← Table of contents
Het loterijbriefje

IX. SILVIUS HOG.

Reading edition

Sylvius Hog, de naam, dien de reiziger in het vreemdelingenboek neergeschreven had, volgde daarin onmiddellijk op dien van Sandgoïst, zijn voorganger in de herberg.

Men moet erkennen, dat die twee namen, zoo onder elkander geplaatst, een levendig contrast vormden, en niet alleen de namen, maar ook de personen, die ze droegen.

Tusschen die twee bestond hoegenaamd geene overeenkomst noch geestelijk noch lichamelijk.

Was de een edelmoedig, de ander was de verpersoonlijkte gierigheid.

Was de een de goedheid des harten zelf, de ander bezat eene dorheid van gemoed, die haars gelijken niet had.

Sylvius Hog was ternauwernood zestig jaren oud. Eigenlijk scheen hij veel jonger. Hij was groot van gestalte, liep rechtop, had een aangenaam voorkomen, een helder hoofd en was naar lichaam en ziel gezond. Hij viel door zijn schoon en beminnelijk gelaat, dat geheel baardeloos was, dadelijk in ieders smaak. Dat gelaat werd aangenaam omlijst door zijn grijzend hoofdhaar, dat hij wel wat lang droeg. Zijne oogen stonden vriendelijk en vertoonden evenals zijne lippen steeds een glimlach. Zijn voorhoofd was breed en bevatte voldoende ruimte om er de edelaardigste gedachten in te laten ontkiemen of daaraan toegang te verleenen. In zijne breede borstkas klopte zijn hart met vrije en onbelemmerde beweging. Aan al die voordeelen paarde hij een onkreukbaar, vroolijk gemoed, een scherpzinnig en ontwikkeld verstand, eene geaardheid, die tot iedere edelmoedigheid, tot iedere toewijding in staat was.

Sylvius Hog van Christiania.... die naam zeide genoeg. Want hij was niet alleen algemeen bekend, bemind en geëerd in de Noorweegsche hoofdstad, maar ook het geheele land door—Noorwegen wel te verstaan. Want de gevoelens, die men omtrent hem in de andere helft van het Scandinavische schiereiland, namelijk in het koninkrijk Zweden koesterde, waren niet dezelfde als in Noorwegen.

Joël had het paard bij het hoofdstel gegrepen. Blz. 87.
Joël had het paard bij het hoofdstel gegrepen. Blz. 87.

Joël had het paard bij het hoofdstel gegrepen. Blz. 87.

Dat vereischt eene nadere uitlegging, niet waar? Welnu, wij zullen haar geven.

Sylvius Hog was professor in de rechtswetenschappen te Christiania. In andere staten behoort hij die advocaat, of ingenieur, of geneesheer, of handelsman is tot de eerste standen der maatschappij. In Noorwegen is dat niet zoo. Hij die professor is, staat aan het hoofd van alles, staat op de bovenste sport van de maatschappelijke ladder.

In het naburige Zweden is de natie verdeeld in vier klassen: de adel, de priesterstand, de burgerij en de boerenstand. In Noorwegen daarentegen bestaan er slechts drie, namelijk de drie laatstgenoemden, terwijl de adel ontbreekt. Men treft er geen enkel vertegenwoordiger van de aristocratie aan, zelfs niet tusschen de ambtenaren. In dat zoo gunstig bedeelde land, waar geen privilegiën bestaan, kunnen de ambtenaren niets anders zijn dan de zeer nederige dienaren van het publiek.

Om kort te zijn, in Noorwegen heerscht eene volmaakte sociale gelijkheid en geene staatkundige verdeeldheid hoegenaamd. Och, dat andere landen dat ook konden zeggen!

Sylvius Hog was dus een der aanzienlijkste mannen van zijn vaderland en het zal niemand verwonderen, dat hij lid der Storthing was, wat zooveel beteekent als lid van de Tweede Kamer in Nederland.

In de vergaderingen van dat lichaam oefende hij, zoowel door zijne persoonlijke waarde als door zijn onkreukbare eerlijkheid in het private en het openbare leven, een grooten invloed uit, zelfs op die boerenafgevaardigden, die door de landlieden gekozen en in de meerderheid zijn.

Sedert dat de grondwettige bepalingen van 1814 uitgevaardigd werden, kan men inderdaad naar waarheid beweren, dat Noorwegen een gemeenebest is, aan welker hoofd de koning van Zweden staat.

Het spreekt vanzelf, dat datzelfde Noorwegen ten aanzien van zijne prerogatieven en zijne rechten zeer ijverzuchtig is en geen beperking daarvan duldt. Daardoor dan ook heeft hij zijn zelfbestuur behouden, wat zeer te waardeeren is.

De Noorweegsche Storthing heeft met het Zweedsche parlement niets gemeen. Daaruit zal men lichtelijk begrijpen, dat een der invloedrijkste en meest vaderlandlievende volksvertegenwoordigers met geen welwillend oog gezien werd aan de andere zijde van de denkbeeldige grens, die Zweden van Noorwegen scheidt.

Zoo was Sylvius Hog. En nu iets over zijn inborst. De lezer moet hem leeren kennen.

Hij had een zeer onafhankelijk karakter. Hij wilde niets wezen en aan niemand eenige verplichting hebben.

Meermalen had hij geweigerd lid van den ministerraad te zijn. Steeds trad hij op als verdediger van al de rechten van Noorwegen, en had zich daarom steeds en met den meesten nadruk tegen de pogingen van Zweden aangekant, om invloed in zijn vaderland te verwerven en veelal had hij daarbij zijn zin gekregen.

De zedelijke en staatkundige afscheiding tusschen de twee rijken is zoo aanmerkelijk, dat de koning van Zweden,—toenmaals Oscar XV genaamd,—nadat hij zich, bij zijne aanvaarding van de regeering te Stockholm had laten kronen, genoodzaakt was de plechtigheid te Drontheim, de oude hoofdstad van Noorwegen, te doen herhalen. De voorzichtigheid der Noren in handelszaken, die wel een weinig op wantrouwen gelijkt, is zoo groot, dat de Bank van Christiania ongaarne biljetten van de Bank van Stockholm in ontvangst neemt! En zoo iets tusschen twee handeldrijvende en zeevarende natiën geeft heel wat te denken, niet waar?

Zoodanig is de verwijdering tusschen de twee volkeren, dat de Zweedsche vlag noch op de openbare gebouwen wappert, noch zich ontplooit aan de gaffel of aan de masttoppen der Noorweegsche vaartuigen. De eene vertoont een blauw veld met geel kruis, de andere een blauw kruis op rood veld.

Nu was Sylvius Hog in lijf en ziel, in hart en nieren de partij van Noorwegen toegedaan. Hij verdedigde de belangen van dat land overal en bij iedere gelegenheid. Bij voorbeeld, toen de Storthing in 1854 de quaestie behandelde, om voortaan geen onderkoning meer, zelfs geen gouverneur aan het hoofd des lands toe te laten, was hij een der eerste, die de debatten daarover opende, die met kracht en onbezweken standvastigheid volhield en wel zoo dat hij dat beginsel, wat toch zooveel kwaad bloed in Stockholm en in geheel Zweden zette, deed zegevieren.

Men zal gevoeglijk kunnen begrijpen, dat, al was hij niet zeer bemind in het oostelijk gedeelte van het Scandinavische schiereiland, hij het des te meer was in het westelijke gedeelte en daar zelfs in de afgelegenste gaards van het geheele land. Zijn naam was bekend en op ieders lippen in het bergachtige Noorwegen van af de omstreken van Christiania, ja van af kaap Lindesnaess of Kaap ter Neus tot aan de uiterste rotsen van de Noordkaap. Hij verdiende die populariteit van goed allooi ten volle, en geen laster had ooit noch den afgevaardigde, noch den professor van Christiania kunnen bereiken. Daarenboven was hij een echte Noorman, maar een Noorman met vurig bloed, die niets van de traditioneele flegmatieke geaardheid zijner landgenooten bezat. Hij was veelmeer een man van oogenblikkelijke beslissingen, zoowel in woord als in daad, en maakte daardoor op het Scandinavische karakter wel eene uitzondering. Men zag dat aan zijne vlugge bewegingen, aan zijne driftige gebaren, men hoorde dat aan het snelle spreken. Als hij in Frankrijk geboren was, zoude men geen oogenblik geaarzeld hebben, hem voor een bewoner der zuidelijke provinciën aan te zien, voor een Gascogner of een inboorling van Provence of Languedoc, zoo men namelijk met die vergelijking vrede kan hebben, die evenwel zeer toepasselijk op hem is.

Het bedrag van zijn vermogen deed Sylvius Hog tot de welgestelden behooren. Daaruit bleek, dat hij geen munt geslagen had uit zijn deelnemen aan de regeeringszaken, waardoor hij zich zoo gunstig onderscheidde van de staatslieden van andere landen, die in hunne landsbetrekkingen slechts een middel zien om zich vet te mesten. Hij was niet baatzuchtig; hij dacht nooit aan zich zelven, maar steeds aan anderen. Hij was dan ook afkeerig van hooge posten, die door anderen zoo nagejaagd worden. Het was hem voldoende afgevaardigde te zijn. In de Storthing meende hij zijn vaderland nuttig te kunnen zijn, meer verlangde hij niet.

Op het oogenblik dat wij hem ontmoeten, genoot Sylvius Hog een verlof van drie maanden om uit te rusten van de vermoeienissen en inspanningen van een vol jaar, in aanhoudenden arbeid doorgebracht. Hij had Christiania sinds zes weken ongeveer verlaten, met het doel om de geheele streek af te reizen, die zich uitstrekt tot bij Drontheim, namelijk de Hardangsche en de Telemarksche provinciën en de districten Konsberg en Drammen. Hij wilde die streken bezoeken, welke hij nog niet kende. Het was dus eene reis, die zoowel tot studie als tot uitspanning diende.

Sylvius Hog had reeds een gedeelte zijner reis afgelegd, en het was bij zijne terugkomst uit de in het noorden gelegen baljuwschappen, dat hij van de gelegenheid gebruik wilde maken, om den beroemden waterval van Rjukanfos en de wonderen van de Telemarksche streken te bezichtigen.

Nadat hij het project van een spoorweg, van Drontheim naar Christiania, op het terrein nagegaan had, had hij een gids doen opsporen, om hem naar het gehucht Dal te brengen. Deze gids hoopte hij op den linkeroever der Maan-rivier aan te treffen.

Maar zonder dien af te wachten, werd hij aangetrokken door de bewonderenswaardige vergezichten, die in de nabijheid van den Maristiaan-pas aangetroffen worden. Hij had zich op den gevaarlijken rotsklomp gewaagd, wat eene groote onvoorzichtigheid moest genoemd worden. Zij had hem bijkans het leven gekost. En het mag niet vergeten worden, dat zonder de tusschenkomst van Joël Hansen en van zijne zuster Hulda de reiziger en zijne reis in de kolken van den Rjukanfos een jammerlijk einde zouden gevonden hebben. Wij hebben gezien, hoe hij uit zijn neteligen toestand gered werd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings