← Table of contents
Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart

HONDERD-ZEVEN EN TWINTIGSTE BRIEF.

Reading edition

MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT.

Lieve Vriendinne!

Ik ben te beschaamt, om je onder de oogen te komen, daarom schryf ik u deezen Brief. Och! ik ben een verloren menschje! Had ik toch naar je gehoort; maar, wat zal ik zeggen? Ik geloof, dat myne zonden my alle deeze elenden hebben op myn hoofd gehaald, och ja! Ik was recht toornigjes op u, toen gy laatst by my waart: want ik meende, dat je zo niet tot het diepste van ons wegje waart doorgekropen; dat het allegaar zoo maar stukwerk was, om dat je zo weinig zin hadt aan Broeder Benjamin. Wat heb ik my voor den Here vernedert, om dat ik eenigen agterdogt omtrent dien Huichelaar plaats gaf! 't is een Belials-kind, een uitgepleisterd graf, van binnen vol stank en doodsbeenderen. En zy is eene Jezabel. Zy heeft my strikken gespannen; zy heeft my op myn droggrond neêrgezet. Zy heeft my wys gemaakt, dat al myne ongerustheid ingevingen des Duivels waren. Zy is eene Architofellinne, die my nog voor agt dagen zo een goddelozen raad gaf, met opzicht tot myn Nichtje Burgerhart. Maar de Here liet zyn schepzeltje niet los: en toen schreef zy my een Briefje van berouw, in zulk een gezalfden styl, Styntje! zy kermde daar in, dat zy nu twee dagen en drie uuren in 's Duivels magt geweest was. O, 't was zo een dierbaar Briefje! En toen was het, dat zy tegen den Hypocryt zei, kom, laten wij een graf graven, ende Zanneke daar in werpen; want zy liet my belet vragen; zy hadt zalving voor haar verbryzelt herte nodig, en Broeder zou dan, nu des Heren yver hem vervulde, eens regt zielnadereade en gemoedelyk oeffenen. Wat stelde ik my een gezegent dagje voor! ja, Styntje, ik liet het gemeste kalfje slagten, en de zegeningen der linkerhand werden niet gespaart. Och, ik ben toch altoos zo een Kruipertje op het genadenwegje, en was zeer gesticht. Benjamin was eerst een regte Boanerges, en toen een Zone der vertroosting; en Slimslamp was geheel in een afgezakten staat; doch daarna geheel heilige vreugde, zo zei dat Ezeltje. Ik merk, zei de goddeloze man, dat hier van avond een byzondere zegen over het werk van myn dienst is. Uw huis is een Bethel, Zuster, een Nieuwkerk, laten wy dan blyde zyn: drink, Vriendinnetje, je bent al te bedroeft geweest en je leven is den Sionieten dierbaar. Nu moet je weten, Styntje, dat ik niets verdragen kan; myn hoofdje is zo zwakjes, zo zwakjes: och ja! en toen raadden zy my wat te gaan liggen, en dat deed ik. ô Wat bezorgden zy my! maar ik was danig bedwelmt.—'s Ogtends ontwaakte ik vry wel, maar ik was toch bezwaart, om dat ik onder zo vele stichting my door het schepzeltje had laten vangen. Bregt was ook ziek, zei ze. 't Was laat, toen wy opstonden; zy was stom dronken geweest. Daar ga ik in myn binnenkamer, en zie myn Geldkoffertje niet, daar het plagt te staan: "Bregtje, riep ik, heb jy 't Kistje verzet?" "Och neen, zei ze, is 't weg? en ook 't zou my wat zwaar zyn alleen." Want Styntje, ik had veel contant geld van afgeloste Obligatiën, en een Huis, dat ik verkogt had, en myne Juwelen lagen er ook allegaar in; en daar hing zo een groen kleedje over; och ja, Styntje, Bregt vertelde my toen, dat Keetje haar wyn hadt ingedrongen, (maar dat zei ze ook eens van myn Nichtje,) en dat zy haar toen in de keuken op kussens hadden neêrgelegt; meer wist zy niet te zeggen. Nog dogt ik geen kwaat van die Hellewigten. Och, dagt ik, Bregt zal de deur hebben open gelaten, en 't Kistje zal gestolen zyn! Ik zond een kruijer naar Benjamins kamer, en naar die van Kee; maar de Buren zeiden, dat de Kamers leeg waren, dat zy voor een dag of agt wel meubeltjes hadden zien wegbrengen, maar wisten niet waarhenen. Ik ging voort naar Domine P., die my raadde het in de Courant te zetten, en zo te zien, dat zy in handen der Justitie kwamen, dat zal ik doen. Nu ben ik wel twee derde deel van myn goedje kwyt. En al myn Nichtjes goed hebben zy laten staan. Bregt, nu zy weet, dat ik arm ben, bejegent my vreselyk en vreselyk. Nu zal dat jonge dartele Saartje lachen, en my bespotten; en de Heer Blankaart, haar Voogd, komt ook t'huis. 't Water is aan de lippen. Ja, dien man heb ik ook zo belastert; och ja!

Hy heeft het wel gezeit! Zanneke, zei hy, dat volk loopt op je zak, ze bedriegen je. Jy bent een regte Saulus, zei ik dan. En wat gaf Benjamin niet voor, dat hy zo eene innerlyke dingsigheid voor my hadt: hy was jong, moet je weten; hy hoopte, dat wy nog eens tot éénen vleesche zouden worden, wy die twee waren van natuur. Wel heden, Styntje, het er niet een heel praatje gegaan, dat ik één jok met den Broeder zou aantrekken; en heeft de Heer Blankaart, heel in dat Paapsche Vrankryk, er zich niet mede bemoeit? Als ik zo alles nadenk, zou ik myn gryze hair wel uit men hoofd scheuren. Myn geld, myn kostelyke geldje is weg, ik ben bedrogen. Och! wat ben ik een droevig sukkeltje! En hoe zal myn Nicht nu tot opspringens toe blyde zyn! Nu zal zy zeggen, straft onze lieve Heer myn Tante, die my zo kwalyk bejegent heeft. Zie, ik moest je dat zo allegaar eens schryven. Schryf een lettertje aan

Uwe elendige Zusje,

ZUZANNA HOFLAND.

[Illustratie: ha! da's een kereltje! zei hij! Illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave van 1782.]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings