← Table of contents
Het loterijbriefje

XII.

Reading edition

HET LOTERIJBRIEFJE.

Dat was dus het geheim van den jeugdigen zeeman!

Dat was dan die kans, waarop hij vast rekende, om een vermogen aan zijne bruid te kunnen brengen!

Een loterijbriefje, dat hij voor zijn vertrek van Bergen gekocht had!....

En op het oogenblik dat de Viken ging zinken, had hij het, met een laatst vaarwel aan Hulda, in eene flesch gesloten en in zee geworpen!

Sylvius Hog wist ditmaal geen woorden te vinden.

Siegfrid, die haren arme vriendin Hulda zoo hartelijk mogelijk ontving. Blz. 117.
Siegfrid, die haren arme vriendin Hulda zoo hartelijk mogelijk ontving. Blz. 117.

Siegfrid, die haren arme vriendin Hulda zoo hartelijk mogelijk ontving. Blz. ontving. Blz. 117.

Hij bekeek beurtelings den brief.... en het document.... Dan weer het document.... dan weer den brief.

Hij sprak niet meer. Wat zou hij bovendien hebben kunnen zeggen? Welke twijfel kon thans nog omtrent het rampzalig lot van de Viken bestaan? omtrent den vreeselijken dood van allen, die het vaartuig naar Noorwegen terugvoerde?

Hulda had, terwijl Sylvius Hog den brief las, zich tegen den doodsangst, die haar dreigde te overmeesteren, verzet, maar, na de laatste woorden van het briefje van Ole Kamp, viel zij bewusteloos in de armen van Joël. Men moest haar toen naar hare kamer dragen, waar hare moeder haar verzorgde en verpleegde.

Toen zij bijgekomen was, verlangde zij alleen gelaten te worden, en knielde bij haar bed om te bidden voor de ziel van den armen Ole Kamp.

Vrouw Hansen was intusschen naar de groote kamer teruggekeerd. Eerst deed zij eenige schreden, alsof zij op professor Silvius wilde toetreden en hem wilde spreken. Plotseling scheen zij zich te bezinnen, keerde om, ging naar de trap, klom die op, en verdween.

Joël was, nadat hij zijne zuster naar hare kamer had helpen brengen, de deur uitgegaan. Hij kon geen adem meer halen in het huis, dat zoo door het ongeluk bezocht was. Hij had lucht noodig; hij moest te midden van den storm zijn en bleef dan ook een groot gedeelte van den nacht aan de oevers van de Maan-rivier rondzwerven.

Sylvius Hog was thans geheel alleen. In het eerste oogenblik gevoelde hij zich, alsof hij door een bliksemstraal getroffen was. Maar hij herkreeg toch spoedig zijne gewone geestkracht. Nadat hij het vertrek een paar malen op en neer was gestapt, luisterde hij of hij ook eenig geroep van het jonge meisje vernam.... Neen.... alles was stil. Hij ging toen bij de tafel zitten en liet zijne gedachten en overpeinzingen den vrijen loop.

»Hulda,” prevelde hij. »Hulda haren bruidegom niet meer weerzien!.... Is dan toch zoo'n ongeluk mogelijk?.... Neen, neen, dat kan niet!.... Bij die gedachte komt alles in opstand in mijn gemoed!.... De Viken is gezonken, nu ja, het zij zoo! maar is dat dan een onwraakbaar en onomstootelijk bewijs van het verdrinken van Ole Kamp? Dat, dat weiger ik te gelooven! Bij alle gevallen van zeeramp, van schipbreuk, kan alleen de tijd het afdoend bewijs leveren, dat niemand het ongeluk heeft kunnen overleven. Ja, zeker, ik twijfel, ik wil nog steeds twijfelen, al mochten Joël en Hulda, al mocht ook de geheele wereld dien twijfel niet met mij deelen! Daar de Viken door de golven verzwolgen is, daar zij als het ware onder zeil gezonken is, ligt daarin de gereede verklaring, waarom geen enkel wrakstuk van het verongelukte schip op de oppervlakte der zee aangetroffen is. Neen, niets dan die flesch, waarin de arme Ole Kamp in den uitersten nood zijne laatste gedachte en daarmede zijne eenige bezitting op deze wereld, heeft gesloten.”

Sylvius Hog stond daar met het loterijbriefje in de hand. Hij bekeek het.... hij betastte het.... hij keerde dat papier om en om, waarop de arme zeeman vol hoop een grootsch gebouw van nog grootscher verwachtingen gegrondvest had.

Maar al dat bekijken, betasten, en om en om draaien gaf hem niets.

De professor wilde het reepje papier evenwel nog nader onderzoeken. Dat lag in zijn aard.

Hij stond evenwel eerst op om aan de deur van het vertrek te gaan luisteren of het rampzalige meisje hare moeder of haren broeder soms riep.

Toen hij niets vernam, dat de akelige stilte in huis zou kunnen verstoren, nam hij weer plaats en bekeek het papiertje.

Het was een lot, uitgegeven ten voordeele van de scholen te Christiania. Die loten waren destijds zeer gewild in geheel Noorwegen. De hoofdprijs bedroeg honderdduizend mark, gelijkstaande met zestigduizend gulden van onze Nederlandsche munt. Het gezamenlijk bedrag der overige winnende nummers bedroeg negentigduizend mark. Het aantal der aan de trekking deelnemende nummers, die ten tijde van ons verhaal alle geplaatst waren, bedroeg een millioen.

Het briefje van Ole Kamp droeg het nummer 9672.

Maar of dat nummer goed of slecht, een winst- of verliesnummer was, en of de jeugdige zeeman eenige reden had om er vertrouwen in te stellen, dit alles kon buiten beschouwing blijven, daar hij bij de trekking niet aanwezig zoude zijn. Die trekking zou op den 15den Juli aanstaande plaats hebben, dus na een tijdsverloop van acht en twintig dagen. Het is waar, dat Hulda Hansen zich volgens zijn laatste aanwijzing in zijne plaats moest aanmelden en voor zijn persoon moest optreden.

Sylvius Hog schudde het hoofd; want dat alles gaf niet veel. Hij herlas evenwel, bij het licht zijner kaars, de weinige regels, die op de rugzijde van het biljet geschreven waren, met de grootste aandacht, alsof hij daarin een verborgen zin wilde ontdekken.

Al dadelijk merkte hij op dat die regels met inkt en niet met potlood geschreven waren.

Het was daarenboven duidelijk, dat de hand van Ole Kamp niet gebeefd had, toen hij schreef. Dat was een bewijs dat de stuurman van de Viken zijne koelbloedigheid bij de schipbreuk bewaard had.

Hij bevond zich dus in den gunstigsten toestand om over een reddingsmiddel na te denken, om de eene of andere gelegenheid tot redding aan te grijpen, b.v. een roeiriem, eene drijvende plank, wanneer ten minste niet alles in de kolk medegesleept was, die het vaartuig verzwolg.

Het kon door een dier stormen medegesleurd zijn, waaraan niemand en niets weerstand kon bieden en misschien op die wijze buiten den koers geraakt zijn, terwijl het dichte wolkendak den stuurman belet had eenig bestek, door het nemen van zonshoogte, op te maken en hij dus onmogelijk weten kon, waar hij zich bevond.

Het was dus waarschijnlijk, dat men nimmer te weten zoude komen in welk gedeelte van den Noorder-Atlantischen Oceaan de Viken vergaan was, of dit in de nabijheid van New-Found-Land dan wel van IJsland geschied was, of wel op den weg tusschen laatstgenoemd eiland en de plaats der bestemming, Bergen in Noorwegen.

Dat was eene omstandigheid, die alle hoop moest doen vervliegen, zelfs bij Sylvius Hog, die niet wanhopen wilde.

Met eene aanwijzing, hoe onbepaald en nevelachtig ook, had men nasporingen kunnen ondernemen. Men had een vaartuig naar de plek van de ramp kunnen afzenden; misschien had men enkele herkenbare overblijfselen, wrakstukken ontdekt.

En toch! Wie weet of niet een of meer der overblijvenden van de bemanning er in geslaagd waren 't een of ander punt van de eilanden der Noordelijke IJszee te bereiken, waar zij zich waarschijnlijk nu bevonden geheel hulpeloos, in de volslagen onmogelijkheid om naar hun vaderland terug te keeren.

IJselijke mogelijkheid, voorwaar!

Het geloof aan die mogelijkheid, sloop het brein van Sylvius Hog binnen, nestelde zich daarin onwrikbaar vast en maakte zich van alle zijne gedachten meester.

Maar dat geloof rustte op zulk een zwakken grond, dat Hulda en Joël zich niet zouden laten overtuigen en professor Sylvius Hog was er voor teruggedeinsd hun er over te spreken, daar hij bovendien bevreesd was, dat op de voorspiegeling van mogelijke redding, een te bittere teleurstelling zou volgen, die het reeds geleden verdriet nog met nieuw zoude vermeerderen.

Ontvang het met mijn laatste gedachte aan u! Blz. 120.
Ontvang het met mijn laatste gedachte aan u! Blz. 120.

Ontvang het met mijn laatste gedachte aan u! Blz. 120.

»En toch,” zoo zette hij zijne alleenspraak voort, »al levert dat loterijbriefje geen enkele aanwijzing op, die te gebruiken is, het is toch bekend in welke streken de flesch is opgevischt. In den brief van den directeur van het departement van Marine staat daarvan niets; maar het is onmogelijk dat men aan het departement dienaangaande onkundig zoude zijn. Die aanwijzing zal zeker niet geweigerd worden en zou wellicht te gebruiken zijn. En als men dan de richting der stroomingen en der winden, in verband met den vermoedelijken datum van de schipbreuk naging, zou het dan niet mogelijk zijn?...”

»Ja, zou het dan niet mogelijk zijn?” riep hij ten toppunt van overspanning uit.

»Om kort te gaan,” vervolgde hij, »ik zal nog eens schrijven... men moet de nasporingen verdubbelen en er haast mee maken, al bestaan er nog zoo weinig kansen voor het welslagen. Neen, neen! ik zal nimmer die arme Hulda aan haar lot overlaten! Neen, ik zal nooit ophouden met mijne nasporingen; ik zal nimmer aan den dood van Ole Kamp, haren bruidegom, gelooven, tenzij men mij het onwraakbaar bewijs van zijn overlijden voor oogen legt.”

Zoo redeneerde professor Sylvius Hog, en zoo trachtte hij zijn hoop levendig te houden.

Maar tevens vormde hij het vaste voornemen om nimmer over de nasporingen die hij in het werk wilde stellen, over de pogingen, die onder zijn invloed van alle kanten aangewend zouden worden te spreken.

Noch Hulda, noch haar broeder Joël kwamen derhalve te weten, dat hij naar Christiania geschreven had.

Verder besloot hij zijn vertrek, dat op den volgenden ochtend vastgesteld was, voor een onbepaalden tijd uit te stellen. Of beter gezegd, hij wilde wel over eenige dagen vertrekken, maar alleen om zich dan naar Bergen te begeven. Daar zou hij van de heeren Gebroeders Help alles vernemen, wat op de Viken betrekking had. Hij wilde daar in persoon den raad en het gevoelen van de ervarensten zeelieden inwinnen, en zoodoende kon hij den aard en de wijze van de verdere nasporingen, die verricht moesten worden, vaststellen.

Intusschen hadden, na de inlichtingen door het departement van Marine verstrekt, de dagbladen van Christiania, daarna die van Noorwegen, van Zweden, van Engeland en eindelijk die van Europa en van de geheele beschaafde wereld zich de zaak van het loterijbriefje, dat nu een gewichtig document geworden was, aangetrokken. Er was iets aandoenlijks in dat laatste geschenk van den bruidegom aan zijne bruid. De openbare meening werd er door bewogen en niet zonder reden, zooals de lezer beseffen kan.

Het oudst bestaande dagblad van Noorwegen, het Morgenblad was het eerste, waarin het verhaal van de schipbreuk der Viken en van het wedervaren van Ole Kamp verscheen. Van de zeven en dertig overige dagbladen, die toen ter tijd in het koninkrijk verschenen was geen enkel in gebreke gebleven dat verhaal over te nemen en er eenige weemoedige beschouwingen aan vast te knoopen. Het Illustreret Nyhedsblad gaf eene met de grootst mogelijke dichterlijke vrijheid ontworpen schets van de vermoedelijke schipbreuk ten beste. Men zag daarop de Viken met gebroken masten en de zeilen aan flarden, terwijl de verschansing gedeeltelijk weggeslagen was, het schip door den stormwind plat op zijde was geworpen, en het water met kracht door de weggeslagen luiken in het volkslogies stroomde. In één woord het schip op het punt van in de diepte weg te zinken. Op die teekening stond Ole Kamp op de voorplecht en had juist de flesch te water gelaten; terwijl zijn blik te kennen gaf, dat hij met eene laatste gedachte aan Hulda zijne ziel Gode aanbeval. Op den allegorischen achtergrond van die teekening bracht een aanrollende golf die flesch te midden van nevel en schuim aan de voeten van de jeugdige bruid en rolde daarop naar zee terug. De geheele teekening was omgeven door de omlijsting van het loterijbriefje, terwijl het nummer 9672 helder tegen den donkeren achtergrond afstak. Het was ongetwijfeld een naïf ontworpen schets, die evenwel een groot succes zou hebben in die streken, waar de legenden der Obdinen en der Valkyriën nog oppermachtig heerschen.

Daarna werd die geheele geschiedenis overgenomen en gecommenteerd in Frankrijk, Engeland, Nederland, Duitschland, in één woord in alle landen, welker bevolking zich op de zeevaart toelegt, tot zelfs in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika toe.

Met de namen van Hulda Hansen en Ole Kamp werd de geheele geschiedenis door pen en teekenstift verbreid. Het jeugdig Noorweegsch boerinnetje uit het onbeduidend gehucht Dal had, zonder dat zij zulks wist, het privilege de openbare meening in vuur en vlam te zetten. De arme meid kon niet gissen, hoe bekend haar naam geworden was. Maar, al was zij er ook mede bekend gemaakt, dan zou dat zelfs haar geen afleiding bezorgd hebben voor de droefheid, die haar beheerschte. Dat kon niets ter wereld doen! Daartoe was inderdaad alles onvermogend!

En nu zal de lezer na het voorafgaande, zich niet verbazen over de uitwerking, die deze gebeurtenis op de twee halfronden der aarde teweegbracht, een uitwerking, die daaruit zeer verklaarbaar is, dat 's menschen geaardheid hem gaarne geloof doet slaan aan bovennatuurlijke zaken, en dat wie eenmaal op die helling geraakt, schier niet meer te weerhouden is. Dat loterijbriefje onder de medegedeelde omstandigheden opgevischt, dat briefje met nummer 9672, hetwelk als het ware door de bestiering der Voorzienigheid aan de golven ontrukt werd, dat moest immers wel een gelukkig loterijbriefje zijn. Het scheen tot winnen voorbeschikt te zijn. Was het niet tusschen de duizenden andere aangewezen om den hoofdprijs van honderd duizend mark te winnen? Vertegenwoordigde het geen vermogen? Het vermogen, waarop Ole Kamp zoo vaak gerekend had! Dat was de gedachtengang, die het brein van velen bezighield.

Men moet er dan ook niet verwonderd over wezen, dat schier van alle kanten zeer ernstige voorstellen te Dal aankwamen om het loterijbriefje te koopen, natuurlijk als Hulda Hansen er zich van wilde ontdoen.

Aanvankelijk waren de aangeboden prijzen bescheiden en laag; maar zij stegen van dag tot dag. Het was dus te voorzien, dat naarmate de trekkingsdag naderde, de aanbiedingen al hooger en hooger zouden worden. Zooiets was inderdaad als onvermijdelijk te beschouwen.

De aanbiedingen kwamen niet alleen uit de Scandinavische streken, waar men zoo geneigd is te gelooven aan de tusschenkomst van bovenaardsche machten en wezens in de ondermaansche aangelegenheden, maar ook uit den vreemde, zelfs uit Frankrijk, waar men anders in zulke zaken uiterst sceptisch is.

Zelfs de Hollanders en de Engelschen, die anders nog al als zeer flegmatisch afgeschilderd worden, bemoeiden zich er mede; ja ook de Amerikanen, die gewoonlijk niet veel dollars overhebben voor dergelijke minder practische speculatiën.

Het aantal brieven, dat te Dal aangebracht werd, was aanzienlijk. Daarenboven verzuimden de dagbladen natuurlijk niet de verschillende aanbiedingen, die der familie Hansen gedaan werden te bespreken, waarbij ze niet weinig overdreven. Men kan zeggen, dat er een soort van beurs gehouden werd, waarvan de noteering natuurlijk varieerde, maar steeds hooger en hooger ging.

En inderdaad, men was er reeds toe gekomen, om voor dat loterijbriefje, waarvan de kans slechts als één tegen negenhonderd negen en negentig duizend, negenhonderd negen en negentig stond om den hoofdprijs van honderd duizend mark te winnen, verscheidene honderden mark te bieden. Dat was ongetwijfeld dwaas, maar over bijgeloof valt niet te redeneeren.

De gemoederen raakten dan ook al meer en meer opgewonden, de verbeelding speelde menigeen parten en de aangeboden prijs klom hooger en hooger en zou blijven klimmen, zooals spoedig genoeg bewezen werd.

Acht dagen na de gebeurtenis vermeldden de dagbladen, dat de koers van het loterijbiljet, duizend, vijftienhonderd, tweeduizend mark en meer bedroeg.

Een Engelschman, geboortig uit Manchester, had zelfs tot honderd vijftig pond sterling geboden, wat eene som van 3000 mark of van 1800 gulden in Nederlandsch geld vertegenwoordigde.

Een Amerikaan van Boston bood nog hooger en wilde voor het nummer van de loterij voor de scholen van Christiania de som van 1000 dollars, dus ruim vier duizend mark of twee duizend vijf honderd gulden betalen.

Maar Hulda sloeg alle aanbiedingen van de hand. Blz. 130.
Maar Hulda sloeg alle aanbiedingen van de hand. Blz. 130.

Maar Hulda sloeg alle aanbiedingen van de hand. Blz. 130.

Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat Hulda Hansen zich hoegenaamd niets om die hartstochtelijke speculatie van een deel van het publiek bekommerde. Van het meerendeel der brieven, die omtrent het bewuste loterijbriefje naar Dal verzonden waren, had zij geen kennis willen nemen.

Toch was professor Sylvius Hog van meening, dat zij zich op de hoogte moest houden van de voorstellen en aanbiedingen, die haar gedaan werden, daar Ole Kamp haar dat loterijbriefje met het nummer 9672 in vollen eigendom vermaakt had.

Maar Hulda sloeg alle aanbiedingen van de hand. Dat loterijbriefje vertegenwoordigde voor haar iets van veel meer waarde dan een hoop geld. Dat loterijbriefje was voor haar de laatste brief van haren bruidegom.

En nu moet men niet gelooven, dat het arme meisje daarbij bewogen werd door de nevengedachte dat zij een der hoofdprijzen der loterij zou kunnen winnen.

Neen; zij zag daarin slechts het laatste vaarwel van den armen schipbreukeling, eene reliquie, die zij zorgvuldig bewaren wilde.

Neen; zij dacht niet aan de kansen om een vermogen deelachtig te worden, dat de arme Ole Kamp niet meer met haar zou kunnen deelen!

Was er iets aandoenlijkers, iets kieschers te bedenken dan die godsdienstige vereering van zijn nagedachtenis? Neen, niet waar? Dat zal men moeten bekennen.

Hierbij kwam nog, dat Sylvius Hog en Joël Hansen geen invloed op Hulda wilden uitoefenen, al meenden zij verplicht te zijn, haar met de vele en uiteenloopende aanbiedingen bekend te maken. Daarin kwamen beide mannen overeen, dat zij slechts aan de inspraak van haar hart gehoor moest geven. En de lezer weet, wat dat hart geantwoord had.

Daarenboven keurde Joël de gedragslijn zijner zuster volkomen goed. Ook volgens hem mocht het loterijbriefje van Ole Kamp, aan niemand, tegen welken prijs ook, overgedaan worden.

Sylvius Hog van zijn kant ging nog een stap verder. Hij keurde Hulda's gedrag niet alleen goed, maar hij wenschte haar zelfs geluk, dat zij het oor niet wilde leenen aan zulken handel.

»Wat zou dat voor een schouwspel zijn,” zei hij, »als dat loterijbriefje, hier gekocht, daar verkocht, elders weer aangeboden en verder weer afgestaan werd; wanneer dat briefje van hand tot hand ging, als ware het bankpapier, totdat de trekkingsdag daar zou zijn, die er waarschijnlijk een vod van zoude maken.”

Hulda rilde bij de gedachte aan zoo iets.

Maar Sylvius Hog ging zelfs nog verder.

Zou die geleerde, die professor bij geval bijgeloovig zijn? Neen, zeker niet. Maar wanneer Ole Kamp aanwezig geweest was, zou hij hem waarschijnlijk toegevoegd hebben:

»Bewaar dat loterijbriefje zorgvuldig, mijn jongen! Bewaar het goed! Men heeft het eerst uit zee opgevischt, daarna heeft men het bij u gebracht! Welnu.... het staat te bezien.... Men kan nooit weten.... Het zou kunnen.... Neen, gij moet het bewaren!”

En als Sylvius Hog, professor in de rechtswetenschappen, afgevaardigde van de Storthing, zoo dacht, is het dan te verwonderen, dat het gros van het publiek zoo dwaas was?

Neen, niet waar?

Niets was dan ook natuurlijker dan dat nummer 9672 opgeld deed, en dat de aanbiedingen voor het loterijbriefje al hooger en hooger werden.

In de herberg van Dal was er niemand, die tegen dat zoo eerbiedwaardig gevoel, onder welks invloed het jonge meisje handelde, protesteerde, behalve de moeder der beide jonge lieden.

Men hoorde vrouw Hansen soms pruttelen en verwijtingen uiten, vooral wanneer hare dochter Hulda afwezig was. Dat dit Joël veel verdriet veroorzaakte, is te begrijpen.

Zijn moeder zou zich niet—zoo dacht hij althans—tot pruttelen en verwijten blijven bepalen. Zij zou waarschijnlijk beproeven Hulda in geheim onder handen te nemen, om haar over te halen het oor aan de gedane aanbiedingen te leenen en het hoogste bod aan te nemen.

»Vijf duizend mark voor dat loterijbriefje,” herhaalde zij voortdurend. »Vijf duizend mark zijn geboden. Waarachtig, dat is een mooi bod!”

Klaarblijkelijk zag vrouw Hansen niet of wilde ze niet zien, hoe kiesch en teerhartig die weigering harer dochter was. Zij had hare gedachten slechts op die, in hare oogen, zoo belangrijke som van vijfduizend mark gevestigd.

Een woord, een enkel woord van Hulda zou voldoende zijn om dat geld in huis te halen.

Zij geloofde bovendien niet aan de beweerde bovennatuurlijke waarde van dat loterijbriefje, hoewel zij eene Noorweegsche in hart en nieren was. En om nu die vijf duizend mark ten offer te brengen aan één millioenste kans er honderd duizend te winnen, dat was volgens haar te erg; dat kon in haar koud en positief brein geen ingang vinden.

Toch mag—alle ziekelijke overdrijving ter zijde gesteld,—de volgende bewering niet onjuist genoemd worden, namelijk, dat, in zoo bijzondere omstandigheden als deze het geene daad van overleg kon genoemd worden om het zekere voor het onzekere te verwerpen. Maar het kan niet genoeg herhaald worden, dat stukje papier was voor Hulda Hansen geen loterijbriefje, geen middel om baatzuchtige gevoelens te bevredigen, het was de laatste brief van Ole Kamp, van den man, dien zij innig lief had gehad, en nog had, en haar hart zou gebroken zijn bij de gedachte alleen, dat zij dien brief uit hare handen zoude geven. Neen, neen! dat kon zij niet!

Intusschen toonde vrouw Hansen maar al te duidelijk, dat zij de handelwijze harer dochter in dezen grootelijks afkeurde. Men gevoelde, dat zich een groote bitterheid, eene innige gramschap in haar gemoed ophoopte. En inderdaad het was maar al te zeer te vreezen, dat zij den een of anderen dag van hare dochter Hulda zou vergen, dat deze op haar genomen besluit zou terugkomen. In dien zin had zij reeds tot Joël gesproken, die toen niet geschroomd had zonder aarzelen de partij zijner zuster te kiezen.

Sylvius Hog was natuurlijk op de hoogte van die omstandigheden gebracht geworden.

Helaas, de gemoedsstemming harer moeder was een verdriet te meer bij al de smarten van de arme Hulda, wat de goedhartige professor ten zeerste betreurde.

Soms maakte die omstandigheid het onderwerp van het gesprek tusschen hem en Joël uit.

»Heeft mijne zuster geen gelijk?” vroeg deze dan. »En handel ik niet goed als ik hare weigering, om het loterijbriefje van de hand te doen, goedkeur?”

»Voorzeker,” antwoordde Sylvius Hog met overtuiging. »Maar toch valt er....”

»Wat wilt ge zeggen?”

»Toch valt, uit een financieel oogpunt beschouwd, niet te ontkennen, dat uwe moeder groot gelijk heeft.”

»Dat mijne moeder gelijk heeft?”

»Zeker....”

»Dus gij zoudt Hulda aanraden?....”

»Volstrekt niet. Want niet alles is Goddank een rekenkunstig vraagstuk in deze wereld! Het twee en drie is vijf heeft niets te maken met hartzaken!”

Men had zich genoodzaakt gezien Hulda gedurende deze laatste weken ernstig gade te slaan. Zij ging zoodanig onder hare smart gebukt, dat haar gezondheid inderdaad ongerustheid begon in te boezemen. Gelukkig, dat goede verzorging en doelmatige verpleging niet ontbraken.

Sylvius Hog verzocht den beroemden geneesheer, Dr. Bock, een zijner talrijke vrienden, om terstond naar Dal te komen, ten einde de jeugdige zieke te zien. Hij kwam, maar had niets anders voor te schrijven dan rust voor het lichaam en kalmte voor het gemoed zoo dit laatste mogelijk was. Het eenige middel tot genezing zou evenwel de terugkeer van Ole Kamp geweest zijn, en.... over dat middel kon door geen menschelijk wezen beschikt worden, dat kon God alleen.

In ieder geval was Sylvius Hog niet karig met zijne troostredenen wanneer hij bij het jonge meisje gezeten was. Dan was hij onuitputtelijk in het vinden van woorden, die een troostrijk verschiet openden. En.... het merkwaardigste was, dat Sylvius Hog niet, hoe onwaarschijnlijk dit klinken moge, wanhoopte.

Dertien dagen waren reeds verloopen sedert het loterijbriefje, door het departement van Marine van Christiania naar Dal verzonden, daar ontvangen werd.

De trekking van de loterij ten behoeve der scholen in de hoofdstad van Noorwegen zou met den meesten luister in een der ruimste zalen van Christiania plaats hebben.

Sylvius Hog ontving, juist in den ochtend van den 30sten Juni, een tweeden brief van het departement van Marine als antwoord op zijne dringend herhaalde verzoeken tot het doen van nasporingen. In dien brief werd hem aangeraden zich te verstaan met de maritime autoriteiten te Bergen en hem de vereischte volmacht verleend, om dadelijk de noodige nasporingen met behulp van staatsmiddelen te laten doen.

De professor wilde zich tegenover Hulda en Joël niets laten ontvallen, omtrent hetgeen hij wilde ondernemen. Hij vergenoegde zich derhalve, met hun zijn vertrek mede te deelen, waarvoor hij als reden opgaf dat hij eenige zaken af moest doen; hij voegde er bij dat zijne afwezigheid slechts weinige dagen zou duren.

»Mijnheer Sylvius!....” snikte het wanhopige meisje.

»Wat wilt gij zeggen, lieve Hulda?”

»O, ik smeek u verlaat ons toch niet!....”

»Ik u verlaten!.... U, die ik als mijne kinderen beschouw!... Hoe is het mogelijk?.... Hoe komt gij op die gedachte?....” riep Sylvius Hog uit.

Joël stelde voor hem te vergezellen. Maar, daar hij de beide kinderen zelfs niet wilde laten vermoeden, dat hij naar Bergen ging, veroorloofde hij den jongeling niet verder dan tot Moel met hem mede te gaan. Daarenboven meende hij, dat het niet goed zoude zijn, wanneer Hulda met hare moeder alleen bleef.

Het lieve kind was eenigen tijd bedlegerig geweest doch kon thans weer wat opzitten; maar zij was toch nog zoo zwak dat zij hare kamer moest houden. Haar broeder begreep dus dat hij haar niet mocht verlaten.

Het karretje stond tegen elf uur voor de deur der herberg. De professor nam er met Joël in plaats, nadat hij het jonge meisje tot afscheid de hand gedrukt had. Zij keek hen na en zag hen bij een kromming van den weg onder de groote beukeboomen, die op den oever der Maan-rivier stonden, verdwijnen.

Denzelfden avond was Joël te Dal terug.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings