HONDERD-ACHTTIENDE BRIEF.
Reading edition
DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING.
Myn Heer, hoogst ge-eerde vader!
De zaak, die my, volgens uwe altoos geëerde orders, hier zo vele dagen gehouden heeft, is naar uwen wensch volkomen afgedaan. Ik vleije my, dat gy genoegen zult nemen in den yver, dien ik heb aangewent, om het dermate te dirigeren, dat ik u rekenschap van alles doen kan.
Mag ik nogmaals de vryheid nemen, om te zeggen dat myne liefde voor Juffrouw Burgerhart gegront is op de braafheid van haar hart, en dat ik volmaakt ongelukkig zyn zal, indien zy de myne niet wordt? Wat men ook moge uitstrooijen, zy is, en verdient te zyn, het voorwerp myner hoogste achting; en zy deelt nimmer in andere vermaken, dan die betaamlyk zyn, noch verkeert met menschen, die, om een slegt karakter, behoorden vermyt te worden.
Gy weet, myn altoos geëerde Vader, met welk eene blymoedige onderwerping ik alle uwe bevelen heb gevolgt. Dit was een pligt, die de Natuur en de Godsdienst van my vorderden: Maar gy zyt Vader! gy zult my immers niet ongelukkig maken? zo deeze wensch myner ziel my geweigert wordt, kan ik my geen lang leven voorstellen. Ik gevoel my niet wel. De onëenigheden met myn Vader treffen myn, door liefde vertedert, hart zeer diep! Myne jaren en myn werkzame aart hebben my gestelt boven die dwaze drift, die men doorgaans liefde noemt. Myne liefde is wel niet Platonisch[1], maar zy is echter myne reden onderschikt; zy is bedaart, sterk; zy rust op de innerlyke waarde van haar, die myne oogen streelt; zy groeit dagelyks in zagte aandoeningen. Moet ik het opgeven, dan zal men zien, dat myne geliefde Burgerhart tot myn leven zo nodig was, als tot myn gelukkig leven. Laat ik u verbidden! Leg uwe vooröordelen af! Gy kent haar niet, geloof my! Heb ik u, myn geëerde Vader! ooit ergens in misleit? zoude ik het nu doen, daar de zaak niets minder is dan eene verbintenis voor myn geheel leven? Geef my de vryheid, om voor my zelf te kiezen. ô Laat ik u, ook voor deeze gunstige toegeventheid, mogen bedanken. Ik kies immers eene Vrouw voor my; ik zal met haar moeten leven.—Ben ik, in myn zes-en- twintigste jaar, nog niet in staat, om uit myn eigen oogen te zien? Kunt gy my van eenige wuftheid in zaken van belang beschuldigen? Heb ik ooit my tegen uwen wil gekant? Moet ik nu my zelf dat verdriet aandoen? Laat ik u myn gansche leven mogen zegenen! Zo myne tederbeminde, als myne Vrouw, u met my niet zegent: zo zy uwen ouderdom niet ten troost, tot hulp, tot blydschap strekke; zo gy haar niet zult beminnen als eene lieve Dochter, vergeet dan, dat gy ooit een Zoon hadt, die zich tekent,
Uw ootmoedige Dienaar, en liefhebbende Zoon,
HENDRIK EDELING.
Noot:
[1] Zuiver geestelijk.
HONDERD-NEGENTIENDE BRIEF. Hendrik schrijft aan Redelijk, vertelt alles uitvoerig en verzoekt zijn voorspraak bij vader.
HONDERD-TWINTIGSTE BRIEF.—Redelijk weet evenmin raad: vertrouw op God! —als zoon mag Hendrik niet opstaan tegen zijn vader.