← Table of contents
Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

HONDERD-ZEVENDE BRIEF.

Reading edition

NAAMLOZE BRIEF AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.

Myn Heer!

Myne achting voor u, en de droevige gevolgen, die ik voorzie, doen my u het volgende schryven. Uwe Pupil gedraagt zich op eene wyze, die haar bespot, ja veracht, en u veel verdriet moet maken. Men ziet haar overal, en nu meest altoos met eenen Heer R.; een man van rang en grote goederen, maar ook een onzer eerste Ligtmissen. De Dame, daar zy, nevens nog drie Juffrouwen, logeert, ziet dit alles, en vindt echter (schynt het,) goed, om dit onvoorzigtig ligtvaardig meisje haren gang te laten gaan. Zy is niet ryk; en grootschheid beeft voor niets zo zeer dan voor armoede. Meer zeg ik niet. Hoef ik meer te zeggen? Uwe Pupil is ook zeer verkwistent in hare uitgaven; indien zy geene presenten aanneemt; dat ik niet weet. Zeker Heer loopt haar na; en ik geloof, dat zy dien man aanhoudt, om, ten behoorlyke tyde, hem (mooglyk) te trouwen; indien zyne oogen nog niet bytyds open gaan:—Doch zy heeft hem betovert;—zo doet zy elkëen.

Dit alles smart my! Ik beöog haar welzyn, en stelle u daarom in staat, om haar hier over, zo 't u goeddunkt, te onderhouden. Ik hoef u niet te zeggen, wie ik ben, en van welke Sex;—dit doet er niets toe:—zo gy wys zyt, doe uw voordeel met myn bericht; en zo gy er een goed gebruik van maakt, kan ik u meer melden. Intusschen ben ik met achting,

MIJN HEER!

Iemand, die 't wel met u meent.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings