TWEE EN NEGENTIGSTE BRIEF.
Reading edition
DE HEER HENDRIK EDELING AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
Myne Waardste!
Ik ben tweemaal vergeefsch aan uw huis geweest. Eens waart gy met den Heer R. naar de Comedie, en nu zeide Frits, hadt hy u en de waardige Vrouw naar de Fransche Kerk gebragt. Hoe smart my deeze te leurstelling. Ik moet, voor ettelyke dagen, om zaken van veel aangelegenheid van huis; en hoe vurig verlangde ik, om in persoon afscheid te nemen van u, die ik teder en met de grootste achting bemin; van u, die my eene my dus lange onbekende neiging hebt ingeboezemt! Ik moet vertrekken, de paarden worden reeds gezadelt. ô Mogt ik durven hopen op de gunst van haar, die my dierbaarder is dan myn leven! Indien ik niet voorzag, dat wy beide gelukkig zouden zyn, ik zou u niet lastig vallen met myne bezoeken. Maar, helaas! ik vrees, dat ik de man uwer verkiezing niet ben!—niet worden kan: evenwel gy verëert my met uwe achting; gy noemt my uw vriend. Hemel!
Wie u ook van zyne liefde moge verzekeren, en welk een brillant lot men u moge aanbieden, uw Edeling bemint u meer, dan iemand u kan beminnen. Ik ken uwe waarde, uw bevallig beeld zweeft my altoos voor den geest. Wat zal myn leven, wat zullen myne goederen zyn, zonder u, ô myne zielsbeminde? Ik zal hopen! Uw hart is immers nog vry? Zult gy my niet verachten, als ik u zeg, dat ik den Heer R. niet meer dulden kan? Maar eene liefde, als de myne, is zo teder als oprecht; en hoe kan ik het denkbeeld dragen, dat hy uwe hand vat! Maar gy kent de liefde niet…. Ik zal des niet langer non sense schryven. Groet de uitmuntende Vrouw, en geloof, dat ik met de grootste achting en hartroerentste genegenheid ben
Uwen
HENDRIK EDELING.
DRIE EN NEGENTIGSTE BRIEF.—Jacob Brunier komt door H. Edeling op den goeden weg en bericht dat aan zijn zuster Aletta.
VIER EN NEGENTIGSTE BRIEF.—Cornelia Hartog aan Wilhelmina van Kwastama: zij is tot de ontdekking gekomen dat Edeling niet om háár maar om Sara komt. O, ze haat Sara! ze verfoeit Edeling.
VIJF EN NEGENTIGSTE BRIEF.—Cornelia Slimpslamp aan Zuzanna Hofland: die Stijntje deugt niet; dat mensch is zelfs goed voor roomschen! Foei! En wat Saartje betreft: doe een valschen eed, dat haar moeder je het geld beloofd heeft tot aan Sara's huwelijk. Wil je dat niet, loop dan rond!
ZES EN NEGENTIGSTE BRIEF.—Wed. Spilgoed aan Hendrik Edeling: zij wantrouwt R., maar heeft geen bewijzen; hij deed fatsoenlijk. —Onverschillig is Edeling Sara niet, want zij herleest zijn brieven! Vindt zich zelf voor zoo'n waardig man ongeschikt; dat is de zaak.
ZEVEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.—Smit is heel ernstig verliefd op Anna Willis; hij vlast op een beroep naar een dorp bij Amsterdam, en droomt zich veel zaligheid.
ACHT EN NEGENTIGSTE BRIEF.—Anna Willis aan Sara: zij verheft haar. Haar Smit prijst Saar ook, eveneens wed. Spilgoed, die als Sara's moeder is. Edeling is een beste jongen. Zij wenscht hem Sara toe. Anna bemint haar Smit zeer en hoopt Sara's trouwe vriendin te blijven.