← Table of contents
Het loterijbriefje

VI. DE VREEMDELING.

Reading edition

»Is het hier de herberg van vrouw Hansen?” vroeg de vreemdeling kortaf, zonder ook maar een gebaar om te groeten te maken, of een woord van wellevendheid te doen hooren.

»Ja, mijnheer,” antwoordde het jonge meisje met hare gewone voorkomendheid.

»En is vrouw Hansen te huis?” was de tweede vraag even nurksch geformuleerd.

»Neen....”

»Niet?” viel de vreemdeling Hulda met eene soort van teleurstelling in de reden.

»Neen, maar zij komt terug.”

»Weldra?”

Is het hier de herberg van vrouw Hansen? Blz. 48.
Is het hier de herberg van vrouw Hansen? Blz. 48.

Is het hier de herberg van vrouw Hansen? Blz. 48.

»Dadelijk,” antwoordde Hulda, »en als gij haar wilt spreken....”

»Ik?... In het geheel niet!” protesteerde de vreemdeling met eenige drift.

»Wat wilt gij dan?”... vroeg het meisje nogal verwonderd. »Wilt gij eene kamer?”

De man antwoordde niet dadelijk. Hij zat daar in zijn karretje, alsof hij in gedachten verzonken was. Hulda keek hem een oogenblik vragend aan. Zij scheen ietwat ongeduldig.

»Ja, geef mij de fraaiste kamer van het huis,” sprak de reiziger eindelijk.

»Zult gij ook bij ons eten?” vroeg het jonge meisje, terwijl zij de deur met uitnoodigend gebaar opende.

»Ja zeker; maar ik heb ergen honger. Zorg dus, dat het maal zoo spoedig mogelijk klaar zij, en vooral....”

»En vooral?”... vroeg Hulda, toen de vreemdeling, na een blik op het jonge meisje geworpen te hebben, aarzelde.

»En vooral discht op, wat gij het beste in uwe voorraadkamer hebt. Hebt ge begrepen?”

Dit was het gesprek, hetwelk tusschen Hulda Hansen en den vreemden reiziger gevoerd werd, voordat deze nog uit het wagentje gestapt was, hetwelk hem tot vervoermiddel gediend had, om dwars door de eeuwenoude wouden, langs de prachtige bergmeren en op en neer door de diep ingesneden dalen van midden-Noorwegen, de Telemarksche provincie te bereiken.

Wie kent het karretje niet, of beter genoemd de »kariol,” die door de Scandinaviërs boven ieder ander vervoermiddel verkozen wordt. Zij bestaat uit twee lemoenboomen, waar tusschen het paard, dat gewoonlijk sterk en zwaar geschoft is, eene geelachtige kleur heeft en overigens gestreept als een muilezel is, gespannen en door een eenvoudig koord, dat bij wijze van stang of trens niet in den mond maar dwars door een gat door de neus, gemend wordt. Verder bestaat het voertuig uit twee groote maar dunne wielen, welker as eene veelkleurige rijtuigkast, zonder veeren hoegenaamd, steunt, die slechts zoo breed is om ternauwernood eene persoon te kunnen bevatten. De »kariol” bezit geen overtrek of bedekking, geene slikborden, geen vaste of neerslaande trede. De skydskarl klimt achter op de rijtuigkast, waar te dien einde een plankje aangebracht is, waarop hij zoo goed en zoo kwaad als het gaat, kan zitten. Het geheel gelijkt wel eenigermate op eene onmetelijk groote spin, welker dubbelweb door de groote raderen van het toestel gevormd wordt. En met zoo'n oorspronkelijk vervoermiddel leggen de reizigers toch zonder veel moeite of inspanning afstanden van vijftien of twintig kilometers per dag af. Het is verbazend, en men zou het schier niet kunnen gelooven; toch is het zoo.

Op een teeken van den reiziger sprong de skydskarl van zijn plankje naar beneden, om het paard bij het bescheidene hoofdstel te grijpen en vast te houden, een voorzorgsmaatregel, die volmaakt overbodig kon geacht worden.

Toen stond de reiziger in de kariol op, schudde het stof van zijne kleederen, rekte armen en beenen uit, klom niet zonder inspanning, waardoor hij kregelig werd en binnensmonds onaangenaam knorde, uit den bak en sprong op den grond.

»Is het hier eene uitspanning, en kan de kariol hier onder dak gebracht worden?” vroeg hij op ruwen, onaangenamen toon, terwijl hij op den drempel der deur staan bleef.

»Zeker, mijnheer,” antwoordde Hulda Hansen zoo lieftallig als haar in de gegeven omstandigheden slechts mogelijk was.

»En kan het paard gedrenkt en gevoederd worden?” was de tweede vraag, op even norschen toon gedaan.

»Wees gerust, mijnheer, uw paard zal niets ontbreken,” antwoordde Hulda.

»Ja, dat wordt overal verzekerd en zelden gebeurt het,” gromde de vreemdeling bijna onverstaanbaar binnensmonds.

»Ik zal het naar den stal laten brengen, en gij kunt er op aan dat uwe bevelen stipt volvoerd zullen worden.”

»Welnu, dat men er goed voor zorge en dat het flinke dier niets ontbreke!”

Die woorden werden op bevelenden maar almede norschen toon uitgesproken.

»Het zal geschieden, zooals gij verlangt.—Maar.... mijnheer....”

»Maar wat?”

»Mag ik u vragen, of gij eenigen tijd te Dal denkt door te brengen?”

»Eenigen tijd? Dat is zoo rekbaar,” snauwde de vreemdeling tot antwoord.

»Bij voorbeeld eenige dagen?”... ging Hulda Hansen steeds vriendelijk en wellevend voort.

»Dat weet ik niet. Daaromtrent kan ik niets bepalen,” was het nurksche antwoord.

Het karretje en het paard werden in eene kleine loods onder dak gebracht, die op het erf zelf van de herberg, beschut door een paar boomen, aan den voet van het steil omhoog rijzende gebergte opgetrokken was. Dat was de eenige stalling en verspanning, die bij de herberg behoorde en in het dorp Dal bestond. Zij was evenwel volkomen toereikend voor de reizigers, die er verwacht konden worden.

De vreemdeling had een oogenblik later de beste kamer, zooals hij gevraagd had, betrokken.

Nadat hij zich van zijn mantel ontdaan had, ging hij bij het vuur, dat op zijn bevel van flinke, droge blokjes hout vroolijk gestookt was, zitten, en warmde zich terdege. Niet dat het zoo koud was in dit seizoen; maar urenlang in een open voertuig zitten, dat met flinke vaart den wind snijdt, kan iemand onaangenaam kil maken.

Intusschen beval Hulda, om dat nurksche karakter te gemoet te komen en te bevredigen, aan de piga om de meest mogelijke zorg aan het middagmaal te wijden. Die piga was eene stevige boerendeern uit den omtrek, die aan de inrichting onafscheidelijk verbonden, in het zomerseizoen in de keuken der herberg maar ook bij het grove werk hulp verleende.

De nieuw aangekomen reiziger was nog een stevig man, hoewel men wel merken kon, dat hij de zes kruisjes reeds achter den rug had. Hij was mager, had eene middelmatige gestalte, die door eene ietwat gebogene houding nog kleiner scheen, een beenderig en hoekig hoofd, een vaal, bleek gelaat, een spitsen neus, kleine roode oogen met scherp loerenden blik achter zijne groote brilleglazen, een voorhoofd, waarop zich maar al te vaak rimpels vertoonden, lippen die veel te dun waren, om ooit een goedig woord te laten ontsnappen, lange magere handen met haakvormige vingers—in één woord, het was het type van den woekeraar of den pandjeshuishouder.

Hulda had er als het ware een voorgevoel van, dat die reiziger niet veel geluk in de woning van hare moeder zou aanbrengen. Of dat voorgevoel bewaarheid zal worden? Dat zal het vervolg dezer geschiedenis leeren.

Dat hij een Noor was, stond ontwijfelbaar vast; hij vertegenwoordigde evenwel slechts de minder goede kenmerken van het Scandinavische ras. Dat was met één oogopslag door den scherpzienden opmerker te bespeuren.

Zijn reiskostuum bestond uit een hoed met lagen bol, maar met zeer breeden rand, uit een soort jas van wit- of liever grijsachtig laken, een vest, dat over de borst heen dichtgeknoopt werd, eene korte broek, die met lederen riempjes boven de knieën bevestigd was. Over dat alles had hij bij het binnenkomen een soort van bruinen mantel gehad, van binnen met schaapsvel gevoerd; eene uitmuntende voorzorg, want de avonden en nachten konden zeer koud zijn op de hoogvlakten en in de dalen der Telemarksche streken.

Wat den naam van den vreemdeling betrof, dien had Hulda niet gevraagd. Het kon evenwel volgens haar niet missen, of zij zou dien weldra vernemen, daar de nieuw aangekomene hem toch zelf in het vreemdelingen-boek van de herberg zou moeten neerschrijven. Dan zou hare nieuwsgierigheid, die zij echter zorgvuldig verborg, wel bevredigd worden.

Vrouw Hansen kwam op dit oogenblik van haar uitstapje in hare woning terug.

Hare dochter deelde haar mee dat een reiziger aangekomen was, die een goed middagmaal besteld en de fraaiste kamer gevraagd had. Op de vraag harer moeder of die reiziger lang te Dal zou vertoeven, moest Hulda antwoorden, dat zij zulks niet wist, dat hij daaromtrent het antwoord schuldig gebleven was, hoewel zij het hem bepaaldelijk gevraagd had.

»Heeft hij zijn naam niet medegedeeld?” vroeg vrouw Hansen nieuwsgierig.

»Neen, moeder.”

»En niet gezegd vanwaar hij kwam?”

»Ook dat niet, moeder,” antwoordde het meisje.

»Waarschijnlijk is het een toerist. Dunkt je niet?” vroeg de moeder. »Het is bepaald jammer, dat Joël niet terug is, om zich te zijner beschikking te kunnen stellen. Wat moeten wij doen, zeg, wanneer hij ons een gids vraagt? Dat zal een lastig geval zijn.”

»Ik geloof niet, dat het een toerist is, moeder,” antwoordde hare dochter. »Het komt mij voor, dat hij daartoe reeds te oud is.”

»Maar als het geen toerist is,” vroeg vrouw Hansen, »wat komt hij dan te Dal uitvoeren?”

De goede vrouw vroeg dat meer aan zich zelve, dan wel aan Hulda. Zij moest toch kunnen gissen, dat haar kind daarop niet antwoorden kon. Daarbij voelde zij zich onrustig en beklemd, wat in den toon harer stem merkbaar was.

Hulda antwoordde dan ook niet, om de zeer goede reden, dat de vreemdeling zich omtrent zijne voornemens niet uitgelaten had. Met hare moeder nam zij nu verder de zorgen voor het huishouden waar en bij die bezigheid vloog de tijd als het ware voorbij.

De reiziger trad een uur na zijne aankomst de groote zaal der herberg, die aan zijne kamer grensde, binnen. Toen hij vrouw Hansen gewaarwerd, bleef hij een oogenblik in de omlijsting der deur staan kijken.

Blijkbaar was hij even onbekend aan de waardin der herberg van Dal, als deze aan hem; evengoed een vreemdeling voor haar als voor hare dochter.

Hij trad op haar toe, na haar een poos over zijne brilleglazen heen aangekeken te hebben:

»Vrouw Hansen, niet waar?” vroeg hij, zonder dat hij in zijne lompheid er zelfs aan dacht, om zijn hoed met de hand aan te raken.

»Ja, mijnheer, die ben ik,” antwoordde de waardin van de herberg van Dal op beleefden toon.

Maar zij kreeg in de tegenwoordigheid van dien man hetzelfde gevoel als hare dochter ondervonden had, namelijk eene soort van verwarring, waarvan zij zich geen rekenschap wist te geven, maar die den vreemdeling niet ontgaan kon.

»Dus, gij zijt inderdaad vrouw Hansen van Dal?” herhaalde hij.

»Voorzeker, mijnheer,” antwoordde zij, »hebt gij mij iets mede te deelen?”

»In het geheel niet. Ik wenschte slechts in kennis met u te komen. En dat is natuurlijk, dunkt me. Ben ik niet uw gast? En nu de kennis gemaakt is, hoop ik, dat men mij zoo spoedig mogelijk iets te eten verschaffe. Ik heb sedert hedenochtend niets gehad, en ik erken het gaarne, ik heb niet alleen grooten eetlust, maar zelfs honger als een wolf.”

»Het middagmaal is klaar,” sprak Hulda. »Wees zoo goed, u naar de eetzaal te begeven.”

En tevens wees zij naar een belendend vertrek, waarvan de deur op een kier stond.

»Dat zal ik doen,” antwoordde de vreemdeling steeds norsch en onvriendelijk.

Daarop stapte hij met loomen tred naar de deur, die hem het jonge meisje gewezen had.

Een oogenblik later had hij aan eene kleine tafel, die netjes en zindelijk gedekt was en bij het raam stond, plaats genomen.

Het maal was ongetwijfeld goed, ja uitstekend te noemen. Geen toerist, zelfs de meesteischende, zou er iets op aan te merken hebben gehad. Intusschen kon onze kregelige vreemdeling zich niet weerhouden om zijne ontevredenheid door gebaren en dof gemompel te kennen te geven. Vooral waren die gebaren overvloedig, want spraakzaam scheen hij niet te zijn. Het mocht inderdaad als op te lossen raadsel gesteld worden, of zijne veeleischendheid geweten moest worden aan een bedorven maag, of aan zijn knorrig karakter? Noch vrouw Hansen noch Hulda konden daar bescheid op geven. Zij waren dan ook wanhopend.

De kersen- en klapbessensoep, hoewel zij voortreffelijk genoemd moest worden, beviel den gast maar half. Hij raakte de zalm en de gemarineerde haring ternauwernood met de lippen aan. Noch de rauwe ham, heerlijk in dunne schijven gesneden, noch een half hoen, dat zeer vet en zeer smakelijk gebraden was, konden genade in zijne oogen vinden, evenmin als de groenten, die toch uitmuntend toebereid waren. Hij toonde zich zelfs ontevreden over de flesch St. Julien en de halve flesch Champagne, die hij besteld had, en die toch klaarblijkelijk uitstekend waren. Kenners zouden naar waarheid hebben moeten getuigen, dat het producten van het zonnige Frankrijk waren en nog wel van de beste merken.

Een gevolg van dat alles was, dat de reiziger, toen hij zijn maaltijd geëindigd had, geen enkel »tack for mad” voor de waardin of hare lieve dochter overhad. Dat was de onbeleefdheid ten top voeren! Zoo iets was in het Telemarksche nimmer gezien.

De onwellevende vlegel stak na het diner zijne pijp op, stapte het huis uit en ging een wandeling langs de boorden der Maan-rivier maken.

Toen hij op den oever aangekomen was, maar toen eerst, keerde hij zich om.

Zijne oogen bleven onafgewend op de herberg gevestigd. Hij scheen haar van alle kanten te willen opnemen, zoowel hare verschillende buitenzijden, als hare doorsnede, haar grondvlak, hare hoogte, enz. Het was inderdaad, alsof hij in opdracht had de waarde er van te schatten. Hij telde de deuren, ja zelfs de vensters. Toen stapte hij op eenige balken, die bij de grondvesten van het huis horizontaal uitgestrekt lagen, en maakte er met de punt van zijn dolkmes eenige inkervingen in, alsof hij onderzoeken wilde, uit welke houtsoort zij bestonden en of zij nog behoorlijk gaaf waren, of dat er bederf aan te bespeuren was.

Wilde hij zich inderdaad overtuigen, hoeveel de herberg van vrouw Hansen waard was?

Was hij voornemens ze te koopen, hoewel zij niet in veiling aangeslagen was?

Zijne handelingen waren op zijn minst genomen vreemd te noemen, dat zal iedereen erkennen.

Nadat hij het huis met de meeste aandacht gadegeslagen had, kwam de beurt aan de kleine afgeschutte ruimte, die het erf van de woning vormde. Hij telde er aandachtig de boomen en de struiken van. Veel waren er niet, zoodat dit niet veel tijd wegnam.

Eindelijk mat hij twee der zijden van dat omheinde erf met landmeterspas op en teekende de uitkomst in zijn zakboekje aan. Uit de beweging van zijn potlood was op te merken, dat hij de beide gevonden grootheden met elkander vermenigvuldigde om de oppervlakte te berekenen. Dat was duidelijk genoeg. Lengte maal breedte gelijk aan vierkanten inhoud.

En bij al die verrichtingen schudde hij het hoofd, fronste de wenkbrauwen en hemde met gedempte stem, op afkeurenden toon. De schatting scheen hem tegen te vallen.

Vrouw Hansen en hare dochter Hulda sloegen den vreemdeling gedurende die bedrijven van achter de venstergordijnen van de groote zaal angstvallig gade.

Met welken zonderlingen kerel waren zij toch in aanraking gekomen?

Die vraag kwam voortdurend bij de beide vrouwen op. Inderdaad, zij betreurden, dat dit alles gedurende de afwezigheid van Joël plaats vond. Zij maakten zich zelfs ongerust, en, volgens haar, niet zonder reden, daar die reiziger den geheelen nacht in de herberg zoude doorbrengen. Het was waarlijk, zooals vrouw Hansen dat uitdrukte, om er kippenvel van te krijgen.

»Als het eens een krankzinnige was, moeder?” opperde Hulda vreesachtig.

»Een krankzinnige....” hernam vrouw Hansen. »Neen, dat is hij niet, dunkt mij.”

»Toch op zijn minst genomen: een zonderling,” vervolgde hare dochter.

»Ja, dat wel, dat moet ik erkennen; maar... och...” antwoordde de moeder aarzelend.

»Intusschen is het toch altijd netelig menschen in huis te ontvangen, die men niet kent.”

»Hulda,” antwoordde vrouw Hansen, »zorg dat het vreemdelingenboek, voordat die onbekende weer terugkomt, in zijne kamer gebracht zij. Zult ge?”

»Ja, moeder, wees gerust; ik zal er voor zorgen,” antwoordde het jonge meisje.

»Hij zal er waarschijnlijk toe overgaan, zijn naam daarin te schrijven.”

Hulda glimlachte ongeloovig, maar antwoordde niet.

Tegen acht uur was de nacht reeds ingetreden en de duisternis zoo zwart mogelijk. De lucht was dik bewolkt en een fijne regen begon te vallen, waardoor de geheele vallei als het ware in eene dikke nevelbank gehuld werd, die alles tot op de halve hoogte van de berghelling kletsnat maakte. Het weer was derhalve zoo ongunstig mogelijk tot het afleggen eener avondwandeling. De nieuwe gast van vrouw Hansen keerde dan ook, nadat hij het bergpad tot bij de houtzagerij gevolgd was, naar de herberg terug, alwaar hij een glaasje brandewijn vroeg. Hij dronk dat met kleine teugen leeg. Daarna nam hij den houten kandelaar, waarop de stearine-kaars ontstoken was, en begaf zich zonder een enkel woord te spreken, zonder iemand, wie ook, goedennacht gewenscht te hebben, naar zijne kamer, opende haar, trad binnen, sloot de deur en grendelde haar, waarna men hem gedurende den geheelen nacht niet meer hoorde.

Wat den skydskarl betrof, die had eenvoudig eene toevlucht gezocht onder het afdak der kleine loods. Daar had hij zich tusschen de disselboomen van de kariol uitgestrekt en was weldra in gezelschap van het geelachtige paard rustig ingeslapen, zonder zich om weer, wind of regen in het minst te bekommeren.

Den volgenden ochtend stonden vrouw Hansen en hare dochter Hulda bij het krieken van den dag op. Geen enkel geluid werd in de kamer van den reiziger, die waarschijnlijk nog sliep, vernomen.

Nadat hij zich van zijn mantel ontdaan had, ging hij bij het vuur zitten. Blz. 51.
Nadat hij zich van zijn mantel ontdaan had, ging hij bij het vuur zitten. Blz. 51.

Nadat hij zich van zijn mantel ontdaan had, ging hij bij het vuur zitten. Blz. 51.

Iets over negen uur trad hij de groote zaal binnen, met een gelaat nog norscher dan daags te voren. Hij begon dadelijk, zonder iemand met een groet te verwaardigen, te klagen over zijn bed, dat zoo hard was, en over het leven in huis, waardoor hij ontijdig vroeg gewekt was. Hij mompelde iets van beestenboel tusschen de tanden, tot groote verontwaardiging der vrouwen.

Daarna opende hij de deur en keek naar het uitspansel, dat er niets verkwikkelijk uitzag.

En inderdaad een scherpe wind gierde over de toppen van het Gousta-gebergte, geheel achter dikke dampen en wolken verborgen, en joeg huilend door het dal.

De reiziger waagde het niet, om naar buiten te treden; maar toch liet hij geen tijd verloren gaan. Terwijl hij zijne pijp rookte en dikke wolken uitblies, liep hij in de herberg rond en poogde de innerlijke gesteldheid van het gebouw op te nemen. Hij trad de verschillende vertrekken binnen, onderzocht het meubilair, opende de laden en kasten alsof dit vanzelf sprak en hij in zijn eigen huis was. Men zoude gezegd hebben, dat hij een rijks-taxateur was, die belast was met het gerechtelijk inventariseeren van een inboedel.

Het viel niet te ontkennen dat het gedrag van den vreemdeling niet alleen zonderling, maar bepaald verdacht was te noemen. De arme vrouwen wisten waarlijk niet meer, wat zij van hem denken moesten. Zij huiverden van angst.

Toen de man met zijn gesnuffel klaar was, keerde hij in de groote zaal terug en nam plaats in den kolossalen leuningstoel. Toen richtte hij kortaf en op ruwen toon eenige vragen tot vrouw Hansen:

Wanneer was de herberg gebouwd? En of zij het jaartal wist?

Was het haar man Harald, die de inrichting gebouwd had. Of had hij haar door overerving verkregen?

Waren reeds herstellingen noodig geweest? En zoo ja, welke?

Hoe groot was de omvang van het erf en van de soeter, die er bij behoorde?

Had de herberg eene goede klandisie en bracht zij veel op? Hoeveel wel per jaar?

Hoeveel toeristen kwamen er gemiddeld gedurende het zomerseizoen?

Waren er bij, die meer dan een dag in de inrichting doorbrachten? En op hoeveel van die soort kon men rekenen?

Daarbij bleef het evenwel niet. Hij deed nog meer vragen, te veel om alle mede te deelen.

Blijkbaar had de reiziger nog geen kennis genomen van het vreemdelingenboek, dat in zijne kamer op de tafel neergelegd was. Had hij dat toch gedaan, dan had hij zijne laatste vragen waarschijnlijk overbodig geacht.

Inderdaad het boek bevond zich nog op dezelfde plaats, waar Hulda het daags te voren had nedergelegd en de naam van den reiziger was er nog niet ingeschreven.

»Mijnheer,” zei vrouw Hansen toen, »ik vat volstrekt niet, waarom gij die vragen doet, en welk belang die zaken u kunnen inboezemen. Maar, wanneer gij daaromtrent inlichtingen wenscht te verwerven, dan bestaat daartoe een zeer gemakkelijk middel, namelijk het vreemdelingenboek te raadplegen. Ik moet u tevens verzoeken, om uw naam er in te schrijven. Dat wordt door de politie voorgeschreven en is een gebruik, dat...”

»Mijn naam?” vroeg de vreemdeling op uittartenden toon, terwijl hij onaangenaam glimlachte.

»Ja, uw naam!” antwoordde vrouw Hansen geërgerd en vrij bits.

»Ja wel,” hernam hij, »ik zal mijn naam invullen, vrouw Hansen, wees gerust.... Maar, ik zal dat eerst doen, wanneer ik afscheid van u nemen zal!”

»Moet uwe kamer voor u opengehouden worden?” vroeg de waardin.

»Dat is onnoodig,” antwoordde de reiziger, terwijl hij uit den leuningstoel opstond. »Ik wil dadelijk vertrekken na het ontbijt gebruikt te hebben, om morgenavond te Drammen terug te kunnen zijn.”

»Te Drammen?” hernam vrouw Hansen op vrij levendigen toon, terwijl zij den vreemdeling aankeek.

»Ja, te Drammen! Wat zou dat overigens? Maar ik wil geen tijd verliezen, laat derhalve het ontbijt brengen.”

»Woont gij te Drammen?” vroeg de waardin, die Hulda een wenk gaf, om dadelijk voor het ontbijt te zorgen.

»Ja, wat is daar bevreemdends in, dat ik te Drammen woon?”

Vrouw Hansen antwoordde op die vraag niet, maar staarde nadenkend voor zich.

Dus die reiziger keerde, na ternauwernood een dag te Dal, of liever in de herberg doorgebracht te hebben naar Drammen terug, zonder hoegenaamd iets van de landstreek gezien te hebben! Hij wenschte het baljuwschap niet verder in te trekken! Hij scheen zich niet in het minst om de Gousta-toppen, om de Rjukanfos-hellingen, om de wonderen van het Vestfjorddal te bekreunen!

Hij had dus Drammen niet voor zijn pleizier, maar voor zaken verlaten!

En.... hij scheen geen andere beweegreden gehad te hebben om hier te komen, dan om het huis en have en goed van vrouw Hansen zoo nauwkeurig mogelijk op te nemen!

Hulda zag wel, dat hare moeder zeer ontsteld was. Vrouw Hansen had plaats genomen in den grooten leuningstoel. Een oogenblik trachtte zij zich met spinnen te verstrooien; maar dat lukte niet. Zij stootte haar spinnewiel driftig achteruit en bleef bewegingloos zitten, zonder een enkel woord te spreken.

De reiziger was intusschen de eetzaal binnengetreden, waar hij aan de tafel plaats genomen had.

Hij scheen evenwel niet beter tevreden te zijn over het ontbijt, dat toch even zorgvuldig toebereid was als het middagmaal daags te voren. En toch at en dronk hij goed zonder zich evenwel daarbij te overhaasten. Hij liet niet na bij die gelegenheid zijne aandacht voornamelijk te vestigen op de waarde van het zilverwerk, eene weelde waarop de Noorweegsche landlieden zeer gesteld zijn. Bij zijn diner van den vorigen dag had hij waarschijnlijk die bijzonderheid uit het oog verloren. Nu woog hij op de hand de lepels en vorken, die op tafel lagen, en die van vader op zoon overgegaan, bij de familiejuweelen bewaard worden.

De skydskarl maakte zich intusschen onder de kleine loods tot vertrek gereed, en het sloeg elf uur, toen het paard en de kariol voor de deur der herberg klaarstonden.

De reiziger keek door het venster naar de lucht. Het weer zag er steeds somber uit. Dikke wolken bedekten den hemel en joegen, voortgedreven door een noordwestenwind, wild door het luchtruim. Soms kletterde eene regenvlaag tegen de ruiten der vensters, alsof iemand er vermaak in geschept had, met kracht handenvol erwten er tegen te werpen. De reiziger evenwel, stevig in zijn mantel gehuld, die, zooals men weet, behoorlijk met bont gevoerd was, scheen daar geen acht op te slaan of er zich ten minste niet aan te storen.

Toen hij met zijn ontbijt klaar was, verorberde hij als afzakkertje nog een glas brandewijn, stak zijne pijp aan, blies dikke wolken van tabaksrook uit en sloeg toen zijn mantel om. Daarna begaf hij zich naar de groote zaal en vroeg zijne rekening, steeds op onwellevenden ja schier onbeschoften toon, zoo ongewoon in die streken vooral.

»Ik zal haar opmaken,” antwoordde Hulda Hansen, die zich voor eene kleine schrijflessenaar wilde nederzetten.

»Haast maken daarbij!” zeide de reiziger steeds nurksch en onbehouwen.

»En...” ging hij voort, »geef mij ondertusschen het vreemdelingenboek, om mijn naam te kunnen invullen.”

Vrouw Hansen stond uit haren leuningstoel op, haalde het boek en legde het geopend op de groote tafel neder.

»Daar is het, mijnheer,” zei zij, terwijl zij naar het boek wees.

De reiziger greep eene pen, doopte haar in de inkt en keek nog eens over zijne brilleglazen heen naar vrouw Hansen. Na zoo een poos getuurd te hebben, bukte hij het hoofd, schreef zijn naam met dikke, vette letters in het boek en sloeg het zoo heftig dicht, dat het was of een pistoolschot weerklonk.

Hulda, die met de rekening klaar was, reikte hem die toen over.

Hij nam het papier aan, ging het opgeschrevene al knorrende woord voor woord na, en controleerde de optelling.

»Hm! hm!” zeide hij. »Dat is drommels duur. Zeven en een halve mark voor een enkelen nacht en twee maaltijden! Drommels duur, voorwaar!”

»Gij vergeet, dat de rekening ook het onderhoud van den skydskarl en het paard betreft,” merkte Hulda op.

»Kan niet schelen! Ik vind het duur. Als dat zoo gaat, en de menschen zoo gevild worden, dan verwondert het mij geenszins, dat hier in huis goede zaken gedreven worden!”

»Wat is er dan te duur gerekend?” vroeg Hulda rood van verlegenheid.

Maar, voor een antwoord op die vraag had kunnen volgen:

»Gij zijt niets verschuldigd, mijnheer,” klonk de stem van vrouw Hansen, evenwel zoo verlegen en zoo zacht, dat zij nauwelijks hoorbaar was. »Gij zijt ons niets verschuldigd?”

Zij had het vreemdelingenboek opengeslagen en den ingeschreven naam gelezen.

Nu trad zij naar voren, greep de rekening en verscheurde die, terwijl zij herhaalde:

»Gij zijt ons niets schuldig!”

»Dat is mijn meening ook!” antwoordde de reiziger droogweg en met een hatelijken glimlach op het gelaat.

En, zonder bij het heengaan eenig vaarwel te prevelen, evenmin als hij bij zijne aankomst beleefdheidshalve gegroet had, steeg hij in zijn kariol, terwijl de skydskarl achter op het plankje sprong. Hij liet de teugels schieten, gaf het paard een tik met de zweep, en was weldra bij een kromming van den weg uit het gezicht verdwenen.

Hulda sloeg toen het vreemdelingenboek nieuwsgierig open en keek.

Zij ontwaarde evenwel niets anders dan dien eenen naam, die daar met dikke letters gekrabbeld stond: »Sandgoïst, van Drammen.”

Noch betrekking, noch nationaliteit waren er bij vermeld, Hulda was er niet veel wijzer door.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings