← Table of contents
Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

HONDERD-ACHT EN TWINTIGSTE BRIEF.

Reading edition

MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.

Vriendinne Hofland!

Ik weet nog niet, of ik my over uw geval bedroeven of verblyden moet: maar ik ben zeer neêrslagtig, als ik zie, dat er zulke goddeloze menschen in de Waereld zyn, die, onder den dekmantel der Godzaligheid, erger doen dan zy, die niet leven onder de indrukken van Dood en Eeuwigheid. Gy zyt dan het slagtoffer hunner geveinstheid en godloosheid! Wat zal ik zeggen! De wegen des Heren zyn onnaarspeurbaar, en de middelen, die hy aanwendt, om verdoolde schapen tot de regte Kooi weêr te brengen, aanbiddelyk. Ik verheug my, dat de Here u zo lief heeft, dat hy u juist ontneemt, daar gy uw hart op gestelt hebt, en waardoor gy altoos in 't goede te rug gehouden wierdt. Ik heb u lang met meêlyden beschouwt, om dat ik zulk schuim van Oefningsvolkje kende.—Ik weet, dat men daar, met oogen vol overspel, en een hart vol boosheid, een vrybrief naar den Hemel krygt; en ik ben in lang voor een openbaar zondig mensch zo bang niet, als voor zulk soort. Wel, zo de Apostel Petrus eens in uwe Oeffening gekomen was, dan zou hy tegen Benjamin ook gezeit hebben: ô! gy kind der Helle, vol van alle bedrog en godloosheid, zo als hy tegen Simon den Tovenaar zei.

Ik heb u, daar ik God nog voor dank, gewaarschuwt. Wat zou ik my anders nu bezwaart gevoelen! Maar gy zaagt my aan voor hunne Vyandinne, en ik vond geen ingang tot uw verbystert hart. De Here zelf moest u uwe zonden voor oogen stellen. Gy waart gierig, onrechtvaardig, boosaartig, nydig; gy deedt uw eige Zusters Dochtertje te kort. De gierigheid zou u voor altoos bedorven hebben; want gy waart gerust in uwe ongerechtigheden; men maakte u wys, dat dit uwe Koningszonde was; dat gy zo iets moest hebben, om u laagjes te houden; zo een Engel Satanas, die u sloeg. Hoe meer gy afweekt van het kenmerk eens waren discipels des Heren, hoe meer men u wys maakte, dat gy by Jezus waart.

Om u tot bekering te brengen, ontneemt de Here u dat goed, en wel door uwe geveinsde Vrienden. Gy hadt met Gods oude Volk twee ongerechtigheden begaan. Hem, den Springader des levendigen Waters, hadt gy verlaten, en u zelf gebroken Bakken uitgehouwen, die geen water en houden. Is u de Bekeering ernst, wel zie daar, ik geef u een zeer goed Toetssteentje. Kunt gy Gode hartelyk danken, om dat hy u dat aangebeden geld ontnomen heeft? Kunt gy u in Gode verblyden, om dat gy uit zulk een geestlyk Sodom geret zyt? Kunt gy besluiten, om aan uwe Nicht schuld te bekennen, haar al het hare te geven? Kunt gy den Heer Blankaart om vergeving bidden; om dat gy zyn Voogd-Kind als gedwongen hebt, om, in hare jonge jaren, de ruime Waereld in te gaan? Ik vraag u niet, of gy uit waar berouw u voor den Here kunt vernederen; als gy het eerste doet, zal dat wel volgen; en kunt gy tot het eerste niet komen, het laatste zal u weinig helpen. Ja, Vriendinne, het zal danig op den ouden mensch der zonde aankomen. Maar dit is de ware zelfsverlochening. Dit is de Evangelische Leer. Dit is het Innig Christendom. Buiten dit is alles ydelheid; dan hebt gy geen Godsdienst. Doet gy dit al? dan zult gy vreugde en rust hebben, en gy zult den Here danken, om dat hy u uwen afgod ontnomen heeft. Gy zult zien, dat uw verlies tot winst wordt.

Laat Bregt gaan, zo gy kunt; zy voegt beter by de Benjamins en Slimpslamps, dan by u. Ik zal u een goed mensch bezorgen, om uw werk te doen, tot dat wy weten wat en hoe. Vervolg de boze Huichelaars niet; 't is geld vergeefsch uitgeven, en u zelf tot bespotting maken.—Als ik weet, of gy mynen raad goedkeurt en opvolgt, zal ik verder met u spreken. Beproef u aan het Heilig woord, en laat my eens weten, hoe gy gezint zyt; want daar van zal myn gemoedshandel met u afhangen. Beproef ook, of myn raad uit God is. Altyd gedenk ik u in myne gebeden, want ik ben in waarheid

Uwe Vriendinne,

STYNTJE DOORZICHT.

HONDERD-NEGEN EN TWINTIGSTE BRIEF.—Arnold Helmers, Aletta's vroegere weldoener, schrijft haar: neem neef Pieter, is zeer geschikt voor je.

HONDERD-DERTIGSTE BRIEF.—Zuzanna Hofland komt tot de lektuur van Thomas à Kempis: Imitatio Christi. Brecht is in een bierkroeg verzeild.

HONDERD-EEN EN DERTIGSTE BRIEF.—Hendrik heeft Sara gesproken; zeer zwak, maar beterend.

HONDERD-TWEE EN DERTIGSTE BRIEF.—Aletta aan Helmers; ze kent Pieter heelemaal niet! maar haar hart is vrij, misschien….

HONDERD-DRIE EN DERTIGSTE BRIEF.—Stijntje Doorzicht héél wijs en vroom aan Zuzanna Hofland: ze haat volk als Benjamin c.s.; van Sara heeft ze een lieven indruk.

HONDERD-VIER EN DERTIGSTE BRIEF.—Anna Willis bericht Sara de thuiskomst van Moeder en haar; ze zullen veel te praten hebben. Zij weet van de historie met R. niets. Zij zelf gaat binnenkort trouwen. Is Smit eenmaal ergens beroepen, dan blijft hij er; hij is gematigd, houdt niet van godsdiensttwist.

HONDERD-VIJF EN DERTIGSTE BRIEF.—Wed. Spilgoed aan H. Edeling; zij houdt den zieken Hendrik op de hoogte; Sara gevoelt zich H. nu vooral niet meer waardig, toch verlangt ze naar Hendrik, evenals naar Blankaart, die al op reis is huiswaarts.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings