← Table of contents
Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

HONDERD-TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF.

Reading edition

MEVROUW SARA EDELING AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.

Waarde Willis!

Weet gy wel, dat, zo ik maar iets den slag had van te kunnen grommen, dat ik dan braaf grommen zou op u? wat was er op te zeggen? elk zyn beurt, dat's niet te veel; en ook, kind, gy moogt ouder en wyzer zyn, zo veel als het u zelf maar blieft, doch ik ben zeker nu iets meer betekenent dan gy: ik ben eene getrouwde Vrouw. Foei! Naatje, niet op de Party geweest! Foei! Naatje, nog al uit blyven; en dat om dat de Eerwaarde Smit u, en uwe Moeder verzogt, om met hem naar zyne standplaats te gaan, ter verrigting van duizend dingen die geen uitstel lyden. Gy hebt er 't meest by verloren. Nu hebt gy myn Oom en Tante Redelyk niet gezien, noch Kapitein Herberts; nu weet gy niet, hoe Vader Edeling getracteert, hoe wy jonge Lieden allen gedanst hebben, en hoe of de oude Vrienden 't werkje aanzagen.

Toen ik nog zeer jong, en zeer bedroeft los was, kon ik Brunier (uw ouden Vriend,) verzoeken, om alle deze bagatelles voor my zeer keurigies uit te schryven, en denken, hy kan nu zo goed netjes breijen als 't behoeft; met schryven zal hy een vaste hand krygen; en kinderen moeten niet leeg zitten. Maar nu zyn al die flinken[1] over. Ik heb zo veel achting voor myn lieven man, dat ik iemand, dien hy zyn vriend noemt, met geen spotterny kan behandelen. Ik heb nu ook door Edeling een trek uit zyn karakter gehoort, waar aan ik het te danken heb, dat ik deezen waarden man leerde kennen.

Onze samenleving met den ouden Heer is recht aangenaam; Keesje is de vreugd van 't huis: ik wensch, dat hy ook maar, zo als myn Voogd zeit, een eigen weêrspraak hadt. Myn nieuwe Vader is de degelykste man uit Amsterdam; en nu dat zyne wonderlyke eenigzins grillige manieren, door de weltevredenheid, over de zagte Noten rollen, vind ik er iets veel meer Comiecqs dan lastigs in. Ik kan u zeggen, dat Dochter Edeling in de kas is by Vader Edeling: ja, dat hy my overlaadt met gunsten.—Een staaltje van zyne denkwyze:

Gisteren aan tafel zittende, zei hy: Ik ben boos op Blankaart.

Ik. Boos op myn Voogd; dat kan niet zyn: want gy, Vaderlief, zyt hier te redelyk, en hy veel te goedaartig toe: gy beeldt u dit maar in.

Hy. Hoe, denk je, dat ik door inbeeldingen geregeert worde? dat is al eene aartige zet!

Ik. Wy hebben allen onze luimen. Zoudt gy wel geloven, dat ik die ook heb? ô Ik kan zo luimig zyn, dat ik met my zelf wel kyven zou, als ik niemand by my heb.

Hy. Wel zo, dat ziet er voor u, Hendrik, niet al te voordelig uit! (Myn man lachte.)

Ik. Wel neen! tegen zulke lieve redelyke menschen draag ik my nooit als eene malloot, om dat ik te veel prys stel op hunne achting, met andren, daar ik méér meê gelyk sta, mik ik het zo naauw niet.

Hy. (Half knorrig, half goedschik.) Nu, ik ben evenwel boos op Blankaart.

Ik. (Hem potzig in de oogen kykende.) En om wat reden? of is Papa ook een beetje met luimen bezet, want myn Voogd is de beste man van de gehele waereld, myn man uitgezondert?

Hy. Wel! hy heeft u zo veel kostbaarheden gekogt, en op uw verjaring zulk een boel Juwelen gegeven, dat ik, nu het aan my toekomt, niet eens weet, wat of ik u zo eens geven zal; en ik ben evenwel uw Vader, je hebt alles dubbelt en dwars, en daar is nog zo een menigte goed van myn Vrouw ook. Hy maakt my recht verlegen: want ik zie niets, of je hebt het.

Ik. Ik ben niet heel hebzugtig: en met dit al, daar is iets dat gy my geven kunt; had ik dat!…

Hy. (My in de rede vallende.) Wat is dat toch? je zult het hebben, kind.

Ik. Een kinderlyk deel in uw Vaderlyk hart! zo ik dat hebben mag, dan vraag ik, of Amsterdam te koop is? (Ik stond op en kuschte hem.)

Hy. Loop, stout dingetje; is 't anders niet, och heden! ik meende, dat het heel wat byzonders was.

Ik. Dat is het ook, lieve Vader!

Hy. Nu, gy zyt een raar meisje, hoor; maar, (in zyne Brieventas schommelende,) zie daar is een Wissel op myn Cassier. Neem dit dan tot een bewys, dat gy my lief en waart zyt, en steek hem maar in uw Almanakje.

Hem inziende, zag ik, dat hy fl 6000 beliep. Ik bedankte met aandoening, en zei tegen myn man: daar, Edeling, neem dit van my aan. Ik heb niets nodig, en, als ik iets van doen heb, weet ik, dat gy my meer zult geven dan ik verzoek.

Vader schudde zyn hoofd. Ja, zei ik, myn man en ik hebben maar één belang, en dewyl hy veel meer verstand van geld heeft dan ik, dewyl ik nooit speel, en alles kan krygen, wat ik begeer, is het immers niet meer dan billyk, dat ik aan myn besten Vriend alles in bewaring geef?—Kom, zei hy, ik verpraat, met dat drommelsche Wyfje, weêr al myn tyd: kom, Hendrik, naar 't Kantoor.—Zy gingen weg, en ik had zo wat te schikken en te bergen, zo als eene Huishoudende Vrouw altoos wat heeft, Naatje. 't Was Postdag, ik was blyde, dat myn Voogd by my kwam Thee drinken. De Heren lieten zich in kommetjes de Thee brengen. Wy zaten als ouwe lui te snappen, en over byzondere zaken te keuvelen, toen myn beste Willem inkwam. Hy deedt ons eene openhartige biegt: "dat hy Letje beminde, en dat hy niets zo zeer wenschte, als eens in staat te zyn, om voor haar te zorgen, in dien rang, waar in zy gewoon was te leven: dat zyne Moeder zyne keuze goedkeurde, en dat hy hoopte eens weder bemint te zullen worden." Blankaart zei: "dat hy hem in alles raden en ook helpen zou, en met plaisier zag, dat zyn oogmerk dus verre gelukte." Beide bleven by ons eeten. Edeling hadt Brunier op de Beurs verzogt. Wy hadden een lieven avond. Beide de jongens waren vrolyk en vergenoegt. Myn man! och! die is al wat een vrouw zoude kunnen wenschen: ik vrees maar, dat hy al te goed op my zyn zal; ook dan, als ik 't eens minder verdien dan nu; en dan zal hy my ongelukkig maken; want hoe zou ik dit ooit aan my zelf vergeven kunnen?

Morgen gaan wy ons nieuwe huis in order brengen; het is digt by Mevrouw Buigzaam; dit maakt het voor my verkiesselyk; evenwel, het is een schoon huis: ik hoop er u wel haast in te zien. Oordeel eens, hoe druk ik het nu heb! hoe veel airs ik my geef, tegen alle die goede menschen, die my 't hunne brengen om alles te maken, comme il faut. Ik moet Letje volstrekt tot hulp hebben, of ik kom er niet door. Ik ben met achting,

Uwe liefhebbende Vriendin,

SARA EDELING,

geb. BURGERHART.

Noot:

[1] Hier: grappen, streken.

HONDERD-DRIE EN ZESTIGSTE BRIEF.—Saar verhaalt zelf van haar geluk.

HONDERD-VIER EN ZESTIGSTE BRIEF.—Anna Smit-Willis is eveneens heel tevreden. Willem kan Sara vergeten en Aletta vragen. "Alweer een gelukkig huwelijk!"

HONDERD-VIJF EN ZESTIGSTE BRIEF.—Hendrik vertelt van zijn geluk en betuigt andermaal zijn dank aan de Wed. Spilgoed.

HONDERD-ZES EN ZESTIGSTE BRIEF.—Wed. Willis aan Wed. Spilgoed: Anna is gelukkig getrouwd; Willem krijgt een som geld van Blankaart en gaat met Letta trouwen; de beide weduwen hopen samen gelukkig oud te worden.

HONDERD-ZEVEN EN ZESTIGSTE BRIEF.—Sara bericht, dat Hendrik doodziek is!—Gelukkig komt in den brief nog de crisis; maar ze heeft wat uitgestaan; ze hoopt nl. spoedig moeder te zijn.

HONDERD-ACHT EN ZESTIGSTE BRIEF.—Wed. Spilgoed vermaant Sara: denk aan je kind! wees bedaard, beheersch je, vorm je geen schrikbeelden, leef voorzichtig en verstandig!

HONDERD-NEGEN EN ZESTIGSTE BRIEF.—Aletta Brunier en Willem logeeren bij Helmers. Willem moet op reis voor zaken. Jammer.

HONDERD-ZEVENTIGSTE BRIEF.—Willem aan Aletta: hij heeft haar innig lief! Hij heeft Jacob gesproken bij Blankaart: deze neemt Jacob bij zich. Hij is ook bij Hendrik en Saar geweest. Hendrik is weer beter.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings