NEGEN EN NEGENTIGSTE BRIEF.
Reading edition
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
Waarde Naatje!
Hebt gy waarlyk uw woord gegeven? Dan patientie! Anders, binnen een jaar aanvaarde ik de waardigheid van Zuster Collega. Uw Smit! wel, ik ben maar weinig minder verlieft op hem, dan op mynen Voogd zelf; en zo is ook myne Minerva. Wel, Willis, 't is waarlyk al te véél voor u. "Hou er u maar nederigjes onder;" zou tante zeggen. Nu in ernst: geluk, duizend maal geluk met deezen lieven, deezen achtingwaardigen man. Zo gy nu ooit weêr donker kykt, zal ik u waarlyk moeten kloppen. Myn Cootje is nu in staat, om tamelyk gezont te redeneren over dagelyksche voorvallen; en ik merk, dat, als hy met een ander praat dan met my, hy zeker nog al verdient, dat men hem antwoordt. Juffrouw Buigzaam heeft veel met den aanstaanden Eerwaardigen gesproken. Ik was geheel gehoor, en myne Dochter insgelyks.
't Spyt my, dat Letje nog niet t'huis is: dat zou net haar smaak geweest zyn. Luister eens, Naatje; hoewel ik het niet uit dankbaarheid doe aan de Godin der Liefde, (verstaat gy dat, kind?) zo heb ik een groot vermaak in Huwlyks-Alliantiën uit te vinden. Wat dunkt u, dat Willem om Letje kwam, dan hadt hy zeker een Engel van een Vrouw, en zo een verdient hy.—Letje was ook in veiligheid. Eéne bedenking is er maar! Ik weet niet, of myne Letjes hartje wel zó vry is, als dat van Juffrouw Albedil Burgerhart.
"En was ik niet zeer opgeruimt? en zei de Eerwaardige dit?" Verbaast nog toe! Ik weet echter niet, dat ik my ergens over benaauwt voel: zo dat, weest gerust; maar ik heb ook zo myne denkende buitjes; en om dat die my zo eigen niet zyn, als zy mooglyk u zyn, valt dat zo aanstonds in 't oog.
Edeling is uit de stad. Myn Voogd, merk ik, zou my graag met hem getrouwt zien; en myne Mama Buigzaam meent, dat zyn voorstel myne ernstige overweging verdient, en hoopt, dat ik, ten zynen opzichte, een gunstig besluit nemen zal. Myn hart slaapt nog in rozen; meer kan ik u niet zeggen.
Of ik my ooit het Huislyk leven in zulk een zagt licht heb voorgestelt, als Smit het u afmaalt? Nooit anders! Ik was, schoon een kind, getuige van Huisselyk geluk, in myne altoos dierbare Ouders. Dáár zit het my niet, Naatje. Ik heb, tot nog, geen bepaalde uitsluitende genegenheid voor iemand; en niets zal my dezen gewigtigen staat doen aanvaarden, dan een man, die myne liefde en achting beide waardig is. Zo dra ik den Heer Edeling, (niemand komt buiten hem in eenige aanmerking,) zo veel liefde als achting kan toedragen, zullen alle mindere zwarigheden my niet beletten, om den raad myner Vrienden te volgen.
De Heeren R. en Brunier zyn reeds in de zyd-kamer, om met Lotje en my eens eene schone wandeling te nemen. Ik moet my eens vertreden, dunkt my; ik ben echter zeer wel. Heb ik u al gezegt, dat Edeling uit de stad is? Tot weêrziens! Groet uwen lieven aanstaanden Dominé, kusch uwe Moeder, (hem ook maar,) voor
SAARTJE BURGERHART.
HONDERDSTE BRIEF.—Papa Edeling aan zijn zoon Cornelis: hij wou eigenlijk diens raad als advokaat eens inroepen—Cornelis is n.l. gepromoveerd!—Wat tegen Hendrik te doen? Hemelsche goedheid: die jongen houdt maar vol!—Hij heeft Sara gezien met R; "neen, meisje, jij lijkt me niet! ik bedank je hartelijk!" Nooit!