← Table of contents
Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

HONDERD-DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF.

Reading edition

DE HEER R. AAN DEN HEER G.

Vriend Jan!

Uit is de klugt! de myne—de myne is zy, moet, zal zy zyn. ô! Dat lief Bekje! En hadt gy waarlyk zin om den Hortus Medicus te zien? Nu, Schat, gy zult veel méér zien; of ik verdien voor schelm uit het Regiment Ligtmissen gejaagt te worden. En kon Mevrouw Buigzaam niet om huisselyke zaken? ô Ik heb achting voor huishoudende Vrouwen; gy doet wel, schone Weduw!

Bezorg, dat morgen voor den middag myn Fargon en de harddravers, Kwast en Bles, gereet zyn, om naar buiten, doch langs een omweg te ryden. Hou u daar van daan: ik heb u niet noodig; zeg alleen aan den Tuinbaas, dat ik met een meisje kom, dan weet hy genoeg. Hy moet my niet kennen voor 't nodig is; en dan zal ik hem dat wel beduiden. Hy is een gaauwe Kerel; hy moet maar niet weten, dat deeze Dame geen maitres van my is; want hy babbelt dan maar weêr van zyn conscientie; en, schoon ik op geen hand vol ducaten zie, als ik wellust kopen wil, zo hoef ik hem echter niet te vroeg ryk te maken. Ik zal Buiten zyn tegen vyf uuren, of half zes: de Fargon[1] moet in 't koetshuis, en de Paarden moeten, zo als zy van voor 't rytuig komen, op stal gezet worden. Ik zal de rest wel schikken. Philips moet maar te rug gaan.

Onthou myn orders wel. Daar! daar hebt gy vyftig ducaten, om uw schulden van eer te betalen. Ik ben flaauw van vreugd. Zo een meisje; zo een engel; zo rein als een Kind; zo onkundig van haar gevaar; die niet eens vermoedt, dat ik de Belsebub ben, die het op haar bederf toelegt! want trouwen, Liefstetje, daar kan ik niet aan doen. Zie; zo praat ik al in en met my zelf.

R.

Noot:

[1] Fourgon? Hier: gesloten wagen.

HONDERD-VIER EN TWINTIGSTE BRIEF.—Zuzanna Hofland aan Sara: Benjamin en Slimpslamp zijn er met bijna al haar geld van door! Ze vraagt vergiffenis aan Sara en voorspraak bij Blankaart.

HONDERD-VIJF EN TWINTIGSTE BRIEF.—Sara vergeeft alles en belooft voorspraak. Zal zelf komen.

HONDERD-ZES EN TWINTIGSTE BRIEF.—Hendrik aan Cornelis: Saartje is zoek! Ze is met R. uitgegaan en niet teruggekeerd. Ze wachtten op haar den dag, den nacht, in doodelijke spanning; eindelijk, om vijf uur, daar is Sara. O, o!—die vreeselijke R! Gelukkig Saartje is ongedeerd gebleven maar heelemaal overstuur. Hendrik is er zelf ziek van!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings