← Table of contents
Het loterijbriefje

II. DE HERBERG VAN VROUW HANSEN.

Reading edition

Dal is een onaanzienlijk plaatsje en bestaat slechts uit eenige huizen, waarvan sommige langs den weg, die niet meer dan een voetpad genoemd mag worden, geschaard staan; terwijl de andere op de naburige berghellingen en nokken verrijzen. Zij staan alle met hun voorgevel naar het Vestfjorddal gekeerd, met hun achtergevel naar de heuvelenrij, die ten noorden den gezichteinder afsluit en aan welker voet de rivier de Maan stroomt. Het geheel van die gebouwen bij elkander beschouwd, zoude een der gewone gaards, zooals zij in dat land aangetroffen worden, vormen, wanneer het onder het bestuur van één landeigenaar of van een algemeenen pachter gestaan had. Maar kan de plaats geen aanspraak maken op den naam van gehucht, dan toch op dien van vlek. Eene kleine kapel, die in 1855 gebouwd werd en waarvan de gevel van vensters met kleine glasruiten voorzien is, verheft zijn kleinen vierkanten toren, die evenals het geheele gebouw uit een houten getimmerte bestaat, boven de loofkruinen der boomen. Hier en daar zijn over de beekjes, die zich naar de rivier spoeden, overlaten in ruitvormige bouworde, welker tusschenvakken met bemoste steenen aangevuld zijn, aangebracht. Iets verder wordt het geknars vernomen van een zeer oorspronkelijken houtzaagmolen, die door woeste bergstroomen in beweging gesteld wordt en een rad bezigt om de zaag op en neer te bewegen en een tweede om den te bewerken balk vooruit te brengen.

Op een korten afstand gezien, is het alsof èn de kapel, èn de houtzaagmolen, èn de huizen, èn de hutten, in een dicht waas gehuld zijn door het sombere groen der dennen en het nog minder levendige der berkeboomen, die zich, hetzij alleen staande, hetzij in groepen, van af de kronkelende oevers der Maan tot nabij de toppen van de hooge bergen van het Telemarksche op de hellingen verheffen. Het is alsof een groene wand dat bekken omgeeft, die de meest uiteenloopende schakeeringen vertoont.

Zoo is het vlek Dal, frisch en vroolijk met zijne schilderachtige woningen, welker buitengevels meestal met zachte kleuren prijken, zooals lichtgroen of zacht rose, maar waaronder er ook zijn, die met schelle kleuren, zooals met schitterend geel of vuurrood beschilderd zijn. De daken bestaan gewoonlijk uit berkenschors, en zijn met groene zoden belegd. Deze worden tegen den herfst behoorlijk gemaaid, en zijn in den regel met natuurlijke bloemen beplant, wat den prettigen en bevalligen aanblik nog verhoogt.

Dat alles stelt een heerlijk geheel daar, hetwelk het plaatsje tot een der bekoorlijkste plekken der aarde maakt. Om de lezers nu verder behoorlijk op de hoogte te brengen, moeten wij nog mededeelen, dat Dal in het Telemarksche gelegen is, dat het Telemarksche een onderdeel van Noorwegen uitmaakt en dat Noorwegen het Noordsche Zwitserland is, Zwitserland verrijkt met ettelijke duizenden fjords, die de zee veroorloven om diep het land in te dringen, aan den voet der bergen te komen brullen en breken, wanneer de westerstormen ontketend zijn en den Atlantischen Oceaan in beroering brengen.

Het Telemarksche is gelegen in dat gedeelte van de onmetelijke retortkolf, die Noorwegen tusschen de steden Bergen en Christiania vormt. Dat Baljuwschap, hetwelk een onderdeel van de provincie Batsberg is, bezit bergen en gletschers evenals Zwitserland; maar, daarom is het Zwitserland nog niet. Het heeft grootsche watervallen evenals Noord-Amerika; maar, daarom is het Noord-Amerika nog niet. Het kan op landschappen wijzen met geschilderde huizen en met bewoners, die van optochten houden in veelkleurige kleederdrachten, behoorende tot eene vroegere eeuw, evenals de inboorlingen van Nederland; maar, daarom is het Nederland nog niet. Het Telemarksche is meer en beter dan dat alles. Het is het Telemarksche, dat wil zeggen: eene wellicht eenige landstreek door de natuurlijke schoonheden, welke zij omvat. De schrijver dezer vertelling heeft het genoegen gehad haar te bezoeken. Hij heeft haar doorreisd, gezeten in een karretje, getrokken door paarden, die aan de bespanningsplaatsen verwisseld werden, wanneer er namelijk voorhanden waren. Hij heeft er zoo'n bekoorlijken en dichterlijken indruk van gekregen, de herinnering aan die lieve landstreek is hem zoo dierbaar geworden en zoo levendig bijgebleven, dat hij alles er voor geven wilde, wanneer hij dit verhaal met die herinnering als het ware kon doorweven.

In het jaar 1862, waarin deze geschiedenis plaats vond, werd Noorwegen nog niet doorsneden door de spoorbaan, die den reiziger thans veroorlooft om van Stockholm over Christiania naar Drontheim te stoomen. Thans bestaat er als het ware een onmetelijke rail-band, die de beide Scandinavische landen vereenigt, die daarom nog niet zeer geneigd zijn, om een gemeenschappelijk staatkundig leven te aanvaarden. Te veel uiteenloopende belangen scheiden die beide rijken, die toch eene geografische eenheid uitmaken.

Maar al reist de toerist ook sneller, gezeten in den waggon van die spoorbaan, dan wanneer hij van zoo'n karretje gebruik maakt, zoo moet als betreurenswaardige tegenstelling daarvan erkend worden, dat hij niets meer van de oorspronkelijke schoonheden van het land ontwaart. Hij mist het gezicht bij den doortocht van het zonderlinge kanaal van Gotha, in het Zuiden van Zweden gelegen, en waarop de stoombooten, van sluis tot sluis in de schutkolken opgeheven wordende, eene hoogte van driehonderd voeten overschrijden. Hij kan ophouden noch bij de watervallen van Trolletann, noch te Drammen, noch te Kongsberg, in één woord bij geen enkel der bewonderenswaardige natuurtafereelen van het Telemarksche. Het reizen met de spoorbaan geschiedt vlugger en gemakkelijker, maar heeft daardoor in Noorwegen evenals overal elders al zijn dichterlijkheid verloren.

In die dagen bestond de spoorwegbaan nog slechts op papier. Er moesten zeker nog ongeveer een twintigtal jaren voorbijsnellen, voordat men het Scandinavische rijk van de eene kuststreek naar de andere in veertig uren zou kunnen doortrekken, en voordat men naar de Noord-Kaap zou kunnen gaan, alwaar retourbiljetten voor het Beereneiland en voor Spitsbergen zouden kunnen genomen worden, met eene waarschijnlijke vertakking in de toekomst naar Nova Zembla.

Nu was Dal in die dagen—en het is te hopen, dat het dit nog lang moge blijven!—het centraalpunt, hetwelk de vreemde en Scandinavische toeristen aantrok. Deze laatsten bestonden voornamelijk uit studenten van Christiania. Vandaar konden zij uitstapjes maken door de geheele streek van het Telemarksche en het Hardangersche gebergte. Vandaar konden zij langs de vallei van het Vestfjorddal, tusschen de meren Mjös en Tin door, zich naar de bewonderenswaardige watervallen van de Rjukan begeven.

Het valt niet te ontkennen, dat er slechts ééne herberg in het vlek bestond, maar zij was wel de aantrekkelijkste, de best ingerichte die men wenschen kon, en ook wel de belangrijkste, daar zij vier vertrekken—bedenkt eens—ter beschikking van de reizigers had. En dat was, in één woord gezegd: de herberg van vrouw Hansen.

Langs de rooskleurige gevels, door een degelijk fondament van graniet voor het vocht van den bodem beveiligd, waren banken aangebracht. De balken en de vuren planken, die de muuromwanding uitmaakten, waren door den tijd zoo hard geworden, dat het staal eener bijlsnede er op omkrulde. De ruimte tusschen die nauwelijks vierkant bekapte balken, die horizontaals gewijs, den een op den anderen gestapeld waren, was dichtgemaakt of gebreeuwd met mos, vermengd met klei, zoodat zelfs de hevigste slagregen door de reten onmogelijk kon binnendringen.

Boven de vertrekken waren de plafonds in zwarte en roode tinten geschilderd, die bij de zachtere minder vroolijke kleuren der omwandingen vriendelijk afstaken. In een hoek van de zaal stond een groote cirkelvormige kachel, waarvan de pijp in den schoorsteen der keuken verliep. Hier prijkte de uurwerkkast, welks kunstig gemaakte wijzers over een geëmailleerde wijzerplaat voortgleden, terwijl de slinger iedere seconde zijn eentonig tik, tak, tik, tak liet vernemen. Daartegenover stond eene oude schrijftafel met oud geboend snijwerk versierd, daarnaast een zwaren massieven drievoet, die in ijzerkleur geschilderd was. Op een hoekplankje prijkte de traditioneele kandelaar van gebakken aardewerk, die in een drie-armige candelaber verandert, wanneer men hem omkeert. De fraaiste meubels van het geheele huis versierden deze zaal. Eene berkenhouten tafel met sierlijk gebeeldhouwd voetstuk; eene linnenkast met sluitwerk, dat geschiedkundige tafereelen voorstelde, en waarin de fraaie kleederen voor de zon- en feestdagen bestemd, gerangschikt lagen; een groote leuningstoel, hard en stijf als eene kerkbank; de stoelen in geschilderd hout; een boerachtig spinnewiel, in groene tinten opgeschilderd, die helder afstaken bij de roode japonnetjes der spinsters. Verder hier en daar een pot om de boter te bewaren, de tabakspot en de snuifrasp van gesneden been. Eindelijk bevond zich boven de deur, die toegang naar de keuken verleende, eene breede plankenstelling, waarop eene menigte koperen en tinnen keukengereedschappen, alsmede schotels en borden, zoowel van porselein en aardewerk als van hout, alle met levendige kleuren versierd, vroolijk ten toon gesteld waren. Verder bevonden zich daar ook nog op, een kleine ronde slijpsteen, die half verscholen lag in zijn overtrek, dat wel ietwat op een slakkenhuisje geleek, en een oude beker, die wel voor kelk had kunnen dienen. En welke liefelijke en leerrijke omwandingen omvatte die zaal. Zij bestonden uit gespannen tapijtwerk op linnen, dat onderwerpen uit den Bijbel voorstelde, die met de levendigste kleuren voorgesteld, maar daarom niet minder verdienstelijk waren.

De kamers, voor de reizigers bestemd, waren wel is waar eenvoudiger, maar boden toch ook alle gemakken aan. Zij waren ook netjes gemeubeld en blonken van zindelijkheid. Aan de vensters prijkten behalve heldere gordijnen ook festoenen van frisch groen, hetwelk van het zodendak afdaalde. De bedden met hunne sneeuwwitte lakens en hun verhemelte, waarop texten uit het Oude Testament met gele letters op een rooden grond gesteld waren, bestonden uit matrassen, die een frisch weefsel van »akloeda” tot beddetijk hadden.

Wij mogen ook niet vergeten, dat de vloerplanken, zoowel van de groote zaal als van de kamers gelijkvloers en op de eerste verdieping, bezaaid waren met kleine takjes van berken, dennen en jeneverboomen, welker bladeren het huis met hunne frissche en opwekkende geuren vervulden.

Zou er eene bekoorlijker posada in Italië of eene verlokkender fonda in Spanje te bedenken zijn?

Neen, waarlijk niet. En wat ook niet te versmaden was, de toeloop van Engelsche toeristen had er—althans in dien tijd—de prijzen nog niet zoodanig doen stijgen, als dat in Zwitserland het geval is.

Te Dal heerschte toen nog niet het pond sterling, het gouden pond, dat zoo spoedig de beurs des reizigers ontglipt. Neen, het grootste muntstuk was en is er nog de speciedaalder. Die is van zilver en heeft eene ietwat grootere waarde dan de Nederlandsche rijksdaalder. Maar het meest komen in aanmerking de onderdeelen van die munt, te weten de mark, die eene waarde vertegenwoordigt van een halven gulden en de koperen schelling, die niet met den Engelschen schelling mag verward worden; want vertegenwoordigt deze laatste eene waarde van zestig centen, gene staat slechts met een halven stuiver van onze munt gelijk. Ook werd er nog niet de pedante banknoot aangetroffen, waarvan de toeristen zoo veel gebruik en misbruik maken. Thans zijn er witte bankbiljetten van één, blauwe van vijf, gele van tien, groene van vijftig en roode van honderd speciedaalders in omloop. Bestonden er twee soorten meer, dan ware er een regenboog van te vervaardigen!

Van een zeer oorspronkelijken houtzaagmolen. Blz. 12.
Van een zeer oorspronkelijken houtzaagmolen. Blz. 12.

Van een zeer oorspronkelijken houtzaagmolen. Blz. 12.

Verder—wat in die gastvrije woning niet te versmaden was—moest, in tegenstelling van hetgeen elders in die Noordsche streken op te merken viel,—de voeding goed genoemd worden. En inderdaad het Telemarksche gewest rechtvaardigt volkomen zijne beruchtheid op dat gebied en zijn naam van Karnemelkland. In de bergkloven van Tiness, van Listhüs, van Tinoset en zoovele andere wordt nimmer brood aangetroffen of, bestaat het er, dan is het zoo slecht, dat het iederen vreemdeling geraden is, het te laten staan. Het is niet meer dan een haverkoek, die »flatbröd” geheeten wordt. Het is kurkdroog, zwartachtig en hard als een keisteen, in één woord een ruwe koek, die vervaardigd is van de binnenschors van den berk, die met mossoorten of met fijn gehakt stroo gemengd is. Zelden treft men in die streek eieren aan, tenzij de kippen acht dagen te voren gelegd hebben. Daarentegen heeft men overvloed van middelmatig bier, van zoete of zure karnemelk, en soms een weinig koffie, die evenwel zoo dik is, dat zij eerder op overgehaald roet gelijkt dan wel op het heerlijke aftreksel van de producten van Mokka, van Java, van Sumatra, van Bourbon of van Rio Nunez.

Bij vrouw Hansen waren daarentegen kelder en dispens behoorlijk voorzien. Wat kon ook zelfs de meest eischende toerist meer verlangen? Versche of wel gezouten of gerookte zalm, zoetwatervisschen uit de bergstroomen van het Telemarksche, die overheerlijk genoemd kunnen worden, gevogelte dat noch te taai, noch te mager was, eieren, goede versche eieren bij alle gerechten en sausen, fijne gebakjes van rogge- of gerstemeel, heerlijke vruchten, waaronder voornamelijk geurige aardbeien, heerlijk brood, lekker bier en flesschen met ouden Saint Julien, die tot in die verre streken den roem van den Franschen wijn staande hielden. Inderdaad, het was om van te watertanden.

De roep over de herberg te Dal was dan ook algemeen in die Noordsche streken.

Men kon dat daarenboven zien in het vreemdelingenboek met zijne geelgeworden bladen, waarin de reizigers gaarne naast hunnen naam een tevredenheidsbetuiging voor vrouw Hansen stelden. Voor het meerendeel waren dat Zweden of Noren van al de punten van Scandinavië daarheen getrokken.

De Engelschen verschijnen er evenwel ook reeds in grooten getale en een hunner, die gedurende een uur op den Goustaberg geduldig had zitten wachten, totdat diens top van de morgennevelen bevrijd zoude zijn, had met de gewone Britsche opgeblazenheid op een der bladzijden geschreven:

»Patientia omnia vincit” of: het geduld overwint alles. Geduld gedurende een uur! Het was om te lachen.

Ook hadden ettelijke Franschen daarin hunne naamteekening gezet. Een hunner, dien het beter is maar niet te noemen, veroorloofde zich achter zijn naam te zetten:

»Nous n'avons qu'à nous louer de la reception qu'on nous a »fait” dans cette auberge!”

Wij zullen dien man niet hard vallen om de taalfout, waaraan hij zich schuldig maakte. De volzin duidt op meer dankbaarheid dan wel op volledige kennis der Fransche taal. Maar in weerwil daarvan is hij eene goede getuigenis voor vrouw Hansen en voor hare dochter, de bekoorlijke Hulda van het Vestfjorddal.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings