← Table of contents
Het loterijbriefje

XIV. HET LOTERIJBRIEFJE AFGESTAAN.

Reading edition

Dienzelfden dag, waarop professor Sylvius Hog Bergen verlaten had, was eene gewichtige gebeurtenis in de herberg van Dal voorgevallen.

Nadat de professor vertrokken was, scheen het huis uitgestorven te zijn. Het was alsof die goede genius van Hulda en Joël Hansen met de laatste hoop ook al de levendigheid der familie had medegevoerd.

Het was, alsof hij bij zijn vertrek een sterfhuis achtergelaten had.

Daarenboven verscheen er gedurende die twee dagen geen enkele toerist te Dal. Dat was niet ongelukkig: want daardoor ontbrak aan Joël Hansen de gelegenheid om afwezig te zijn en kon hij bij zijne zuster Hulda blijven. Hij zou zich toch zeer angstig gevoeld hebben, als hij haar in de gegeven omstandigheden alleen had moeten laten.

En met recht. Want vrouw Hansen werd inderdaad al meer en meer beheerscht door hare geheime onrust. Zij scheen geheel en al vreemd te zijn geworden aan alles, wat hare kinderen betrof. Zij had zelfs geen gedachte meer voor de schipbreuk der Viken. Zij bleef geheele dagen in hare kamer en vertoonde zich alleen bij de maaltijden. En als zij dan het woord richtte, hetzij tot Hulda, hetzij tot Joël, was het slechts, om hen met direkte of indirecte verwijtingen te overstelpen, betreffende het loterijbriefje, dat zij tot geen prijs, hoe groot ook, wilden afstaan.

Hierbij moet vermeld worden, dat de aanbiedingen voor dat loterijbriefje niet opgehouden hadden. Van alle kanten, uit alle werelddeelen waren zij ingekomen. Het was, alsof een besmettelijke waanzin sommige breinen bevangen hadden. Het scheen wel dat op dit loterijbriefje het groote lot van honderdduizend mark moest vallen. Het was, alsof in die loterij slechts een enkel nummer bestond, en dat dit nummer het bekende 9672 was!

En inmiddels duurde de wedstrijd tusschen den Engelschman van Manchester en den Amerikaan van Boston steeds voort. De Engelschman was er in geslaagd het bod van den Amerikaan met eenige ponden te overtreffen. Maar op zijn beurt werd hij weer met eenige honderden dollars voorbijgestreefd. Het laatste bod bedroeg achtduizend mark. Men kon dit slechts aan eene soort van verstandsverbijstering toeschrijven, tenzij men in dien wedstrijd een nationale wedijver tusschen Amerika en Groot-Brittanje mocht willen zien. Maar hoe het ook zij, Hulda sloeg alle aanbiedingen, hoe voordeelig ook, van de hand, wat de bitterste verwijtingen van den kant harer moeder uitlokte.

»En als ik u nu eens gelastte dat loterijbriefje af te staan!” zeide zij op zekeren dag tegen hare dochter. »Ja, als ik u dat nu eens gelastte, wat zoudt gij dan doen?”

»Dat zult gij niet doen, moeder!” kreet het meisje, dat zich aan den twijfel, in die woorden heerschende, vastklemde. »Dat zult gij niet doen, moeder.”

»Maar, als ik het nu eens deed?”

»Dan zoudt gij mij wanhopig maken, moeder,” antwoordde Hulda, »want ik zou genoodzaakt zijn het te weigeren.”

»Het te weigeren, Hulda?”

»Helaas, ja, moeder!”

»En als het dan eens moest?”

»Wat zou ons kunnen dwingen, moeder?” vroeg Joël.

Vrouw Hansen antwoordde niet, maar zij was bleek geworden, toen haar die vraag zoo bepaald gesteld werd. Zij trok zich in hare kamer terug, terwijl zij bij het heengaan onverstaanbare woorden mompelde.

»Er is iets ernstigs aan de hand,” zei Joël tot zijne zuster.

»Dat vrees ik ook,” antwoordde deze.

»Het kan niets anders zijn dan die zaak met Sandgoïst.”

»Ja, broeder. Wij moeten op dreigende verwikkelingen voor de toekomst bedacht zijn.”

»Arme Hulda! worden wij door het leed, dat wij sedert een paar weken te dragen hebben, nog niet genoeg beproefd? Welke ramp dreigt ons nog?”

»O, wat blijft mijnheer Sylvius Hog lang weg!” zei Hulda. »Als hij zich hier bevindt, ben ik te moede, alsof ik minder wanhopig ben.”

»En toch....”

Joël aarzelde, om het vertrouwen zijner zuster te schokken.

»Maar wat?” vroeg zij. »Gij zeidet: en toch....”

»En toch, wat zou hij voor ons kunnen uitrichten?”

Ja, op die vraag was geen antwoord te geven.

Maar, wat bestond er toch in het verleden van vrouw Hansen, dat zij aan hare kinderen niet wilde, niet durfde toevertrouwen?

Was het kwalijk begrepen eigenliefde, die haar belette hen deelgenooten te maken van de oorzaak harer onrust?

Had zij zich zelve verwijtingen te doen?

En dan die dwang, die zij met betrekking tot het loterijbriefje op hare dochter poogde uit te oefenen? Dat briefje kwam toch van Ole Kamp, en die omstandigheid verleende er eene zoo groote waarde aan, dat zij het voor geen geld wilde afstaan.

Hoe kwam zij er toe, zoo begeerig te zijn dat geld machtig te worden?

Hulda en Joël zouden het weldra vernemen.

Op den 4den Juli had Joël des ochtends zijne zuster begeleid naar de kleine kapel, waar Hulda dagelijks heenging, om voor den rampzaligen schipbreukeling te bidden.

Hij bleef wachten gedurende dat gebed, om haar naar huis terug te brengen.

Dien dag bespeurden beiden op de wandeling naar huis in de verte onder de schaduw der boomen vrouw Hansen, die haastig voorstapte en zich naar de herberg begaf.

Op den morgen van den 4den scheepte Sylvius Hog zich op de Run in. Blz. 146.
Op den morgen van den 4den scheepte Sylvius Hog zich op de Run in. Blz. 146.

Op den morgen van den 4den scheepte Sylvius Hog zich op de Run in. Blz. 146.

Zij was niet alleen. Een man begeleidde haar, een man, die heftig tot haar scheen te spreken en haar dreigde; althans, van verre gezien, waren zijne gebaren gebiedend.

Hulda en haar broeder waren eensklaps blijven staan.

»Wie kan die man zijn?” vroeg Joël.

»Ik weet het niet,” antwoordde Hulda.

Maar, bij het geven van dat antwoord, trad het jonge meisje eenige schreden vooruit.

»Ik herken hem,” zeide zij eensklaps.

»Herkent ge hem?”

»Ja.”

»Wie is het dan?”

»Wel, het is die Sandgoïst!”

»Sandgoïst van Drammen?”

»Ja!”

»Diezelfde kerel, die eens gedurende mijne afwezigheid te Dal is gekomen?....”

»Ja dezelfde!”

»En die zich als heer en meester aanstelde, alsof hij rechten kon doen gelden op moeder... op ons misschien?”

»Dezelfde, broeder!”

»Wat zou hij hier komen doen?”

»Ongetwijfeld zijne rechten komen opeischen.”

»Zijne rechten!.... Maar welke rechten?”

»Dat weet ik niet.”

»O, ditmaal zal en moet ik weten, wat die man in zijn schild voert, wat hij hier komt doen!”

»Bedaar, broeder, bedaar!”

Maar Joël had moeite om bedaard te blijven. Hij verborg zich evenwel met zijne zuster achter de boomen.

Eenige oogenblikken later bereikten vrouw Hansen en Sandgoïst de deur der herberg. Hij trad het eerst den drempel over en achter vrouw Hansen viel de deur dicht.

Beiden namen plaats in de groote zaal.

Toen naderden Joël en Hulda het huis, waarin de knorrige stem van Sandgoïst vernomen werd.

Zij bleven staan en luisterden.

Juist sprak vrouw Hansen, maar met eene smeekende stem.

»Kom, laat ons naar binnen gaan,” zei Joël.

En beiden, Hulda het hart vol weemoed, Joël bevende van ongeduld maar ook van toorn, traden de groote zaal binnen en sloten de deur zorgvuldig achter zich.

Sandgoïst zat in den grooten leuningstoel. Hij stond niet op, toen hij broeder en zuster bemerkte. Hij vergenoegde zich met het hoofd naar hen toe te keeren en hen over zijn bril heen aan te gluren.

»Dat is de bekoorlijke Hulda, als ik mij niet bedrieg,” zei hij.

De toon zijner stem klonk Joël onaangemaan in de ooren.

Vrouw Hansen stond bij het binnenkomen harer kinderen in eene nederige houding, die bovendien getuigde van vrees, voor dien man. Zij richtte zich evenwel dadelijk op en scheen door hunne komst zeer gedwarsboomd te zijn.

»En dat is zeker haar broeder?” ging Sandgoïst voort.

»Ja, ik ben haar broeder,” zei Joël kortaf.

»Wat moet gij hier?” vroeg hij barsch, tot op twee passen van den leuningstoel genaderd.

Sandgoïst wierp hem een vertoornden blik toe en zonder op te staan, antwoordde hij met harde en boosaardig klinkende stem:

»Dat zal ik u mededeelen, jongmensch! Inderdaad, gij komt als geroepen. Ik was verlangend u te zien, en als uwe zuster een verstandig meisje is, zullen wij elkander wel verstaan en begrijpen. Maar komaan, ga zitten en gij ook, jonge dochter.”

Sandgoïst noodigde hen uit om plaats te nemen, alsof hij in die woning te Dal baas was. Joël kon niet nalaten er een woordje van te zeggen.

»He, he!” antwoordde Sandgoïst. »Hindert u dat? Drommels, ik geloof dat die jongen niet gemakkelijk is.”

»Neen, niet gemakkelijk, zooals gij zeer juist zegt,” hernam Joël. »Onthoud, dat ik iemand ben, die slechts beleefdheden aanneem van hen, die het recht hebben ze te bewijzen!”

»Joël,” riep vrouw Hansen uit.

»Broeder!.... broeder!” kreet Hulda, wier smeekende blik Joël tot zelfbeheersching aanmaande.

»Kan ik thans spreken?” vroeg Sandgoïst.

Vrouw Hansen keek hare kinderen even aan, daarna knikte zij toestemmend. Dat was het eenige antwoord, dat op de vraag gegeven werd. Maar, het scheen dat die knik voldoende was.

»Hoort dan wat ik u te zeggen heb,” ging de indringer voort, »en luistert alle drie aandachtig; want ik houd er niet van mijne woorden te herhalen!”

Dat alles werd gezegd op den toon van iemand, die het recht meent te hebben, zijnen wil aan zijne toehoorders op te dringen.

»Luistert gij?” vroeg hij.

Noch Joël, noch zijne zuster Hulda antwoordden. De moeder alleen knikte.

»Door de dagbladen,” ging Sandgoïst voort, »heb ik het wedervaren van een zekeren Ole Kamp, een jeugdig zeeman van Bergen vernomen, alsook die zotte geschiedenis van het loterijbriefje, dat hij aan zijne bruid Hulda toezond op het oogenblik toen de Viken zonk....”

Hulda opende den mond, alsof zij spreken wilde.

»Laat mij voortgaan,” zei de bullebak. »Ik heb ook vernomen, dat het publiek, dat wil zeggen de domme massa aan dat loterijbriefje eene bovennatuurlijke waarde hecht, die geput wordt uit de omstandigheden, waarin het gevonden en in uwe handen geraakt is....”

»Ter zake!... ter zake!....” riep Joël ontstuimig.

»Geduld! Geduld, jonge man!” ging Sandgoïst tartend langzaam voort. »Geduld!.... en hoor verder. Ik heb ook vernomen, dat aan dat loterijbriefje eene bijzondere waarde gehecht wordt met betrekking tot de kansen in de aanstaande trekking....”

»Ter zake!....” herhaalde Joël al meer en meer ongeduldig.

»Voor den drommel, houd uw mond! Wees gerust, ik kom ter zake.... Ik heb eindelijk vernomen, dat aanbiedingen aan Hulda Hansen, zelfs zeer hooge aanbiedingen gedaan zijn...”

Hij zweeg weer een poos, en hernam toen:

»Is dat waar?”

Het antwoord op die vraag liet zich wachten.

»Ja!.... Dat is waar,” zei Joël. »Wat verder?”

»Wat verder?....”

»Voor den duivel, ja, wat verder?”

»Luistert. Dat al die aanbiedingen op een dwazen grondslag steunen, is mijne innige overtuiging. Maar de geestdrift bestaat en zal nog aangroeien en dat te sterker, naarmate de trekkingsdag zal naderen. Zijt ge dat met mij eens of niet?....”

»Verder!.... verder!....” bromde Joël.

»Nu ben ik in de eerste plaats handelsman,” ging Sandgoïst voort. »Waar wat te verdienen valt, ben ik bij. Er bestaat geene zaak—geene! hoort ge—die ik niet voor mijne rekening zou durven nemen. Altijd, wel te verstaan, als er wat aan te verdienen valt....”

»Ga dan toch voort!” riep Joël. »Waartoe die omhaal van woorden?”

»Daarom,” vervolgde Sandgoïst tartend bedaard, »heb ik gisteren Drammen verlaten om mij naar Dal te begeven, met het doel, om met u over den afstand van dat loterijbriefje te onderhandelen en om vrouw Hansen te verzoeken mij de voorkeur boven alle mededingers te verleenen. Nu weet gij het!”

»Is dat alles?” vroeg Joël.

»Ja, dat is alles.”

Hulda was reeds op het punt aan Sandgoïst hetzelfde antwoord te geven, als op al de andere aanbiedingen van dien aard, hoewel het voorstel haar niet rechtstreeks gedaan was. Joël voorkwam haar evenwel.

Sandgoïst zat in den grooten leuningstoel. Blz. 150.
Sandgoïst zat in den grooten leuningstoel. Blz. 150.

Sandgoïst zat in den grooten leuningstoel. Blz. 150.

»Voordat ik mijnheer Sandgoïst antwoord,” zeide hij, »moet ik hem vragen, of hij wel weet, wie dat besproken loterijbriefje toebehoort?”

»Aan Hulda Hansen, naar ik meen.”

»Welnu, dan zult gij ook aan Hulda Hansen de vraag moeten richten, of zij genegen is daarvan afstand te doen.”

»Mijn zoon!....” riep vrouw Hansen uit.

»Laat mij voortgaan, moeder,” hernam Joël. »Behoorde dat loterijbriefje niet wettig aan onzen neef, den stuurman Ole Kamp.”

»Voorzeker,” antwoordde Sandgoïst.

»En had Ole Kamp,” vervolgde de jonge man, »het recht om dat briefje aan zijne bruid te vermaken?”

»Onbetwistbaar!” antwoordde Sandgoïst andermaal.

»Dan moet gij u, ik herhaal het, tot Hulda Hansen met uw verzoek wenden.”

»Welnu, het zij zoo, vormelijke mijnheer,” hernam Sandgoïst. »Ik vraag derhalve aan Hulda Hansen, om mij het loterijbriefje, dat het nummer 9672 voert, en afkomstig is van den stuurman Ole Kamp, die schipbreuk heeft geleden, af te staan.”

»Mijnheer Sandgoïst,” antwoordde het jonge meisje bedaard en op vasten toon, »vele aanbiedingen zijn mij reeds voor dat loterijbriefje gedaan, maar steeds tevergeefs. Ik zal u dan ook antwoorden, zooals ik tot heden geantwoord heb. Toen mijn verloofde dat briefje met zijn laatst vaarwel aan mij richtte, was zijne bedoeling, dat ik het zou houden, niet dat ik het zou verkoopen. Veroorloof mij dus, u als mijn onwrikbaar besluit mede te deelen, dat ik dat loterijbriefje, tegen geen prijs hoe groot ook, wil en zal afstaan. Verstaat gij?”

Hulda was bij die laatste woorden van haar stoel opgestaan om het vertrek te verlaten. Zij meende dat, na hetgeen zij gezegd had, het onderhoud door hare weigering als geëindigd kon beschouwd worden. Op een wenk van hare moeder bleef zij evenwel.

Eene beweging van wrevelige teleurstelling was aan vrouw Hansen ontsnapt, terwijl de rimpels op het voorhoofd van Sandgoïst duidelijk toonden, dat het in zijn binnenste begon te koken.

»Ja, blijf, Hulda,” zei hij. »Dat is uw laatste woord niet, hoop ik. En als ik verder aandring, dan geschiedt dat.... omdat ik het recht meen te hebben dat te doen....”

»Wat?” riep Joël. »Het recht!....”

»Laat mijnheer spreken,” zei Hulda waardig.

»Ik denk ten naasten bij,” ging Sandgoïst onverstoorbaar voort, »dat ik mij niet duidelijk uitgedrukt heb, of dat gijlieden mij verkeerd verstaan hebt....”

»Dat is niet wel mogelijk!” viel Joël hem in de rede.

»Maar laat mijnheer toch vervolgen, broeder,” vermaande Hulda.

»Zeker is het,” hernam Sandgoïst, »dat de kansen van dat loterijbriefje niet vermeerderd zijn, doordat de hand van een schipbreukeling het in eene flesch gedaan heeft, die in zee geworpen en op het goede oogenblik opgevischt werd. Maar, met de menigte valt niet te redeneeren. Het staat vast, dat op dit oogenblik zeer veel personen verlangen eigenaar van dat loterijbriefje te worden...”

»Dat is mogelijk,” zei Hulda, »maar....”

»Op uwe beurt, zuster,” hernam Joël, »laat mijnheer uitspreken.”

»Er zijn u verscheidene aanbiedingen gedaan, er zullen u nog meer gedaan worden,” vervolgde Sandgoïst. »Ik herhaal, dat ik daarin eene handelstransactie zie, en het is dan ook eene handelstransactie, die ik u voorstel.”

»Gij zult eenige moeite hebben, mijnheer Sandgoïst,” antwoordde Joël op spotachtigen toon, »om met mijne zuster tot overeenstemming te geraken.”

»Waarom dat?”

»Omdat, terwijl gij van handelstransactiën spreekt, de geheele geschiedenis voor haar eene gevoelszaak is.”

»Dat klinkt alles heel mooi, jonge man!” antwoordde Sandgoïst, »maar als ik u de zaak zal uiteengezet hebben, zult gij inzien, dat de afstand van dat loterijbriefje niet alleen voor mij, maar ook voor haar eene voordeelige zaak is. En... ik voeg er bij...”

»Wat?”

»Eene even voordeelige zaak voor vrouw Hansen, die er in het bijzonder in betrokken is.”

Hulda en Joël wisselden een blik met elkander, die zeggen wilde:

»Zouden wij thans vernemen, wat moeder ons tot heden verborgen heeft?”

»En,” hernam Sandgoïst.

»Wat hebt gij ons nog meer te zeggen?” vroeg Joël schier beangst.

»Ik zal er niet op staan, dat loterijbriefje over te nemen voor denzelfden prijs, dien het Ole Kamp gekost heeft. Neen!.... Te recht of ten onrechte, dwaas of verstandig, dat stukje papier vertegenwoordigt thans eene zekere handelswaarde.”

»O, mijnheer Sandgoïst!...” riep Hulda.

»Ik ben dan ook bereid,” ging hij voort, »om een zeker offer te brengen, ten einde er bezitter van te worden.”

»Men heeft u reeds gezegd,” antwoordde Joël, »dat Hulda aanbiedingen van de hand gewezen heeft, die alles te boven gaan, wat gij zoudt kunnen geven.”

»Zoo, waarlijk!” riep Sandgoïst uit. »Aanbiedingen, die te boven gaan, wat ik zou kunnen geven! Ei! Ei! Wat weet gij daarvan, mijn jonge vriend?”

»En al biedt ge ook schatten, mijne zuster weigert ze; en....”

»En, wat?....”

»En ik keur hare weigering goed!”

»Zoo, zoo!”

»Bevalt u dat niet?”

»Het mocht wat! Maar wij moeten duidelijk spreken. Met wien heb ik hier te doen?”

»Wat bedoelt gij met die vraag?”

»Heb ik met u of met Hulda Hansen, uwe zuster, te doen?”

»Met Hulda Hansen, natuurlijk, maar mijne zuster en ik denken in deze zaak eenstemmig. Als gij dat niet weet, mijnheer Sandgoïst, verneem het dan thans!”

Sandgoïst trok, zonder zich in het minst uit het veld te laten slaan, minachtend de schouders op.

Daarna hernam hij als iemand, die overtuigd is van de kracht zijner bewijsgronden:

»Toen ik van eene som sprak in ruil voor dat loterijbriefje, had ik moet zeggen, dat ik zulke voordeelige voorstellen te doen heb, dat Hulda die in het belang harer familie niet mag verwerpen.”

»Waarlijk?”

Hulda en Joël keken hunne moeder aan. Die stond daar, met neergeslagen blik, de armen over elkander, aan een marmeren beeld gelijk.

»En nu, mijn jongen,” ging Sandgoïst tergend voort, »laat mij u nu op mijne beurt zeggen, dat ik niet naar Dal gekomen ben, om uwe zuster te verzoeken mij dat loterijbriefje af te staan....”

»Niet?”

»Neen! Duizend duivels, neen!”

»Maar, wat vraagt gij dan?”

»Ik vraag niet!....”

»Niet?”

»Neen, ik eisch!.... ik wil!....”

»Wat durft ge zeggen!”

»Ja, ik eisch!.... ik wil dat loterijbriefje!”

»En welk recht hebt gij,” riep Joël Hansen vertoornd uit, »gij, die voor ons een vreemdeling zijt, zoo boud te spreken in het huis mijner moeder?”

»Het recht dat ieder man heeft,” antwoordde Sandgoïst, »om te spreken, wanneer hij verkiest en zooals hem behaagt, als hij zich in zijn eigen huis bevindt!”

»In zijn eigen huis, ellendeling!”

Joël, diep verontwaardigd, trad driftig op Sandgoïst toe, die, hoewel niet licht bevreesd te maken, toch uit den leuningstoel opgesprongen was en daarachter een schuilplaats gezocht had. Maar Hulda hield haren broeder tegen; terwijl vrouw Hansen, het gelaat in de handen verborgen, naar het andere einde van de zaal geweken was.

»Broeder Joël....” zei het jonge meisje. »Broeder, zie eens!”

Joël bleef plotseling staan. Een blik op zijne moeder had zijne woede als het ware verlamd.

Alles, haar snikken, haar wegkruipen, hare geheele houding in één woord duidde aan, hoezeer vrouw Hansen zich in de macht van dien ellendeling gevoelde.

Toen deze Joëls aarzeling ontwaarde, ging hij weer onbeschaamd in den leuningstoel zitten.

»Ja, in zijn eigen huis!” riep hij nog dreigender uit.

»Pas op!” prevelde Joël. »Terg mij niet!”

»Sedert den dood van haren man heeft vrouw Hansen zeer gevaarlijke speculatiën gewaagd, die alle mislukt zijn. Zij heeft daardoor het kleine vermogen, dat uw vader bij zijn dood nagelaten heeft, verloren. Toen heeft ze bij een bankier te Christiania geld gaan leenen, om haren hartstocht bot te vieren. Er rustte geen zegen op hare pogingen. Toen zij geen kans meer zag op een andere wijze aan geld te komen, bood zij dit huis tot onderpand voor eene som van vijftien duizend mark aan, die haar tegen een deugdelijk schuldbewijs uitbetaald werden. Dat schuldbewijs heb ik, Sandgoïst, van haren geldschieter overgenomen. Dit huis zal dus het mijne zijn en dat nog wel binnen zeer korten tijd, als ik op den vervaldag niet betaald word.”

»En wanneer is die vervaldag?” vroeg Joël.

»Op den 20sten Juli, dus over achttien dagen,” antwoordde Sandgoïst. »En dien dag, of u dat al dan niet zal aanstaan, zal ik hier te huis zijn!”

»Op dien dag zult gij hier eerst te huis wezen, wanneer gij vóór dien tijd niet afbetaald zult zijn!” riep Joël in de hevigste gemoedsbeweging uit. »Ik verbied u te spreken, zooals gij in tegenwoordigheid van mijne moeder en zuster deedt!”

»Hij verbiedt mij!....” grijnsde Sandgoïst tartend. »En zijne moeder verbiedt die mij ook?....”

»Maar spreek dan toch, moeder!” zei Joël, die op vrouw Hansen toetrad en hare handen van haar gelaat poogde te verwijderen.

»Joël!.... broeder!....” riep Hulda. »Heb toch medelijden met haar.... ik smeek u.... wees toch kalm!”

Vrouw Hansen stond daar nog altijd met gebogen hoofd. Zij durfde haren zoon niet aanzien.

Het was maar al te waar, dat zij eenige jaren na den dood van haren echtgenoot het gewaagd had, haar vermogen door zeer gevaarlijke speculatiën te vermeerderen. Het weinige geld, waarover zij beschikken kon, was spoedig verdwenen. Weldra had zij hare toevlucht moeten nemen tot verderfelijke leeningen. En eindelijk was zij er toe gekomen eene schuldbekentenis te onderteekenen, waarbij haar huis tot onderpand diende. En dat schuldbewijs was thans in handen van dien Sandgoïst van Drammen gekomen.

Die Sandgoïst was een man zonder hart, een bekende woekeraar, die door het geheele land berucht was en door iedereen verfoeid werd.

Vrouw Hansen had hem slechts eenmaal in haar leven gezien, namelijk den dag, toen hij naar Dal gekomen was, om de waarde der herberg te schatten.

Dat was dus het geheim, hetwelk zoo zwaar op die arme vrouw gedrukt had!

Daarin lag dus de reden harer eenzelvigheid, harer geheimhouding, harer afzondering, alsof zij zich voor hare kinderen had willen verbergen!

Daarom eindelijk had zij nimmer over hare zaken willen spreken met hen, wier toekomst zij zoo lichtzinnig in de waagschaal gesteld had!

Hulda durfde nauwelijks hare gedachten laten gaan over hetgeen zij gehoord had.

Ja, die Sandgoïst had wel de macht om zijn wil op te dringen.

Dat loterijbriefje, hetwelk hij heden wilde bezitten zou over veertien dagen geene waarde meer hebben, en.... wanneer zij het hem niet afstond, dan zou dat de ondergang harer familie zijn. Gaf zij niet toe, dan werd het huis, de aloude herberg van Dal verkocht. Dan zou de familie Hansen zonder huisvesting, zonder hulpmiddelen zijn.... Dat was dan de armoede en de ellende in alle hare naakte verschrikkelijkheid.

Hulda durfde Joël niet aanzien.

Maar, de jonge man, door drift vervoerd, wilde niets hooren van de dreigende toekomst. Hij zag slechts Sandgoïst voor zich, en als die man zich nog langer zou verstouten, om eene taal te voeren, zooals hij daar straks in zijne tegenwoordigheid had doen hooren, dan zou hij, de zoon der verdrukte weduwe, zijn toorn niet meer kunnen onderdrukken....

Sandgoïst evenwel, begrijpende dat hij meester van den toestand en dus van het geheele terrein was, werd hoe langer hoe meer verhard, terwijl zijn taal nog onbeschofter klonk.

»Ik wil dat loterijbriefje hebben, en ik zal het hebben! Hoort ge?” riep hij uit. »In ruil daarvoor bied ik een prijs, die wel aanneembaar zal zijn. Ik zal namelijk den vervaldag van den schuldbrief, door vrouw Hansen onderteekend, verschuiven, al was het voor een jaar.... al was het voor twee jaren! Het is mij om het even. Dat Hulda slechts den datum bepale!”

Het arme meisje stond daar met beklemd hart en zou geen enkel woord hebben kunnen uitbrengen. Haar broeder antwoordde evenwel in hare plaats:

»Mijne zuster wil het briefje van Ole Kamp niet verkoopen. In weerwil van uw opdringen en bedreigen weigert zij uw aanbod. Hebt ge verstaan?”

»Ja, zeker. Dat was duidelijk genoeg!”

»Welnu, maak dan dat ge de deur uitkomt!”

»De deur uit?” riep Sandgoïst verbaasd uit.

»Zeker, de deur uit!”

»De deur uit!”

»En spoedig ook, als gij niet wilt, dat ik u op minder aangename wijze een handje help!”

»De deur uit! Welnu, neen! Ik ga niet. Ik lach om uwe bedreigingen.”

»Pas op, Sandgoïst!”

»Tu, tu, tu,” antwoordde deze. »Als het bod niet hoog genoeg is, zal ik er wat bij doen. Ja, als gij mij dat loterijbriefje afstaat, bied ik u.... bied ik u....”

De man stotterde van opgewondenheid, waarlijk het verlangen om dat loterijbriefje te bezitten, moest wel groot zijn, hij moest wel degelijk overtuigd zijn, dat het hem winst zou opbrengen, dat hij zich zoover liet vervoeren. Hij ging bij de tafel zitten, waarop zich papier, pen en inkt bevonden, krabbelde een poos, en zei toen:

»Ziedaar wat ik bied!”

Het was de volle quitantie voor de som, die vrouw Hansen indertijd geleend had, en waarvoor zij het huis te Dal zoo onvoorzichtig verpand had.

Vrouw Hansen vouwde de handen samen, boog het hoofd diep ter aarde en keek hare dochter Hulda smeekend aan. Maar deze aarzelde en wist niet waartoe te besluiten.

»En nu,” riep Sandgoïst uit, »dat loterijbriefje, waar is het? Ik wil het hebben! Ha, ik wil..... het heden nog hebben... wat zeg ik? heden.... neen, dadelijk... Ik verlaat Dal niet zonder.... Hulda.... hoort ge?.... ik wil het hebben en zal het hebben!”

Sandgoïst naderde het arme meisje, alsof hij haar kleederen onderzoeken, alsof hij haar betasten wilde, om haar het loterijbriefje van Ole Kamp te ontrukken....

Dat was meer dan Joël in de gegeven omstandigheden verdragen kon, vooral toen hij zijne zuster Hulda hoorde roepen: »Joël!... Broeder!....”

»Zult gij het huis verlaten?” vroeg hij knarsetandende.

En toen Sandgoïst hardnekkig weigerde heen te gaan, zou hij hem zeker bij den kraag gepakt hebben, om hem buiten de deur te zetten, toen Hulda tusschenbeide trad.

»Hier, moeder, is het loterijbriefje!” zei ze.

Vrouw Hansen greep gretig het briefje, en terwijl zij het overhaast tegen de quitantie van Sandgoïst verruilde, viel Hulda schier in zwijm op den leuningstoel neer.

»Hulda!.... Hulda....” riep Joël uit. »Zuster! Sla toch uw oogen op.... O God! wat hebt gij gedaan?”

»Wat zij gedaan heeft?” antwoordde vrouw Hansen vrij heftig. »Wat zij gedaan heeft?.... Ja, zeker, ik ben zeer schuldig, dat beken ik! In het belang mijner kinderen heb ik het goed, hun door hun vader nagelaten, trachten te vermeerderen! Daarvoor heb ik hun geheele toekomst op het spel gezet! Ik heb ellende over dit huis gebracht!.... Maar Hulda heeft ons allen gered!.... Ziedaar, wat zij gedaan heeft!.... Zoudt gij haar dat willen verwijten?.... Neen, neen, dat mag niet.... Ik zeg haar daarvoor dank!.... Heb dank, Hulda, heb dank!....”

En de moeder wierp zich snikkende in de armen harer dochter, die haar in weerwil harer droefheid de handen met kinderlijke liefde kuste.

Sandgoïst keek dat tooneel met de grootste kalmte aan. Hij grinnikte van genoegen en betastte slechts zijn loterijbriefje met innig welgevallen.

Toen Joël, een oogenblik door de woorden zijner moeder afgeleid, hem nog ontwaarde, riep hij woedend uit:

»Gij... nog hier!... De deur uit, ellendeling!”

En toen deze volstrekt geen haast maakte, stapte hij op hem toe, greep hem bij de schouders, tilde hem op en wierp hem in weerwil van zijn tegenspartelen en van zijn geschreeuw, hardhandig de deur uit.

Dat had een kwartier vroeger moeten geschieden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings