← Table of contents
Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

HONDERD-AGTSTE BRIEF.

Reading edition

DE HEER JAN EDELING AAN DEN EERWAARDIGEN HEER EVERART REDELYK.

Waarde Broeder!

Wat zegt gy nu, mon bon Pasteur, van uw lieven Neef Hendrik? dien je immers, met je eigen handen, zelf, in myn huis, gedoopt hebt; die, had ik hem in myne zaken kunnen missen, volgens uw raad en zyn begeerte, tot Predikant zoude gestudeert hebben; die wil nu met drommels geweld trouwen met een wilde meid buiten onze Kerk; met een Gereformeert Nufje. Nu, daar moest hy maar eens om komen! Verbruit, Pastoor, ik heb het zo Satans op hairen en snaren gezet; want, nu myn lieve vrouw dood en weg is, regeer ik als Koning. Uw Zuster was de beste vrouw van de waereld: doch te mal met de Jongens. Luter zelf zou niet meer uitgevaren zyn in zo een geval als ik. Ja! fluiten! Daar hebje nu de boel over de reê, en hy geeft voor, dat ik hem ongelukkig zal maken, indien hy haar niet krygt; met nog eene hele turfmand vol zulk geziegezaag, daar de jongens zo veel meê ophebben.

Ziet gy, Pastoor, ik zou myn hoofd daar niet meê breken, maar Hein ziet er gansch ongedaan uit: hy kan niet tegen moeite; (ja, ik heb al rare jongens ook!) Neen: nooit laat ik dat toe. Maar den jongen evenwel zo maar te laten sterven, dat wil ook niet. Hy is zó bedreven in onze affaire, dat ik gerust myn flesje kan drinken, myn pyp roken, myn kolfje slaan, zonder dat er iets verzuimt wordt. Zo dat, dit kan ik ook nog al niet voor God verantwoorden. Ik heb ook een Brief geschreven aan haren Voogd; niet twyfelende of hy die zo styf Grotekerks is, als ik oud rechtzinnig Luters ben, zou even eens denken als ik op dit stuk. Maar zie daar! daar kryg ik zo een antwoord. De drommel mogt met hem redeneren, en ook ik versta zyn Brief niet genoeg. Het komt my vóór, dat hy al vry grappig over 't Geloof denkt, en het zou veranderen, even als hy zyn rok veranderde, indien hy meende, dat eens anders geloof beter was. Hy spreekt net als uw lieve Neef van Broederschap. 'k Zeg Broederschap! Het zit er op met dat Broederschap, als verguldzel op een duits[1] balletje. Men hoeft maar eens op hoogtyden, en zo, in de Kerken te gaan; daar zeg jelui Eerwaardens malkander hele Broederlyke dingetjes. Nu, dat mag ik wel horen: de Kerk is er voor, om het Geloof vast te houden. Elk moet zyn winkel voorstaan; dat is niet anders.

Hoor, Pastoor, ik ben Luters, en dat, wil ik, zullen myn jongens ook zyn, of 't zal er vreeslyk houden. En die Bram is nog al heel wys met zyn Meisje! Ik zou nog, met myn beste pruik op, en den nieuwen zwarten rok aan, heel beleeft moeten vragen, of ik de eer mogt hebben … weg … weg!

Ik heb haar ook in een Herberg gezien, met nog twee wilde Knapen, en een andere Juffrouw. Hoor, ik zal 't nooit toestaan: ik wil geen vreemt goed in Luters erfdeel; dat's maar uit. Geef me nu raad: wat moet ik doen? Schryf my eens, Broêrtje, hoe u dit klugtje van Heintje bevalt? Groet de Pastoorse, die my ook altyd ligt te katechiseren: ja, ik ben maar te goed.

Blyve met grote achting,

Uw Eerwaardes

Dienaar, Vriend, en Broeder,

JAN EDELING.

Noot:

[1] Van een duit waarde.

HONDERD-NEGENDE BRIEF.—Everart Redelijk antwoordt: hij is het heelemaal met Blankaart eens en vindt de handelwijze van zijn zwager dwaas.

HONDERD-TIENDE BRIEF.—Broeder Benjamin aan Cornelia Slimpslamp: Suzanna weifelt; ach Heere, help! Wij moeten ze voor ons houden. Laat Cornelia haar vergeving vragen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings