← Table of contents
Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

HONDERD-EERSTE BRIEF.

Reading edition

DE HEER CORNELIS EDELING AAN DEN HEER JAN EDELING.

Myn Heer, hooggeachte Vader!

Hartlyk dank ik u voor den Wissel; waarop my reeds betaling geschiet is. Ik hoop, dat ik u reden tot vergenoeging geven zal: ook omtrent de sommen, my van tyd tot tyd verstrekt. Gy hebt my in staat gestelt, om als een fatsoenlyk Student en Candidaat te leven. Ik heb zeker geld verteert, doch my aan geenerlei lichtmisseryen, of aan grof spel te buiten gegaan: maar ik weet, waarde Vader, dat gy op dit point de edelmoedigheid zelf zyt.

Hoe leet is 't my te horen, dat gy op myn Broeder zo te onvreden zyt! Ik weet wel, dat gy, en vooral van uwe Zoons, geen tegenspreken dulden kunt; vergeef my deeze uitdrukking; maar, dewyl gy u wel wilt vernederen, om myne gedagten te vragen, zal ik u die rondborstig en in gemoede zeggen. Neen, gy kunt uw Zoon, die meerderjarig is, niet beletten een meisje te trouwen, waar tegen gy niets, met eenige zekerheid, hebt intebrengen, dan dat zy van de publycque Kerk is. Onderneemt gy zulks, dan kan Hendrik u voor den Rechter roepen, en zyt verzekert, dat hy daar de vryheid zal krygen, om haar te trouwen.

Ken ik echter myn weldenkenden Broeder, ken ik den eerbied en de liefde, die hy voor zynen braven Vader heeft; dan zal hy tot dit heftig middel zyn toevlugt niet, dan daar toe gedrongen, nemen.

Laat het my eenmaal vrystaan, myn geëerde Vader! u te vragen, of uw mishagen in deeze jonge Dame gegront is. Hebt gy iets tegen hare Familie, of tegen haar zedelyk karakter? Ik vertrouw, neen; myn Broeder heeft die jaren en die bedagtzaamheid, die hem in staat stellen, om eene goede keuze te doen. Nimmer heeft hy, in het onërvarenste zyner jeugd, reden gegeven, om hem van de minste losbandigheid te verdenken; en zou hy nu, nu hy dien tyd agter zich heeft, zich zo verre vergeten, dat hy een meisje beminde, en wel met het zuiver oogmerk, om haar te trouwen, die zyn verstand en hart beide tot onëer strekte? Nimmer geloof ik dit. Mag ik u des bidden, maak hem niet ongelukkig; spaar u zelf nodeloos en u zo nadelig verdriet: Besluit er toe! Laat uw ouderdom in ruste en vrede ongestoort voortglyden. Mag ik u ook herinneren, dat Hendrik van een eens wél en dóórdagt besluit niet ligt is aftebrengen; voornamelyk als zyn hart zo gezet is op de uitvoering van zyn besluit? Ik ken myn Vader, ik waardeer hem, gelyk een dankbaren Zoon betaamt; maar hoop, dat ik de vryheid zal hebben, om u eene Dochter aantebieden, waar tegen gy met reden niets meerder dan tegen Juffrouw Burgerhart zult kunnen hebben. Binnen eene maand hoop ik het genoegen te hebben, om u gezont te omhelzen, en mondeling te betuigen, hoe zeer ik ben,

Uw gehoorzame Dienaar en dankbare Zoon,

CORNELIS EDELING.

HONDERD-TWEEDE BRIEF.—Aletta Brunier vertelt haar historie aan Sara: zij heeft eens lief gehad, zekeren v. S. Die had geen geld; vader vond dat hij eerst voor geld moest zorgen. v. S. ging naar de Oost; 't ging hem goed, maar hij stierf er. Onder dien druk leeft ze nog. Zekere Heer Helmers steunde haar na vaders dood.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings