myn persoon, of myn beurs? Ik ken geen groter geluk dan waardige Vrouwen myne achting te kunnen bewyzen. Ik ben met eerbied,

MEVROUW! Uw Ootmoedige Dienaar,

ABRAHAM BLANKAART.

DERTIGSTE BRIEF.—Hendrik Edeling vertelt zijn broer Cornelis, hoe hij Sara heeft leeren kennen; hij is dol verliefd. Zoo terloops sprak hij er met z'n vader over en die had gehoord, dat Saar een dolle meid was, die losjes leefde, wat hem speet, want haar vader was achtenswaardig. Wil er niet van hooren en Hendrik is zeer braaf.

EEN EN DERTIGSTE BRIEF.—Jacob Brunier schrijft een fatterig verliefd briefje aan Sara, waarop zij onmiddellijk antwoordt.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings