V. HUWELIJKSVOORBEREIDSELEN.
Reading edition
Hulda was inderdaad zeer getroffen door de volharding, waarmede Ole Kamp steeds in zijn brieven sprak over dat vermogen, hetwelk hij bij zijn terugkeer rekende te verwerven of te vinden.
Waarop gronde die brave kerel zijn hoop? Daarvoor moesten toch redenen bestaan.
Hulda kon die niet raden en toch was zij uiterst verlangend om ze te weten te komen.
Dat verlangen zal haar voorzeker door den lezer vergeven worden, nietwaar? Want het was geene ijdele nieuwsgierigheid, die haar bezielde. Neen, waarachtig niet?
Dat geheim raakte haar toch ook wel ietwat. Niet dat zij eerzuchtig was, of naar aardsche goederen dorstte; neen, zij was een eerbaar en eenvoudig meisje, dat werkelijk bij hare jeugdige droomen hare gedachten nimmer door een zucht naar rijkdommen had laten afdwalen. De liefde van Ole Kamp was haar voldoende en zou haar steeds voldoende zijn. Wanneer zij ooit eenig vermogen mocht verwerven, dan zou zij daarover zoo'n bijster groote voldoening niet gevoelen. Verwierf zij het niet, och, dan zou het verdriet daarover wel te dragen zijn.
Zoo praatten Hulda en Joël Hansen hierover met elkander, daags nadat de laatste brief van Ole Kamp te Dal ontvangen was. Zij dachten over deze zaak, zoowel als over alle andere dingen op dezelfde wijze.
In den loop van dit gesprek tusschen broeder en zuster zei Joël:
»Neen, dat is niet mogelijk, zusjelief. Niet mogelijk, inderdaad. Gij verheelt mij iets. Het kan niet anders.”
»Ik!... iets verhelen?” vroeg het jonge meisje. »Hoe komt gij er toe? Handelde ik ooit zoo?”
»Neen, dat moet ik erkennen. En toch kan ik niet gelooven, dat Ole, uw bruidegom...”
»Nu, ga voort,” sprak Hulda gejaagd. »Waarom blijft gij steken? Ga voort!”
».... Dat Ole, uw bruidegom, u niet een klein beetje van zijn geheim zoude verteld hebben!”
»En toch zweer ik u....”
»Neen, zusjelief, zweer niet. Ziet, zoo iets is ongeloofelijk! Geheel onmogelijk!”
»Maar, Joël, heeft Ole jegens u een woord van zijn geheim gerept?” vroeg Hulda.
»Jegens mij?”
»Ja, jegens u.”
»Neen, dat heeft hij niet, dat moet ik erkennen.”
»Ziet ge wel?”
»Maar....”
»Maar wat?.... Kom zeg op, Joël.”
»Dat is niet hetzelfde, zusjelief.”
»Wat is niet hetzelfde, broertjelief?”
»Gij of ik. Gij kunt niet beweren, dat ik gij ben.”
»Jawel, jawel. Gij zijt mijn broeder en dat is hetzelfde,” betuigde Hulda ernstig.
»Het mocht wat!” lachte Joël vroolijk. »Gij moet toch erkennen, dat ik Ole's bruid niet ben.”
»Toch bijna,” sprak het jonge meisje, »want wanneer eenig ongeluk hem trof, wanneer hij van dezen zeetocht niet wederkeerde, zou die ramp u evenzeer als mij treffen, zoudt gij evenzeer als ik tranen storten. Is dat zoo niet?”
»Zusjelief,” antwoordde Joël Hansen, »ik verbied u bepaald dergelijke gedachten te koesteren! Wat... Ole Kamp niet terugkomen van zijn zeetocht!... En dat nog wel van zijn laatsten, die hij naar de vischwaters van New-Found-Land ondernomen heeft!... Het is onmogelijk, dat gij het ernstig meent, Hulda.”
»Voorzeker, hoop ik het tegendeel, Joël... En toch... hoe zulks te verklaren?... Ik kan zekere voorgevoelens niet van mij verbannen.... Ik kan niet beletten, dat schrikwekkende droomen mij des nachts bezoeken...”
»Droomen zijn slechts droomen, zusjelief!” troostte Joël het jonge meisje.
»Ongetwijfeld: droomen zijn slechts droomen;... maar van waar komen zij? Zeg mij dat.”
»Uit ons zelven en niet van boven. Gij koestert vrees, Hulda, en die vrees bevangt u ook gedurende uwen slaap. Zoo is het bovendien bijna altoos, wanneer men levendig naar iets of iemand verlangd heeft in dit ondermaansche en het oogenblik nadert, waarin onze verlangens voldaan zullen worden. Anders is het niet. Vat ge dat, zusjelief?”
»Ja, Joël, ik begrijp u, maar toch...”
»Waarlijk, ik dacht, dat mijne zuster koener was. Ja, koener en meer geestkracht had!... Wat drommel, gij hebt pas een brief ontvangen, waarin Ole schrijft, dat de Viken binnen een maand in de haven zal teruggekeerd zijn, en gij haalt u zulke muizenissen in het hoofd....”
»Neen, geen muizenissen in het hoofd, broeder Joël, maar.... zorgen in het hart!”
»Kom, laat ons eens uitrekenen. Den hoeveelsten hebben we heden?” vroeg Joël.
»Wij hebben reeds den 19den April,” antwoordde Hulda bekommerd.
»Welnu, dan zal Ole Kamp gevoegelijk tegen den 15den of 20sten Mei hier kunnen zijn.”
»Denkt ge?” vroeg het jonge meisje hoopvol.
»Ja, zeker; laat het eens den 22sten of 24sten worden.”
»God geve het!” sprak het meisje met een benauwden zucht. »God geve het!”
»En mij dunkt,” ging de jonkman voort, »dat het meer dan tijd is, om aan de voorbereidselen van het huwelijk te denken.”
»Meent gij dat, Joël?” vroeg het jonge meisje met een verlegen blosje op de wangen.
»Zeker meen ik dat, Hulda!” antwoordde Joël. »Ik ga zelfs van de meening uit, dat wij daarmede wellicht reeds te lang gewacht hebben. Denk er toch om, zusjelief, dat dit huwelijk een feest zal zijn, niet alleen voor Dal, maar ook voor al de naburige gaards. Ik zou gaarne hebben, dat de plechtigheid zeer indrukwekkend was, en ik wil alles daarvoor in gereedheid brengen.”
Hulda knikte toestemmend. Zij was te verlegen, om een woord te kunnen uiten.
Eene plechtigheid, als de onderwerpelijke, is inderdaad geene kleinigheid, zoowel in de landelijke gewesten van Noorwegen in het algemeen, als in de streken van de Telemarksche provincie in het bijzonder. Neen, zoo een feest mocht niet met stille trom gevierd worden.
Als een gevolg van het gesprek, dat Joël met zijne zuster gehad had, zocht hij thans een onderhoud met zijne moeder. Dat gelukte weinige oogenblikken, nadat vrouw Hansen zoo ontroerd was geworden door de ontmoeting met dien man, welke haar het aanstaande bezoek van mijnheer Sandgoïst van Drammen aangekondigd had.
Zij had daarna plaats genomen op haren leuningstoel in de groote zaal en zat daar nu geheel afgetrokken, terwijl zij haar spinnewiel werktuigelijk dreef.
Joël merkte wel op, dat zijne moeder er nog onrustiger uitzag dan gewoonlijk; maar daar zij steeds onveranderlijk antwoordde »dat haar niets scheelde,” wanneer men haar over hare afgetrokkenheid ondervroeg, zoo zweeg hij en wilde over niet anders spreken dan over het huwelijk van Hulda. Dat was trouwens de reden van zijne komst.
»Moeder,” zei hij, »gij weet het, dat Ole volgens zijn laatsten brief, dien wij ontvangen hebben, waarschijnlijk binnen weinige weken in het Telemarksche teruggekeerd zal zijn.”
Vrouw Hansen scheen niet te hooren, zoozeer was zij in gedachten verzonken.
»Hoort gij niet, moeder?” vroeg Joël.
De goede vrouw sloeg een blik op hem.
»Het is te wenschen,” antwoordde zij. »Ik hoop, dat Ole Kamp geene vertraging op zijne terugreis moge ondervinden.”
»Zijt gij van meening, dat er vertraging zou kunnen ontstaan?”
»Neen.... dat nu precies niet.”
»Zou er dan bezwaar tegen wezen, dat de dag van het huwelijk op den 25sten Mei vastgesteld wordt, moeder?”
»Geen, wanneer Hulda hare toestemming geeft. Die is toch vooraf noodzakelijk.”
»Die is reeds verworven, moeder, en nu wenschte ik u te vragen, of gij bij die gelegenheid de zaken goed wilt doen?”
»Wat verstaat gij »met de zaken goed te willen doen”?” antwoordde vrouw Hansen op die vraag, evenwel zonder haar oog van den vlasbol op haar spinnewiel af te wenden, of zonder het wiel te laten vertragen.
»Ik versta daaronder met uw welnemen, dat het vanzelf spreekt, moeder, dat de plechtigheid geheel en al overeenkomstig onzen stand in het baljuwschap moet gevierd worden. Wij zijn verplicht al onze kennissen op het feest te noodigen....”
»Maar, zal ons huis groot genoeg wezen, Joël?” vroeg vrouw Hansen.
»Als ons huis niet ruim genoeg is, dan zullen onze buren wel aanbieden, om de overschietenden te herbergen, nietwaar?”
»Maar, welke gasten zoudt gij dan verlangen?”
»Ik meen, dat wij alle onze vrienden en kennissen van Moel, van Tiness en van Bambel moeten uitnoodigen. Dat is mijne zaak en daar zal ik voor zorgen. Ik meen ook, dat de tegenwoordigheid van de heeren Gebroeders Help, de reeders te Bergen, zeer veel eer voor de familie zoude wezen.”
»De Gebroeders Help?....”
»Ja, moeder, en het zal goed wezen, dat wij hen noodigen, om den geheelen dag te Dal te komen doorbrengen.”
»Den geheelen dag?”
»Het zijn brave lieden, die veel van Ole Kamp houden,” antwoordde Joël.

Daar bezwoer Ole Kamp Hulda Hansen te zullen trouwen. Blz. 35.
»Maar, zullen zij de uitnoodiging aannemen?”
»Daar ben ik verzekerd van.”
»Is het inderdaad noodig,” vroeg vrouw Hansen verder, »dat dit huwelijk met zooveel omhaal en pracht gesloten wordt?”
»Zeker, moeder, is dat noodig,” antwoordde Joël Hansen met vuur en overtuiging.
»Maar waarom? Zeg mij, waarom?”
»Al ware het slechts in het belang van onze herberg, die zoover ik weet nog steeds sedert den dood van mijn vader door de bewoners en de vreemdelingen gewaardeerd wordt....”
»Zeker.... Joël, zeker!” beaamde de zorgzame Scandinavische huisvrouw.
»Is het nu niet onze plicht, die waardeering te rechtvaardigen door voor de herberg het aanzien te behouden, waarin zij aan ons achtergelaten werd....”
»Ja.... zoo beschouwd, Joël....”
»Het komt mij dus nuttig en doelmatig voor, om eenige bekendheid, eenige verbreiding aan het huwelijk mijner zuster Hulda te verleenen. Dunkt u dat ook niet?”
»Ja, Joël!”
»En nu de zaak van eenen anderen kant beschouwd, dunkt mij, dat het tijd is, dat Hulda een aanvang met hare voorbereidselen maakt, opdat van hare zijde geene vertraging moge ontstaan. Welnu, lieve moeder, zeg, wat antwoordt gij op mijn voorstel? Heb ik geen gelijk, en zie ik de zaken niet goed in?”
»Ja, Joël; en mijn antwoord luidt,” hernam vrouw Hansen, »dat Hulda en gij maar het noodige moet beredderen.”
Misschien zal bij den lezer het denkbeeld opkomen, dat Joël zich een weinig overhaastte, en dat het verstandiger geweest ware, om de terugkomst van Ole Kamp af te wachten, alvorens over te gaan tot de vaststelling van den dag van het huwelijk, en vooral alvorens de voorbereidselen tot die plechtigheid te beginnen te maken. Maar, zooals de goede jongen zeide: wat gedaan is, is gedaan, en behoeft niet meer ondernomen te worden. Dan nog kwam bij hem de overweging, dat Hulda verstrooiing zoude vinden, wanneer zij zich met de duizend kleinigheden bezighield, die voor zoo eene plechtigheid vereischt worden. Eene voorname zaak was het, dat zij niet overgelaten werd aan hare voorgevoelens, die daarenboven door niets gerechtvaardigd werden, en waarvoor het beste geneesmiddel was: slechts tijd te winnen.
Vooreerst moest er toch aan de bruidsjuffer gedacht worden. Doch daaromtrent was de zorg niet groot. De keus was reeds gedaan. Als zoodanig zoude optreden een beminnenwaardige juffrouw van Bambel, die de boezemvriendin van Hulda was. Haar vader, de pachter Helmboë, stond aan het hoofd van een der voornaamste gaards van de geheele provincie. Die brave en werkzame man was lang niet onbemiddeld. Al sedert langen tijd had hij het edelmoedig karakter van Joël Hansen leeren waardeeren, en wij voelen ons verplicht er bij te voegen, dat zijne dochter Siegfrid ten opzichte van den jonkman niet ongevoelig was gebleven, zoodat ook zij hem waardeerde, maar op geheel andere wijze als haar vader. Het was dus meer dan waarschijnlijk, dat Siegfrid, na Hulda tot bruidsjuffer gestrekt te hebben, dienzelfden dienst van de laatstgenoemde zoude ontvangen. Zoo geschiedt het althans in Noorwegen. Zelfs in de meeste gevallen is het liefelijke baantje van bruidsjuffer voor de getrouwde vrouwen weggelegd. In het onderhavige geval werd dus ten gunste van Joël van den algemeenen regel afgeweken, toen men het besluit nam, dat froken Siegfrid Helmboë moest optreden als bruidsjuffer van Hulda Hansen.
Een onuitputtelijk vraagstuk, zoowel voor de bruid zelve als voor de bruidsjuffer, was de behandeling van het toilet, dat zij op den dag der plechtigheid zouden dragen. En, inderdaad, dat zou overal eene gewichtige vraag zijn. Waarom dan niet in het eenvoudige Noorwegen?
Siegfrid Helmboë, eene allerliefste blondine van even achttien jaren oud, had bij zich zelve het vaste voornemen gevormd, om alles aan te wenden, dat zij er dien dag op het voordeeligst zou uitzien. Hulda had haar vriendin, om haar op de hoogte te brengen, natuurlijk een briefje geschreven, dat Joël even natuurlijk zelf aan de geadresseerde had willen overhandigen. Daarop had de lieve bruidsjuffer zich, dadelijk en zonder een oogenblik tijd te verliezen, aan het werk gezet, dat—ieder jong meisje zal dat moeten beamen—veel zorg en inspanning vereischte.
Het gold toch niets minder dan een zeker soort van keurslijf met regelmatige figuren geborduurd, dat zoodanig moest vervaardigd worden, dat het heerlijke middel van froken Siegfrid, als in een geëmailleerd hulsel omsloten, op zijn voordeeligst uitkwam. Ziet, bij de weelderige vormen van het lieve kind, bestond daarin eene groote moeielijkheid. Geen enkele plooi, geen enkele rimpel mocht toch de gladde oppervlakte van dat keurs ontsieren.
Dan was er ook sprake van een japon, die tot overtrek van een zeker aantal onderrokken moest dienen, welk aantal met Siegfrid's vermogen en stand in de maatschappij moest overeenkomen, zonder evenwel aan de bevalligheid van hare lieve persoon afbreuk te doen. Het was ook een zeer moeielijk vraagstuk, om de eischen van stand en deftigheid met die van goeden smaak en bevalligheid in overeenstemming te brengen.
Ook het kiezen der juweelen eischte bedachtzaamheid en eene hooge mate van kunstzin. Het gold toch vooral de keuze van het slot in het midden van het halssnoer, van zilverdraad vervaardigd, waarin fraaie paarlen gewerkt waren! De sloten, voor het keurslijf, die van verguld zilver of van schitterend gepolijst koper gemaakt moesten zijn, moesten uitgezocht worden, zoo ook de hartvormige oorhangers van beweeglijke schijfjes voorzien, de dubbele gouden knoopjes, die het hemdskraagje moesten sluiten, de ceintuur, die van wol of van roode zijde vervaardigd moest zijn, en waaraan vier rijen fijne kettinkjes bevestigd zijn, de ringen, met kleine eikels versierd, die met een welluidend geklingel tegen elkander tikken, de oorringen en oorbellen, die à jour gewerkt moesten zijn; in een woord, die geheele landelijke opschik, waarbij het goud slechts uit verguldsel, het zilver uit bladmetaal, het relief slechts uit geslagen werk bestaat, waarbij de paarlen slechts door geblazen glas en de diamanten door geslepen kristal vertegenwoordigd worden! Maar, al was dat zoo, zoo moest toch gezorgd worden, dat het oog op een bevallig en aangenaam geheel rustte.
Om daartoe te geraken, aarzelde Siegfrid geen oogenblik, om de rijk voorziene magazijnen van den heer Benett te Christiana te bezoeken, ten einde daar hare inkoopen te doen.
Haar vader belette haar dat niet. Integendeel! De brave man liet zijne dochter in den regel doen, wat zij verkoos, en Siegfrid was daarenboven verstandig genoeg, om daarvan geen misbruik te maken, door de vaderlijke beurs te erg aan te spreken. Wat evenwel het zwaarste bij het onderhavige geval gold, was dat Joël haar op dien dag het mooiste meisje van het geheele Telemarksche zoude vinden. Wist Siegfrid Helmboë, dat dit ook zonder opschik zoude geschieden?
Met betrekking tot Hulda was het toiletvraagstuk niet minder gewichtig. Want de mode is onverbiddelijk en veroorzaakt vele zorgen aan de lieve meisjes, wanneer zij voor hunnen bruidstooi te zorgen hebben.
Hulda zou bij haar huwelijk eindelijk de lange met vele linten versierde vlechten, die van onder haar meisjesmutsje ontsnapten, moeten vaarwel zeggen, zoo ook haar breeden gordel, die met grooten gesp gesloten werd en bestemd was om haar boezelaar op haar purperrooden japon te bevestigen. Zij zou dan ook het verlovingskraagje moeten afleggen, dat Ole Kamp haar bij zijn vertrek naar New-Found-Land geschonken had, zoo ook de cordon, waaraan die kleine zakjes van geborduurd leder bengelen, en waarin de kortgesteelde zilveren lepel, de stalen vork, het mes met elpenbeenen hecht, de bevallige naaldenkoker—allemaal voorwerpen, die door de getrouwde vrouw bij het vervullen van hare huishoudelijke plichten voortdurend gebezigd worden—geborgen zijn.
Het is evenwel te betwijfelen, of het jonge meisje bij haren overgang tot den huwelijken staat, dien jongemeisjestooi wel erg betreuren zou. De Noorweegsche schoonen zijn op dat punt met die van het overige gedeelte der aarde vrij wel gelijk te stellen.
Maar, om het even, wat daaromtrent hare meening ook mocht zijn, op den aanstaanden bruiloftsdag zoude Hulda's haardos vrij en ongedwongen over hare schouders golven, en die was inderdaad zoo weelderig, dat het niet noodig zoude zijn, er valsche vlasbundels onder te mengen, hetgeen toch zoo veelvuldig door de Noorweegsche vrouwen, die over het algemeen niet met een goedgevulden haartooi begiftigd zijn, gedaan wordt. Neen, zij zou niet met geleende veêren behoeven te pronken!
Wat hare kleeding en hare juweelen betreft, och, die baarden haar weinig zorg. Zij had immers slechts te putten uit den voorraad harer moeder. De hoofdbestanddeelen van het bruidstoilet worden toch in de Noorweegsche familiën van geslacht tot geslacht zorgvuldig bewaard en aan elkander overgegeven, hetgeen, dat moet bekend worden, een aandoenlijk gebruik is.
Zoo zou men bij dat huwelijk weer te voorschijn brengen, het met goud geborduurde keurslijf, den fluweelen gordel, den van effen of veelkleurige zijde vervaardigden japon, de wadmel-kousen, de gouden halsketen en de kroon—de beroemde Scandinavische kroon,—die gewoonlijk in de kast, waarop het beste slot zit, opgeborgen wordt. Die kroon vertegenwoordigt geene groote waarde, zooals men meenen zou. Neen, zij bestaat slechts uit zwaar verguld bordpapier, dat kunstig in reliefwerk geperst, met sterren als bezaaid, en verder met frisch loofwerk versierd is. Zij vervangt in Noorwegen den krans van oranjebloesem, die het hoofd der bruiden in andere landen tooit, is betrekkelijk smaakvoller en zou met haren stralenkrans van uiterst fijn draadwerk, met hare klingelende hangers, met hare versiersels van gekleurd glas, op zeer bevallige wijze het fraaie voorhoofd en het gelaat van Hulda Hansen tooien.
De »gekroonde bruid”, zooals men zich in Noorwegen uitdrukt, zou haren echtgenoot alle eer aandoen.
Hij van zijn kant zou haar in zijn bruidegomspak in allen deele waardig zijn. Die kleeding bestond uit een korte jas met zilveren knoopen, die zeer dicht bij elkander geplaatst zijn, uit een stijf gesteven hemd met hoogstaande boorden, uit een gestreept vest, dat met figuren van zijden pletkoordjes versierd was, uit een nauwsluitende korte broek, boven de knie gesloten was met een bouquet van wolachtige kwastjes, uit een hoed van slap vilt, en uit geelkleurige stevels, terwijl om het middel de Scandinavische gordel met de »dolknif”, zonder hetwelk zich geen rechtgeaard Noorweger ooit vertoont, in eene lederen scheede, bevestigd was.
Van alle kanten dus had men genoeg te stellen en te zorgen voor bijzonderheden, die nauwlettend behandeld moesten worden. Waarlijk, daartoe waren de weinige weken, die nog beschikbaar waren, ternauwernood voldoende, wilde men voor de terugkomst van Ole Kamp met alles in gereedheid zijn. Maar, wat te doen, wanneer onze zeeman vroeger thuis kwam, dan hij verwacht werd? Hulda zou dan voorzeker met hare voorbereidselen niet gereed zijn. Toch zou het lieve meisje er zich niet over beklagen, en, zooals iedereen wel begrijpen zal, Ole Kamp nog minder. Integendeel, dat zou voor beide partijen eene aangename verrassing zijn.
Met het maken van die beschikkingen voor het huwelijk gingen de laatste weken van April en de eerste van Mei voorbij.
Joël van zijn kant had zich ijverig onledig gehouden met in persoon de uitnoodigingen tot de plechtigheid over te brengen, en kon dat in gemoede uitvoeren, omdat zijne betrekking van ginds hem in die dagen een tijd van rust gunde. Men maakte zelfs de opmerking, dat hij zeer veel vrienden te Bambel moest hebben; want hij ging er zeer dikwijls heen. Wij kennen evenwel de beweegreden, de magneet, die hem naar dat Noorweegsche dorpje trok; namelijk de schoone oogen van Siegfrid. De brave jongen was nog niet naar Bergen gereisd, om de Gebroeders Help uit te noodigen; maar hij had hen toch geschreven. En, zooals hij terecht gegist had, hadden de waardige reeders de uitnoodiging, om het huwelijk van Ole Kamp, den eersten stuurman van de Viken, met hunne tegenwoordigheid te vereeren, met de grootste hartelijkheid aangenomen.
Intusschen was, hoe traag ook de tijd verliep, toch de 15de Mei genaderd.
»Eindelijk! Eindelijk!” had de lieve Hulda Hansen in zich zelve gepreveld.
Iederen dag kon men de aankomst van Ole Kamp verwachten. Ieder uur kon het schouwspel opleveren, hem uit zijn karretje te zien springen, hem de deur te zien openen, en hem met zijne zoo opgeruimde stem te hooren uitroepen:
»Hier ben ik, mijne dierbare Hulda!.... Ja, hier ben ik! Hier ben ik!”
Er behoefde slechts nog wat geduld geoefend te worden. Niets meer dan dat. En, hoewel noode, dat zou niet ontbreken.
Alles en allen waren intusschen klaar, ook de lieve Siegfrid, die slechts op een teeken wachtte, om dadelijk feestelijk uitgedost en in haren fraaisten opschik te verschijnen.
De 16de was daar; maar Ole Kamp verscheen niet. Hij zou waarschijnlijk den volgenden dag komen.
Maar ook de 17de ging voorbij, zonder dat de zeeman aangekomen was. Men begon ongerust te worden.
Ook de 18de bracht geene uitkomst. Zelfs kwam geen brief van New-Found-Land aan!
»Dat moet je niet te zeer verwonderen, zusjelief,” herhaalde Joël telkenmale, ja voortdurend. »Een zeilschip kan tegenspoed, kan vertraging ondervinden. De afstand van Saint Pierre Miquelon tot Bergen is lang en de overtocht lang niet gemakkelijk. O, ware de Viken een stoomschip en ware ik de machinist aan boord! Wat zou ik mijn stoomwerktuig aanzetten! Hoe zou ik het vaartuig tegen wind en getij injagen; al moest de ketel ook bij aankomst in de haven uit elkander springen! Gij zoudt eens zien, hoe het dan in zijn werk zoude gaan! Vooruit!... Vooruit!...”
Hij zeide dat alles met goede bedoeling natuurlijk; want duidelijk zag hij Hulda's ongerustheid iederen dag klimmen.
En daar was wel reden voor. Want, inderdaad, er heerschte in die dagen veel slecht weder in de Telemarksche streken. Hevige windvlagen gierden en huilden over de hoogvlakten der fjelds en die windvlagen, die uit het westen bliezen en de muren deden schudden, de daken kraken, de ruiten der ramen rinkelen, kwamen helaas! uit Amerika.
»Die winden komen toch uit den goeden hoek,” herhaalde het jonge meisje voortdurend, »en moeten dus de vaart van de Viken bevorderen. Is dat niet zoo, broeder Joël?”
»Ongetwijfeld, zusjelief,” antwoordde Joël Hansen. »Maar, als ze te hard blazen, als ze tot storm aangroeien, dan zijn ze nadeelig; want dan moet het schip zeil minderen, dan loopt het soms voor top en takel, en maakt dan niet veel vaart; wakkert de wind nog meer aan, dan moet het schip bijleggen, om den orkaan het hoofd te kunnen bieden, en dan vordert het in het geheel niet. Het ligt dan maar met den kop op de golf op en neer te stampen.”
»In het geheel niet?” vroeg Hulda ten uiterste ontsteld. »O, met dit weer zal de Viken....”
»Ja, lieve Hulda, op zee kan men niet altijd doen, wat men wil...”
»Dat schijnt wel zoo te zijn. Goddank, dat Ole het zeevaren vaarwel zal zeggen!”
»Daarin stem ik met u overeen. Daarover ben ik ook zeer verheugd. Een teeken, dat de goede jongen u liefheeft.”
»Maar.... gij zijt dus niet ongerust over dat uitblijven, Joël?”
»Volstrekt niet, zusjelief. Waarom zou ik mij verontrusten? Zeg Hulda?”
»Och, ik wilde, dat ik uwe gemoedsstemming konde deelen!” sprak het meisje met een diepen zucht.
»Er valt geen onrust te koesteren. Ja, de vertraging is betreurenswaardig; maar zij is niets meer of minder dan natuurlijk. Neen! Ik ben niet ongerust, om de eenvoudige reden, dat er geen reden hoegenaamd toe bestaat. Wees dus kalm!”
Op den 19den kwam een reiziger in de herberg te Dal aan, die een gids noodig had. Hij moest tot op de grens van de Hardanger provincie gebracht worden. Men had dus een belangrijk gedeelte van het Telemarksche gebergte te doorworstelen. Hoewel het Joël niet aanstond, zijn zuster Hulda in deze omstandigheden aan zich zelve over te laten, kon hij onmogelijk den gevergden dienst weigeren. Hij zou hoogstens tweemaal vier en twintig uren afwezig zijn en hoopte dat hij bij zijne terugkomst Ole Kamp zoude aantreffen. Volgens hem kon dat bijna niet anders.
De waarheid was, dat de brave kerel op zijne beurt ook zeer ongerust begon te worden.
Hij vertrok dus den volgenden ochtend met een bezwaard hart en met looden schoenen.
Den daarop volgenden dag, zoo omstreeks een uur in den namiddag werd op de deur der herberg geklopt.
»Zou het Ole Kamp zijn?” riep Hulda uit. »Zou hij het eindelijk zijn? Dat geve God!”
Zij stond van haar stoel op, spoedde zich naar de deur en opende die haastig.
Voor den drempel bevond zich een man, die in een reismantel gewikkeld en in een gewoon karretje gezeten was. Zij bekeek hem aandachtig, zeer aandachtig zelfs. Maar zijn gelaat was haar onbekend.