XV. SYLVIUS HOG IN TWEESTRIJD.
Reading edition
Daags daarna keerde professor Sylvius Hog in het late avonduur te Dal terug.

Maar Hulda hield haar broeder tegen. Blz. 157.
Hij vertelde aan niemand iets van zijne reis, en niemand wist ook dat hij naar Bergen geweest was.
Zoolang de begonnen nasporingen tot geen resultaat geleid hadden, wilde hij ze voor de familie Hansen geheim houden. Brieven of telegrammen, hetzij van Bergen, hetzij van Christiania hem toegezonden, moesten hem dan ook persoonlijk in de herberg van Dal ter hand gesteld worden, waar hij de dingen, die komen zouden, wilde afwachten.
Hoopte hij steeds?
Ja zeker! maar waarheid is 't, dat die hoop geen enkelen redelijken grondslag bezat, en dat zij slechts als voorgevoel—zeker iets zeldzaams bij een professor—in zijn hart aanwezig was.
Zoodra hij terug was, kostte het Sylvius Hog niet veel moeite, om te bespeuren, dat er gedurende zijne afwezigheid gewichtige dingen voorgevallen waren. Zoowel Joëls uiterlijk als dat van Hulda gaven te kennen, dat het tusschen moeder en kinderen tot eene verklaring gekomen was.
Zou de familie Hansen weer een ongeluk getroffen hebben?
Die gedachte alleen bedroefde en verontrustte Sylvius Hog reeds. Hij gevoelde voor dien broeder en die zuster zulk eene innige, vaderlijke toegenegenheid, dat zij hem niet dierbaarder hadden kunnen zijn, als zij zijne eigen kinderen geweest waren!
Hoezeer had hij hen gedurende zijne korte afwezigheid gemist!—en hoezeer hadden zij waarschijnlijk naar hem verlangd!
»Zij zullen wel aan het praten geraken,” mompelde hij in zich zelven. »Zij moeten mij alles meedeelen! Behoor ik dan niet inderdaad tot de familie?”
Ja, Sylvius Hog meende het recht te bezitten, om te weten wat er in het hart zijner jeugdige vrienden omging, waarom Joël en Hulda Hansen er ongelukkiger uitzagen dan voor zijn vertrek naar Bergen.
Hij zou het weldra vernemen.
Waarlijk de beide jongelieden wenschten niets liever dan den waardigen man, dien zij met kinderlijke genegenheid beminden, in den arm te nemen en hun vertrouwen te schenken. Maar schuchter wachtten zij het oogenblik af dat hij hen zoude ondervragen.
Zij hadden zich sedert twee dagen zoo verlaten gevoeld, vooral omdat de professor hun niet medegedeeld had, waarheen hij reisde!
Nimmer hadden hun de uren zoolang toegeschenen!
Voor hen kon die afwezigheid geen betrekking op nasporingen naar de Viken hebben, en het kwam niet bij hen op, dat Sylvius Hog het doel van die reis voor hen geheim hield, om hun eene latere teleurstelling, wanneer de pogingen mislukten, te besparen.
En nu... nu... hoe zoude thans zijne tegenwoordigheid gewaardeerd worden, hoe dierbaar zou zij hun zijn!
O, zij hadden zoo groote behoefte, om zich onder zijne bescherming te stellen, om zijne raadgevingen in te winnen, om zijne steeds hartelijke en geruststellende stem te vernemen!
Maar zouden zij hem alles durven mededeelen wat tusschen hen en den woekeraar van Drammen voorgevallen was? Zouden zij durven belijden, op welke onverantwoordelijke wijze vrouw Hansen, hunne moeder toch, met hunne belangen, met hunne toekomst omgesprongen had?
Wat zal Sylvius Hog gaan denken, als hij vernemen zal, dat het loterijbriefje van Ole Kamp zich niet meer in handen van Hulda bevindt?
Wat, wanneer hij vernemen zal, dat vrouw Hansen het gebruikt heeft, om eene schuldbekentenis bij haren onverbiddelijken schuldeischer in te lossen?
De arme kinderen aarzelden. Toch zou de professor alles vernemen.
Wie geraakte het eerst aan het praten? Had Sylvius Hog de mededeeling uitgelokt? Of hadden Joël of Hulda het eerst den mond geopend, om de reeks van gebeurtenissen te beginnen? Wie zou het met volkomen zekerheid weten te zeggen? Zooveel is onbetwistbaar, dat de professor weldra op de hoogte van den stand van zaken was. Hij wist nu in welke verlegenheid vrouw Hansen en hare beide kinderen verkeerd hadden! Over veertien dagen zou de onmeedoogende woekeraar de ongelukkigen uit de herberg van Dal verjaagd hebben, als de schuld niet door den afstand van het loterijbriefje ware gedelgd geworden.
Sylvius Hog had dat treurige verhaal, dat hem door Joël Hansen in tegenwoordigheid zijner zuster Hulda gedaan was, nauwlettend aangehoord:
»Gij hadt dat loterijbriefje niet uit uwe handen moeten geven!” riep hij in de eerste opwelling zijner verontwaardiging uit: »Neen, dat hadt gij niet moeten doen!”
»Maar,.... kon ik dat weigeren, mijnheer Sylvius?” vroeg het jonge meisje met diep bewogen stem. »Zeg kon ik dat?”
De professor scheen na te denken, hij antwoordde althans niet terstond.
»Geloof mij, mijnheer Sylvius, dat kon, dat mocht ik niet,” ging Hulda voort.
»Gij hebt gelijk!.... Neen, dat mocht gij niet!.... Dat begrijp ik maar al te goed!.... En toch!....”
»Wat wilt gij zeggen?”
»Niets! Niets!.... O, als ik hier was geweest!”
Wat zou de waardige professor wel gedaan hebben, als hij aanwezig was geweest? Dat verzweeg hij voorzichtig; hij hernam met koortsachtige haast:
»Ja, waarde Hulda, ja Joël! Alles wel beschouwd, hebt gij gedaan, wat gij doen moest, hebt gij uwen plicht gedaan! Maar wat mij woedend maakt, is, dat het die inhalige Sandgoïst zal zijn, die met de bijgeloovige opgewondenheid van het publiek zijn voordeel zal doen! Nu men aan dat loterijbriefje van den armen Ole Kamp eene bovennatuurlijke waarde hecht, zal hij die gaan exploiteeren!”
»Natuurlijk,” zei Joël, »tenzij hij het briefje voor zich wenscht te behouden.”
»En toch,” ging de professor voort, »is het dwaas, ja belachelijk, te gelooven, dat dit nummer 9672 noodzakelijk door het lot begunstigd zal worden.”
»Maar, wat zoudt gij gedaan hebben, mijnheer Sylvius?” vroeg Hulda vertrouwelijk.
»Ik zou waarschijnlijk geweigerd hebben dat loterijbriefje af te staan.”
»Ook onder dezelfde omstandigheden?” vroeg Hulda dringend.
»Ja, ook onder dezelfde omstandigheden!” antwoordde Sylvius Hog. »Toen gij, lieve Hulda, geweigerd hadt, dat loterijbriefje aan Sandgoïst af te staan, had gij het niet aan uwe moeder moeten geven.”
De jongelieden wisten niet wat te antwoorden.
Toen zij het loterijbriefje aan hare moeder overreikte, gehoorzaamde Hulda aan een innerlijk gevoel, dat men niet kon afkeuren. Het offer, dat zij gebracht had, was niet het offer van de min of meer onzekere of liever wisselvallige kansen, die dat briefje bij de trekking der loterij te Christiania zoude aanbieden; neen, zij had het offer van den geschreven laatsten wil van Ole Kamp gebracht; zij had van de laatste herinnering aan haren bruidegom, van het laatste stuk, dat hij aangeraakt had, afstand gedaan.
Maar wat er thans aan te doen? Gedane zaken hebben geen keer in dit ondermaansche. Sandgoïst was bezitter van het bewuste loterijbriefje. Daarop kon niet meer teruggekomen worden. Het behoorde hem toe; hij zou het den meestbiedende verkoopen; de woekeraar zou munt slaan uit dat hartroerend afscheid door den schipbreukeling aan zijne bruid gericht!
Sylvius Hog kon er geen vrede mee hebben!
Dienzelfden dag zocht de professor een onderhoud met vrouw Hansen, hoewel hij vooruit wist, dat het geen verandering in den staat van zaken zou kunnen brengen. Maar hij oordeelde dit onderhoud noodzakelijk. Hij bespeurde daarbij al ras, dat hij zich tegenover eene zeer practische vrouw bevond, die meer naar de eischen van het gezond verstand dan naar de ingevingen van het hart luisterde.
»Gij keurt dus af, wat ik gedaan heb, mijnheer Hog?” vroeg zij, nadat zij den professor had laten uitspreken.
»Zeker, vrouw Hansen.”
»Als gij mij verwijt, dat ik mij op de onvoorzichtigste wijze in gevaarlijke, ja slechte zaken gestoken heb, dat ik daardoor het vermogen mijner kinderen verkwist heb, dan voorzeker hebt gij gelijk; maar....”
Sylvius Hog wilde haar hier in de rede vallen.
»Laat mij voortgaan, mijnheer,” sprak zij bedaard.... »maar als gij mocht afkeuren, dat ik gepoogd heb mijn schuldbewijs terug te krijgen op de u bekende wijze, dan hebt gij het niet bij het rechte eind—wat hebt gij daarop te antwoorden?”
»Eerlijk bekend; niets, vrouw Hansen.”
»Kon het bod van Sandgoïst ernstig van de hand gewezen worden, die toch, alles goed en wel beschouwd, een prijs van vijftienduizend mark betaald heeft voor den afstand van een loterijbriefje, welks waarde geen enkelen redelijken grond heeft. Ik vraag het u andermaal: moest dat bod geweigerd worden?”
»Ja en neen, vrouw Hansen.”
»Het antwoord op mijne vraag kan niet ja en neen zijn. Het moet of ja of neen zijn. En volgens mij moet het bepaald neen luiden. Bij een anderen stand van zaken, als de toekomst zich niet zoo dreigend had laten aanzien,—wat door mijne schuld, helaas! niet het geval was—zou ik de weigering mijner dochter Hulda begrepen hebben!.... Ja.... ik zou begrepen hebben, dat zij het van Ole Kamp ontvangen loterijbriefje, tegen geen prijs, hoe groot ook, van de hand wilde doen....”
»Zeker....”
»Maar, nu wij gevaar liepen om binnen zeer korten tijd uit het huis gezet te worden, waarin mijn echtgenoot, de vader mijner kinderen, gestorven is, uit het huis, waarin die kinderen geboren zijn, neen, nu begreep ik die weigering niet en.... ik ga een stap verder; nu vond ik, dat aarzeling zelfs ongeoorloofd was. En ik ben er verzekerd van, Mijnheer Hog, dat gij niet anders zoudt gehandeld hebben!”
»Zeker, vrouw Hansen, zeker, zou ik anders gehandeld hebben!”
»Maar, wat zoudt gij dan gedaan hebben?”
»Ik zou eerder alles gepoogd, alles ondernomen hebben, dan dat ik dat loterijbriefje, hetwelk mijne dochter onder zoo bijzondere en buitengewone omstandigheden ontvangen had, afgestaan zou hebben.”
»Gaven die bijzondere en buitengewone omstandigheden dan een grootere waarde aan dat loterijbriefje?”
»Dat weet gij noch ik. Dat weet niemand te zeggen.”
»Nu, dat weet ik wel te zeggen, mijnheer Hog.”
»Laat hooren, vrouw Hansen,” zei professor Sylvius Hog met een goedaardigen, doch wel ietwat spotachtigen glimlach.
»Dat loterijbriefje mijnheer Hog, vertegenwoordigt slechts een nummer, dat negenhonderd negen en negentig duizend negenhonderd negen en negentig kansen heeft om een niet of een kleine prijs te geven.”
»Ja, maar.... Luister dan toch!”
»Zoudt gij dat loterijbriefje nu meer waarde gaan toekennen,” ging vrouw Hansen onverstoorbaar voort, »omdat het in eene flesch gevonden werd, die in zee opgevischt is?”
Is het te verwonderen, dat professor Sylvius Hog niet dadelijk met een antwoord klaar was? Hij vond er dan ook niets anders op dan de gevoelszijde van het vraagstuk te behandelen. »De toestand is thans deze,” zei hij. »Ole Kamp heeft, toen hij op het punt was om schipbreuk te lijden, het eenige wat hij in deze wereld bezat, aan Hulda vermaakt. Hij heeft haar zelfs aanbevolen, om op den trekkingsdag bij het uitloten met dat briefje tegenwoordig te zijn; als namelijk een gelukkig toeval het haar in handen speelde. En.... thans bevindt zich dat loterijbriefje niet meer in het bezit van Hulda.... Hoe zal zij nu aan dien uitersten wil eens stervenden kunnen voldoen?”
»Wanneer Ole Kamp teruggekeerd was van zijne zeereis,” antwoordde vrouw Hansen, »zou hij in de gegeven omstandigheden, niet geaarzeld hebben, om zijn loterijbriefje aan Sandgoïst af te staan.”
»Dat is zeer goed mogelijk,” hernam Sylvius Hog, »maar hij alleen was rechtens bevoegd die wijziging in zijne wilsbeschikking te maken.”
»Tu, tu, tu! Hij is dood!”
»Maar, als hij eens niet dood was? Als hij nu eens niet bij die schipbreuk omgekomen was? De mogelijkheid bestaat toch, niet waar? En, wat zoudt gij ter uwer verdediging kunnen bijbrengen, wanneer Ole Kamp eens terugkwam.... morgen.... vandaag misschien?....”
»Ole Kamp zal niet terugkeeren,” antwoordde vrouw Hansen met doffe stem. »Ole Kamp is dood, mijnheer Hog! God zij zijner ziel genadig! Hij is goed en wel dood!”
»Daar weet gij niets van, vrouw Hansen!” riep de professor met een nadruk uit, die eene waarlijk buitengewone overtuiging te kennen gaf.
Vrouw Hansen keek hem met ontzetting aan; maar zij waagde het niet een enkel woord in het midden te brengen.
»Zeer ernstige nasporingen zijn thans begonnen,” ging professor Sylvius Hog voort, »om te onderzoeken of de een of ander van die schipbreuk gered is. Die nasporingen kunnen met welslagen bekroond worden....”
De waardin van de herberg te Dal glimlachte ongeloovig.
»Ik zeg u,” zei de professor met overtuiging, »dat die nasporingen met welslagen kunnen bekroond worden, en.... dat nog wel vóór den trekkingsdag der loterij! Gij hebt dus het recht niet te verzekeren, dat Ole Kamp dood is, althans zoolang niet het werkelijk of vermoedelijk bewijs geleverd is, dat onze stuurman bij de ramp van de Viken omgekomen is.”
»Maar, waarom hebt gij uwe overtuiging niet aan mijne kinderen meegedeeld?” vroeg vrouw Hansen vrij sluw.
»Waarom?.... Wel, omdat ik hen geen hoop wil doen koesteren, die door bittere teleurstelling zoude kunnen gevolgd worden. Uwe kinderen hebben meer dan genoeg geleden! Maar, aan u, vrouw Hansen, deel ik mee wat ik denk. Dat Ole Kamp dood zoude zijn, neen! dat kan ik niet gelooven; dat wil ik niet gelooven!.... Neen! dat geloof ik niet!”
Op dat terrein, waarop de professor de quaestie heel handig verplaatst had, kon hem vrouw Hansen onmogelijk het hoofd bieden. Zij zweeg dan ook wijselijk. Daarenboven was zij als echte Noorweegsche, wel ietwat bijgeloovig, en angstig boog zij het hoofd, alsof Ole Kamp op het punt was vóór haar te verschijnen.
»In ieder geval, vrouw Hansen,” hernam Sylvius Hog, »hadt gij, alvorens over het loterijbriefje van Hulda te beschikken, eene zeer eenvoudige zaak moeten doen, die gij nu nagelaten hebt.”
»Wat dan, mijnheer Hog?”
»Gij hadt u eerst tot uwe vrienden moeten wenden, tot de vrienden van uwe familie!”
»Wat zou dat gegeven hebben?”
»Zij zouden niet geaarzeld hebben u te hulp te komen, hetzij door bij dien Sandgoïst borg voor de betaling te blijven, hetzij door u de noodige fondsen voor te schieten, om die schuldbekentenis af te lossen.”
»Ik bezit geene vrienden, mijnheer Hog,” antwoordde vrouw Hansen teneergeslagen, »aan wie ik zoo'n dienst had kunnen of durven vragen.”
»Die bezit gij wel!”
»Daar twijfel ik aan!”
»Gij hebt er ten minste een, die niet geaarzeld en het uit dankbaarheid jegens uwe familie met genoegen gedaan zoude hebben.”
»Wie is dat, als ik u bidden mag?”
»Wie dat is?”
»Ja, wie is dat. Ik verlang hem te kennen.”
»Welnu, ik zal hem u noemen. Dat is professor Sylvius Hog, afgevaardigde bij de Storthing!”
Vrouw Hansen was zeer bewogen en daardoor niet in staat om te antwoorden. Zij kon niets anders doen dan het hoofd diep voor den professor buigen.
»Maar, wat gedaan is, is gedaan,” vervolgde Sylvius Hog, »en daaraan valt ongelukkig niets te veranderen. Laten wij ons gesprek dus afbreken. Maar ik zal u zeer verplicht zijn, vrouw Hansen,—gij zult bovendien begrijpen, dat mijn verzoek in het belang uwer kinderen geschiedt,—als gij dit onderhoud, waarop ik niet meer terugkomen wil, voor Hulda en Joël geheim zult houden.”
Beiden verlieten elkander.
De professor ging inmiddels zijn gewonen gang en deed dagelijks een flinke wandeling. Uren lang kuierde hij, nu eens met Joël, dan weer met Hulda, een anderen keer met beiden te zamen, in de omstreken van Dal rond. Was evenwel het jonge meisje van de partij, dan strekte men die wandelingen niet te ver uit, om haar niet te vermoeien.
In de herberg teruggekomen, hield hij zich dadelijk met zijn briefwisseling bezig. Hij schreef brief op brief naar Bergen en Christiania. Hij spoorde den ijver aan van allen, die medewerkten bij de nasporingen naar de Viken. Zijn geheele bestaan loste zich in die eene gedachte op:
»Ole Kamp moet weergevonden worden! Ole Kamp moet weergevonden worden!”
Hij achtte het zelfs noodig weer op reis te gaan, ongetwijfeld voor een doel, dat in nauw verband met die nasporingen stond, die van zooveel belang voor de familie Hansen waren. Maar, ouder gewoonte bewaarde hij een diep en onverbreekbaar stilzwijgen over hetgeen hij deed, en over hetgeen hij liet verrichten.
De geschokte gezondheid van Hulda Hansen herstelde langzaam. Het arme meisje leefde slechts in en door de herinnering aan Ole Kamp; terwijl de hoop, die, in weerwil van alles, haar nog niet geheel had begeven, van dag tot dag flauwer werd.
En toch had zij thans de twee wezens bij zich, die zij het meest liefhad op aarde, en waarvan de een niet ophield haar te troosten, op te beuren en aan te moedigen. Maar kon dat haar genoeg zijn?
Zou het niet noodig geweest zijn haar verstrooiing te verschaffen, wat het ook kosten mocht?
Maar, hoe het daarbij aan te leggen?
Hoe haar te ontrukken aan die gedachten, die hare geheele ziel vervulden, aan die herinneringen, die haar als met een ijzeren keten aan den schipbreukeling vastklonken?
Voorwaar, een moeilijke vraag, dat zal iedereen moeten erkennen.

Sylvius Hog had dat treurige verhaal nauwlettend aangehoord. Blz. 163.
Zoo bereikte men tusschen hoop en vrees den 12den Juli.
Over vier dagen zou de trekking plaats hebben van de loterij, die ten voordeele van de scholen te Christiania op touw gezet was.
Het zal wel niet behoeven vermeld te worden, dat de handelsspeculatie, door Sandgoïst ondernomen, ter kennisse van het publiek gebracht was. Door de bemoeiingen van dien woekeraar hadden de dagbladen aangekondigd, dat »het beroemd en door de Voorzienigheid tot een gelukkig lot bestempeld loterijbriefje”, dat het nummer 9672 voerde, thans in handen was van mijnheer Sandgoïst te Drammen, en dat dit loterijbriefje, hetwelk in het openbaar zou verkocht worden, aan den meestbiedende zou worden toegewezen.
Ook meldden de dagbladen dat de heer Sandgoïst van Drammen, om eigenaar van gezegd briefje te worden, er toe had moeten overgaan het zeer duur aan Hulda Hansen te betalen.
Iedereen begrijpt, dat die advertentie wel geschikt was om het jonge meisje aanmerkelijk in de algemeene achting te doen dalen.
Wat!... Hulda Hansen had zich door een hooge som laten bekoren en was er toe overgegaan, om het briefje van den schipbreukeling, de laatste gedachte van Ole Kamp, haren bruidegom, te verkoopen:
Zij had munt geslagen uit dat aandenken!
Maar een dagbladartikel, dat op het juiste oogenblik in het »Morgenblad” verscheen en door alle overige dagbladen overgenomen werd, stelde de lezers weldra op de hoogte van hetgeen voorgevallen was. Spoedig wist iedereen van welken aard de tusschenkomst van Sandgoïst geweest was, en op welke wijze het loterijbriefje in zijne handen geraakt was.
Toen werd de woekeraar van Drammen het voorwerp der algemeene verontwaardiging. Toen verhief zich een kreet tegen dien schuldeischer zonder hart, die er niet voor teruggedeinsd was om de rampen der familie Hansen ten zijnen voordeele te gebruiken.
En, nu de openbare meening behoorlijk ingelicht was, werden, alsof er eene samenspanning, een algemeene overeenkomst, eene soort verstandhouding bestond, de aanbiedingen aan Hulda Hansen voor het loterijbriefje gedaan, niet herhaald bij den nieuwen eigenaar. Het scheen, alsof dat briefje de vroegere bovennatuurlijke waarde niet meer bezat, en dat dit veroorzaakt werd door de besmetting, die het door de aanraking van de hand des woekeraars ondergaan had.
Sandgoïst had dus eene zeer slechte speculatie ondernomen, en het liet zich aanzien, dat het beroemde nummer 9672 voor zijne rekening zoude blijven.
Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat Hulda en zelfs Joël volstrekt niet op de hoogte waren van hetgeen geschreven en verteld werd. Gelukkig, niet waar?
Het zou hun toch zeer pijnlijk gevallen zijn, hunne namen gemengd te zien in eene zaak, die in handen van den woekeraar alleen een handelsspeculatie geworden was.
In den avond van den 12den Juli kwam er een brief, gericht aan het adres van professor Sylvius Hog.
Die brief, door het Ministerie van Marine afgezonden, bevatte een anderen, die van Christiansand gedagteekend was.
Christiansand is eene kleine havenplaats, aan den ingang van de baai van Christiania gelegen.
Die brief meldde waarschijnlijk niets bijzonders aan Sylvius Hog; want hij stak hem met de grootste onverschilligheid in den zak en sprak er noch tegen Hulda, noch tegen Joël over.
Maar toen hij zich later in den avond naar zijne kamer begaf, voegde hij aan zijn hartelijk »goedenavond” nog toe:
»Denkt er om, kinderen dat over drie dagen de loterij te Christiania getrokken wordt.”
»Wat zou dat, mijnheer Sylvius?” vroeg Joël.
»Gij gaat er toch stellig heen, niet waar?”
»Waartoe zou dat dienen, mijnheer Sylvius?” vroeg Hulda, op hare beurt hem met verwondering aanziende.
»Mij dunkt,” hernam de professor, »dat zulks moet geschieden. Ole Kamp heeft den wensch te kennen gegeven, dat gij bij de trekking tegenwoordig zoudt zijn....”
»Maar....” wilde Joël tegenwerpen.
»Hij beval het u uitdrukkelijk aan in de laatste regels, die hij schreef....”
»Ja wel, dat is waar; maar....”
»Volgens mijne meening,” ging professor Sylvius Hog onverstoorbaar voort, »zal de laatste wil van onzen armen Ole Kamp gehoorzaamd moeten worden.”
»Maar, professor....”
»Spreek op, Joël. Wat hebt gij nog te zeggen?” vroeg Sylvius Hog.
»Maar.... Hulda heeft dat loterijbriefje niet meer!”
»Welnu?”
»En, wie weet in welke handen het geraakt is?”
»Om 't even!” riep de professor uit.
»Wat, om het even? Wat bedoelt gij, mijnheer Sylvius?”
»Ik verzoek u, ik eisch desnoods van u, dat gij beiden mij naar Christiania vergezelt!”
»Als gij dat wilt....”
»Zeker, wil ik het!”
»Nu, dan zal het gebeuren,” antwoordde het jonge meisje.
»Luister, waarde Hulda. Eigenlijk ben ik het niet, die hier wil....”
»Maar, wie dan, mijnheer Sylvius?”
»Ole Kamp wil het,” antwoordde de professor. »En Ole Kamp moet gij gehoorzamen.”
»Zuster,” zei Joël Hansen, »mijnheer Sylvius heeft gelijk. Ja, het moet.”
En zich tot den professor wendende, ging hij voort:
»Wanneer denkt gij te vertrekken, mijnheer Sylvius? Ik doe die vraag, om alles in gereedheid te kunnen brengen.”
»Wat in gereedheid brengen?” zei de professor. »Weest niet ongerust. Ik heb voor alles gezorgd!”
»Voor alles?”
»Ja!”
»Maar dan dienen wij toch op de hoogte van het tijdstip van vertrek gebracht te worden voor onze zaken, mijnheer Sylvius,” drong Joël andermaal aan.
»Welnu, wees dan morgenochtend bij het krieken van den dag gereed!” zei Sylvius Hog.
»Morgen bij het krieken van den dag?”
»Ja, morgen bij het krieken van den dag. En dat Sint Olaf ons in zijne bescherming neme!”
»Dat Sint Olaf ons in zijne bescherming neme!” herhaalde Hulda, terwijl ze bij die aanroeping de handen vouwde.
»Dat Sint Olaf ons in zijne bescherming neme!” zei ook Joël op plechtigen toon.
»En laat ons nu voortmaken, broeder,” zei Hulda gejaagd. »Wij hebben geen oogenblik te verliezen, als wij met onze toebereidselen gereed willen zijn.”