← Table of contents
Het loterijbriefje

IV. DE VERLOVING.

Reading edition

Ole Kamp had sedert een jaar het land verlaten en die tijd was hem lang gevallen.

Zooals hij in zijn brief schreef, was de reis een zeer ruwe tocht, een ware wintertocht in de streken van New-Found-Land geweest. O, men verdient daar zijn geld niet zonder moeite, wel te verstaan, wanneer men het er nog maar verdient. Men ontmoet daar windvlagen, die de vaartuigen in volle zee dwars van die eilanden overvallen en in weinige uren eene geheele visschersvloot kunnen vernielen.

Maar, er is overvloed van visch op de bank van New-Found-Land, het krioelt daar en de scheepsbemanningen kunnen daar, wanneer het hen eenigszins medeloopt, eene ruime vergoeding vinden voor de vermoeienissen alsook voor de gevaren, die hen in dat stormgat in den regel deelachtig zijn.

Daarenboven de Noorwegers zijn goede zeelieden. Dat betwijfelt niemand.

Zij deinzen voor geen arbeid hoe zwaar ook terug, maar weten integendeel flink armen en handen te gebruiken. Te midden van de fjords van het kustland, van af Christiansand tot aan de Noordkaap, te midden van de klippen van Finmark, langs de zee-engten door de Mageroe- en Loffodden-eilanden, ontbreken hun de gelegenheden niet, om zich met de woede van de wereldzee vertrouwd te maken. Dat reeds is eene uitstekende oefenschool voor hen.

Wanneer zij den Noord-Atlantischen Oceaan oversteken, om gezamenlijk naar de verafgelegen visscherijen van New-Found-land te stevenen, hebben zij reeds hunne proeven van moed en vastberadenheid afgelegd. De stormen en orkanen, die zij reeds gedurende hunne kindschheid op de Europeesche kust doorstaan hebben, hebben hen geleerd, om die op de Amerikaansche kusten het hoofd te bieden. Het verschil is niet groot, in laatstbedoelde streken doorstaan zij het begin van den storm, op de vaderlandsche kusten daarentegen het einde daarvan. Niets meer dan dat. De Noorwegers daarenboven behooren tot een ras, dat op zee voor geen klein gerucht vervaard is.

Hunne voorvaderen waren ten tijde, toen de Hanze-bonden zich den handel van Noordelijk Europa toegeëigend hadden, onverschrokken zeelieden. Misschien waren zij in die overoude tijden wel ietwat op zeerooverijen uit; maar dat lag toen zoo in de zeden. De handel en het zeewezen zijn sedert veel verbeterd en zedelijker geworden, hoewel toch erkend moet worden, dat nog wel het een en ander, misschien nog wel zeer veel op dat gebied te verbeteren blijft.

Hoe het ook zij, en wat men er ook van denken moge, de Noorwegers waren toch stoute varenslieden, zij zijn het inderdaad nog en zullen het wel altijd blijven.

Ole Kamp was er de man niet naar, om niet te beantwoorden aan hetgeen van hem volgens zijne afkomst te verwachten was.

Hij had zijne leerjaren onder de leiding van zijn vader, die als een bekend kustvaarder van Bergen bekend stond, doorgebracht en dezen was hij zijne inwijding in dat ruwe zeemansleven verschuldigd. Zijne kindsche jaren had hij in die havenplaats doorgebracht, welke de meest bedrijvige is van het geheele Scandinavische koninkrijk.

Alvorens naar zee te gaan of beter alvorens de groote tochten te ondernemen, was hij een stoutmoedige kwajongen geweest, die zich onledig hield met in de fjords de nesten der watervogels uit te halen of mede hielp aan de vangst van die ontelbare visschen, die gedroogd zijnde, als stokvisch in den handel komen.

Toen hij den leeftijd bereikt had, om scheepsjongen te worden, was hij begonnen met de Oost- en Noordzee te bevaren. Een paar malen hadden zich zijne tochten tot naar de Hebriden en tot op de westkust van Ierland, dus tot in den Noord-Atlantischen Oceaan, uitgestrekt; een enkele maal tot in de Noordpoolstreken naar het eiland Spitsbergen, hetwelk op den tachtigsten graad noorderbreedte gelegen is.

Toen zijn vader kwam te overlijden, was hij geheel en al wees, daar zijne moeder reeds ettelijke jaren vroeger gestorven was. Hij werd toen door Harald Hansen opgenomen, maar wilde het zeemansleven niet vaarwel zeggen, hetgeen door zijn oom goedgekeurd werd, daar deze zeer goed inzag, dat hij als het ware voor dat leven in de wieg gelegd was.

Hij verzuimde nooit, wanneer hij van zijne tochten thuis kwam, naar Dal te gaan, om de bloedverwanten, die hij liefhad, weer te zien. Het waren trouwens de eenige nabestaanden, die hij op de wereld had.

Hij maakte vervolgens verscheidene reizen aan boord van groote visschersvaartuigen mede, en verkreeg reeds den stuurmansrang, toen hij even een-en-twintig jaren oud was.

Thans, bij het begin van dit verhaal, telde hij reeds drie-en-twintig jaren.

Wanneer hij te Dal was, dan vond hij in zijn neef Joël een waardigen makker. Hij volgde dezen dan bij al zijn tochten door het gebergte, door de diepe dalen en tot op de hoogste toppen en bergvlakten van het Telemarksche bergstelsel. Niets weerhield dien jeugdigen zeeman, noch fjords, noch fjelds, noch ravijnen, noch rotskammen. Hij bleef nimmer bij zulke uitstapjes achter, of het moest zijn, om zijne nicht Hulda gezelschap te houden.

Eene innige vriendschap was langzamerhand tusschen Ole Kamp en Hulda Hansen ontstaan. Later evenwel was het natuurlijke en zeer begrijpelijke gevolg van die vriendschap, dat een geheel ander gevoel voor het jonge meisje in het hart van den jongen zeeman ontkiemd was. En waarom zou Joël dat gevoel niet aangemoedigd hebben? Zou zijne zuster een beteren jongeling, met eene meer sympathieke geaardheid, een karakter met meer toewijding bedeeld, een warmer hart in de geheele provincie aangetroffen hebben? Wanneer Hulda Ole Kamp huwde, dan kon haar geluk als verzekerd beschouwd worden. Het jonge meisje legde dus hare gevoelens, met instemming van hare moeder en van haren broeder, geen den minsten dwang op. Al zijn die bewoners van de Noordelijke streken min of meer gesloten bij het openbaren van hun zieleleven, zoo moet men ze toch niet voor ongevoelig houden. Neen! zoo is nu eenmaal hunne wijze van handelen, en alles wel beschouwd, zijn zij er niet minder om!

Eens, dat deze vier personen in de groote zaal van de herberg van vrouw Hansen vereenigd zaten, sprak Ole Kamp plotseling, zonder overgang of zonder eenige andere voorbereiding.

»Daar valt mij iets in, Hulda. Luister, eene goede gedachte, kindlief.”

»Welke gedachte?” vroeg het jonge meisje, terwijl zij den jongen zeeman aankeek.

»Mij dunkt, dat wij zeer goed zouden doen, wanneer wij te zamen in het huwelijk traden.”

»Dat dunkt mij ook,” antwoordde Hulda bedaard, evenwel met een schier onmerkbaren glimlach op het gelaat.

»Dat zou zeer goed zijn,” vulde vrouw Hansen aan, alsof het een reeds lang overeengekomen zaak ware.

»Dat denk ik ook,” hernam Joël, »en op die wijze zou ik natuurlijk uw schoonbroeder worden.”

»Inderdaad,” antwoordde Ole Kamp, »maar wees er verzekerd van, ik zal u dan nog meer liefhebben, dan ik nu reeds doe,—wel te verstaan als dat mogelijk zal zijn. Ik zal er in ieder geval mijn best toe doen.”

»Ja, goed gezegd, Ole, als het mogelijk zal zijn! Nietwaar?”

Een glimlach vloog over het gelaat van den gelukkigen Joël Hansen.

»Ja, lach maar,” sprak Ole Kamp. »Gij zult het wel zien en ondervinden.”

»Inderdaad, ik verlang niet beter,” antwoordde Joël, terwijl hij de hand zijns vriends greep en die innig drukte.

»Is dit dus afgesproken, Hulda?” vroeg vrouw Hansen ernstig.

»Ja, moeder,” bracht het jonge meisje met zachte stem doch zonder schroom uit.

»Behoef ik u te zeggen, Hulda,” hernam Ole Kamp, »dat ik u beminde, al zeide ik er niets van?”

»Neen, Ole; want ook ik deed zoo. Dat kan ik u evenzeer verzekeren.”

»Hoe dat bij mij opgekomen is, weet ik waarlijk niet,” betuigde de gelukkige vrijer.

»Ik zou dat ook niet weten te vertellen,” antwoordde het jonge meisje in allen ernst.

»Zeker moet dat gekomen zijn, lieve Hulda, door dat ik u iederen dag schooner zag, terwijl gij tegelijkertijd in goede hoedanigheden toenaamt.”

»Is dat nu inderdaad niet overdrijven, waarde Ole? Zoo zult gij mij bederven,” zei het meisje, terwijl hare wangen met een bekoorlijken blos overtogen werden.

»Waarlijk niet, en ik mag dat wel kunnen zeggen, zonder dat gij daarom behoeft te blozen; want ik spreek slechts waarheid, niets anders dan de eenvoudige waarheid.”

En zich daarna tot Hulda's moeder wendende, vervolgde hij:

»Hebt gij niet bemerkt, vrouw Hansen, dat ik Hulda beminde?”

»Jawel, zoo wat,” antwoordde deze met een glimlach op de lippen.

»En gij, Joël?” ging Ole Kamp met vragen voort. »En gij, die ik mijn besten vriend noem?”

»Ik?.... Wel, ik heb dat zeer goed en reeds sedert lang bemerkt,” antwoordde Hulda's broeder.

»Welnu,” hernam de verliefde zeeman, vroolijk glimlachende, »ronduit gesproken, dan hadt gij beiden mij wel kunnen waarschuwen. Want, waarlijk, ik wist het niet.”

Allen keken elkander gedwongen lachend aan, en wisten niet wat te antwoorden. Eindelijk hernam Joël:

»Hoe kon ik dat? Dat was zoo moeielijk te zeggen. Daarenboven ik kon mij vergissen, nietwaar? En dan was het, alsof ik u mijne zuster opdrong. En dat mocht toch niet.”

»Maar,” vroeg vrouw Hansen, om het gesprek eene andere wending te geven, »zal u het reizen niet al te onaangenaam zijn, Ole, wanneer gij eenmaal getrouwd zult wezen?”

»Zeker zal het dat,” antwoordde Ole Kamp, »en wel zoodanig, dat ik besloten heb niet meer te varen, nadat ons huwelijk gesloten zal zijn. Is dat geen goed besluit, Hulda?”

»Niet meer te varen!....” vroeg het meisje uiterst bedaard. »Is dat mogelijk?”

»Zeker is dat mogelijk, Hulda. Vraag liever, of het mogelijk zou zijn, dat ik u voor lange, lange maanden zou kunnen verlaten? Raad dan eens welk antwoord mijn hart daarop geeft.”

»Dus gij gaat thans voor den laatsten keer naar zee?” vroeg het jonge meisje verrast.

»Ja; maar ik vertrek niet zonder goede vooruitzichten. Deze reis zal mij in staat stellen een aardig spaarduitje over te leggen, daar de heeren Gebroeders Help beloofd hebben, mij een vol aandeel in de winst uit te keeren....”

»Inderdaad, dat zijn brave menschen!” viel hem Joël Hansen in de rede.

»Zeker zijn zij dat! Het zijn de beste menschen, die ik ken,” antwoordde Ole Kamp. »Zij zijn dan ook overal bekend en worden door alle zeelieden gewaardeerd.”

»Maar, beste Ole,” vroeg Hulda, »als gij niet meer gaat varen, wat zijt gij dan voornemens ter hand te nemen. Een man moet toch een beroep hebben?”

»Ja, daar heb ik al aan gedacht. Ik zal dan de makker, de vennoot van Joël worden. Ik heb goede beenen en mochten ze te kort schieten, dan zal ik mij een paar andere vervaardigen, door mij langzamerhand, maar ter dege te oefenen. Dan heb ik ook nog om eene zaak gedacht, die wellicht niet te versmaden zal zijn. Waarom zouden wij geen postwagendienst tusschen Drammen, Honsberg en de gaards van de Telemarksche provincie oprichten. De gemeenschapsmiddelen zijn er verre van gemakkelijk en worden zeer onregelmatig onderhouden. Gij ziet, dat ik plannen beraam voor de toekomst, zonder nog te rekenen op....”

Hier bleef hij steken. Hij aarzelde blijkbaar. Het was, alsof hij zich verpraat had.

»Waarop?” vroeg Hulda nieuwsgierig.

»Niets, niets,” antwoordde hij ontwijkend. »Wij zullen daarover bij mijne terugkomst spreken. Maar ik verzeker u, dat ik alles zal doen, alles zal ter hand nemen om te bewerken, dat mijne Hulda de meest benijde, de gelukkigste vrouw van het geheele land zal wezen. Ja, dat heb ik vast besloten, en God zal mij sterken en bij de uitvoering behulpzaam zijn.”

»Als ge eens wist, welke gemakkelijke taak dat voor u zal wezen,” antwoordde Hulda, terwijl zij hem hare fraaie hand reikte, die hij met warmte in de zijne klemde. »Is dat niet reeds voor een groot deel volbracht? Bestaat er in geheel Dal een huisgezin waarin meer geluk aangetroffen wordt dan het onze?”

Vrouw Hansen had voor een oogenblik bewogen het hoofd afgewend en een traan weggepinkt.

»Dus,” hernam Ole Kamp op vroolijken toon aandringende, »dus de zaak is beklonken?”

Hulda telde achttien jaren. Blz. 24.
Hulda telde achttien jaren. Blz. 24.

Hulda telde achttien jaren. Blz. 24.

»Ja,” antwoordde Joël Hansen, »dat is zij. Mijne hand er op! Ik krijg een flinken broeder.”

»En, er zal niet meer op teruggekomen kunnen worden? Bedenkt u allen wel.”

»Nooit!”

»Zult gij geen berouw hebben, Hulda?” drong Ole Kamp bij het meisje aan.

»Nimmer, beste Ole.”

»Zouden wij nu maar niet den dag van ons huwelijk vaststellen? Dan is dat reeds gedaan.”

»Ware het niet beter daarmede te wachten tot na uwe terugkomst?” meende Joël Hansen. »Mij dunkt althans, dat zulks beter ware. Wat denkt gij, moeder?”

»Ik deel geheel uwe meening,” antwoordde vrouw Hansen. »Waartoe zooveel haast?”

»Het zij zoo,” sprak Ole Kamp met een zucht. »Dan dien ik mij te onderwerpen; maar het zal van mij niet afhangen en het ongeluk zou mij al zeer moeten vervolgen, wanneer ik niet binnen het jaar terug zal zijn, om mijne Hulda naar de kerk van Moel te geleiden, alwaar onze herder, dominé Andresen wel niet weigeren zal ons huwelijk in te zegenen, en zijne beste en vurigste gebeden voor ons beider geluk naar den Hemel op te zenden.”

Ziedaar, hoe tot het huwelijk van Hulda Hansen met Ole Kamp besloten was.

Eenvoudiger kon het waarlijk niet!

De jeugdige zeeman moest uiterlijk acht dagen later aan boord van zijn schip zijn. Alvorens evenwel dit vertrek plaats zou hebben, zouden de beide aanstaanden volgens de aandoenlijke gebruiken, in het oude Scandinavië in zwang, plechtig verloofd worden.

In het eenvoudige en eerbare Noorwegen bestaat namelijk de algemeene gewoonte, om zich te verloven alvorens in het huwelijk te treden. Die eindverbintenis wordt zelfs somtijds eerst twee of drie jaren na die verloving gesloten. Brengt dat niet eenigermate de gebruiken der eerste geloovigen bij het ontstaan van het Christendom in herinnering?

De lezer moet zich evenwel niet verbeelden, dat die verloving slechts bestaan zoude uit een dor formulier van woorden, welker waarde slechts op de goede trouw der betrokken partijen zoude berusten. Neen, de verbintenis is veel ernstiger, en, al wordt zij niet door de geschreven wet erkend en geschraagd, zoo wordt zij toch door het gebruik, die natuurlijke wet der oorspronkelijke volkeren bestendigd en bekrachtigd.

Het gold thans in het onderhavige geval van Hulda Hansen en van Ole Kamp, om eene plechtigheid te vieren, waarbij de predikant Andresen zou voorgaan. Er was geen godsdienstleeraar te Dal, evenmin als in de aangrenzende gaards van het Telemarksche gewest.

Bovendien worden in Noorwegen plaatsen aangetroffen, die »zondagssteden” genoemd worden, en waar zich de »proestegjelb” of pastorie bevindt. Daar komen de voornaamste familiën van het geheele kerspel tot het houden van godsdienstoefening te zamen. In den regel bezitten zij daar een optrekje, groot of klein, geschikt om hen gedurende den tijd die noodig is om hunne godsdienstplichten uit te oefenen en waarmede in den regel vier en twintig uren gemoeid zijn, een onderdak te verleenen.

Zijn die plichten volbracht, dan keert men naar huis terug, alsof men een pelgrimstocht volbracht heeft.

Dal bezit wel is waar eene kapel en zelfs eene zeer fraaie kapel; maar de predikant van Moel begeeft zich niet derwaarts, dan wanneer hij daartoe aangezocht wordt en dan nog slechts voor bijzondere plechtigheden, die niet tot de openbare behooren. Deze laatsten moeten te Moel voltrokken worden, volgens het besluit van den kerkeraad.

Maar, dat brengt geen stoornis te weeg; want Moel is niet ver van Dal verwijderd. Hoogstens wordt een halve Noorweegsche mijl, een afstand, die ongeveer met zes kilometers van onze lengtemaat overeenkomt, gerekend van Dal tot aan het uiteinde van het Tinnermeer.

Wat den predikant betreft, dat was een zeer dienstvaardig man; die bekend stond als een uitstekend voetganger.

Die geestelijke heer werd dus in zijne dubbele qualiteit eerstens van predikant en daarna van vriend van de familie Hansen uitgenoodigd, om de verloving met zijne tegenwoordigheid te vereeren en haar in te zegenen. De eerwaarde heer kende de familie sedert geruimen tijd. Hij had Hulda en Joël bij hunne geboorte gedoopt, had ze zien opgroeien en had hen lief, evenals hij Ole Kamp, dien »jonge zeewolf,” zooals hij hem noemde, liefhad. Niets deed hem meer genoegen dan dat huwelijk, en waarlijk deze vereeniging was wel geschikt om de geheele streek van het Vestfjorddal in feestelijke stemming te brengen. Allen, groot of klein, jong of oud, arm of rijk, waren daarmede ingenomen en allen gaven daarover hunne vreugde zoo luidruchtig mogelijk te kennen.

Dominé Andresen voldeed dan ook gaarne aan het hem gedane verzoek, greep op een goeden dag zijn steek, zijne bef en zijn bijbel en vertrok naar Dal, hoewel het dien dag nog al regenachtig was. Hij kwam ter bestemder plaatse met Joël Hansen aan, die hem halverwege te gemoet was gegaan.

Zooals men wel gissen kan, werd hij in de herberg van vrouw Hansen goed ontvangen en werd hem de mooie kamer op de gelijkvloersche verdieping tot huisvesting aangewezen. Natuurlijk was deze met versche jeneverboomtakken versierd, die haar eenen bijzonderen geur verleenden, alsof zij eene kapel ware.

Daags daarop ging de kleine kerk van Dal in den voormiddag open. Daar bezwoer Ole Kamp voor den predikant, met de hand vlak uitgestrekt op diens bijbel, en in tegenwoordigheid van eenige vrienden en bekenden en van de buren der herberg, Hulda Hansen te zullen trouwen. En Hulda bezwoer van haren kant, dat zij met Ole Kamp in den echt zoude treden, zoodra de jeugdige zeeman teruggekomen zou zijn van de laatste zeereis, die hij ging ondernemen. Een zucht ontsnapte aan de bruid bij het afleggen dier gelofte. Een jaar wachtens was toch zoo vreeselijk lang. Maar.... wat er aan te doen?... Die tijd gaat ook om, en goed beschouwd wat deed het er ook toe, de beide gelieven waren toch zeker van elkander en vertrouwden elkander dan ook volkomen.

Nu kon Ole Kamp—althans niet zonder gewichtige beweegredenen—haar niet meer verstooten, die hij tot verloofde aangenomen had. Hulda Hansen mocht de trouw niet breken, die zij den jongen zeeman gezworen had. En had de jeugdige verloofde zeeman niet weinige dagen na de plechtigheid moeten vertrekken, dan zou hij hebben kunnen gebruik maken van de rechten, die hem onbeperkt geschonken waren, namelijk het jonge meisje te mogen bezoeken, wanneer hij zulks zou goedvinden, haar te mogen schrijven zoo dikwijls hem dat lustte, haar zelfs bij afwezigheid van bloedverwanten op de wandeling te mogen vergezellen en daarbij gearmd met haar te gaan, steeds de voorkeur te erlangen boven ieder ander, wien ook, om op danspartijen of bij gelegenheid van andere vermakelijkheden met haar te dansen. Die rechten waren in het oog van den jongen zeeman onschatbaar, en ongetwijfeld zou hij ze hebben doen gelden.

Maar plicht gebood. Dienst is godsdienst! Ole Kamp had zich naar Bergen moeten begeven, en de Viken was met hem naar de vischwateren van New-Found-Land vertrokken, naar die woeste stormachtige streken, waar veel meer boos dan kalm weer wordt aangetroffen.

Hulda bleef niets anders over dan de brieven af te wachten, die Ole beloofd had haar bij iedere postgelegenheid naar Europa te zenden. Zij kon wel niet anders. Nu was kalme berusting een eigenaardig kenmerk van haar karakter.

Die brieven, die natuurlijk steeds zoo ongeduldig verwacht werden, bleven gelukkig niet uit. Zij brachten een weinig geluk aan in die woning, waar sedert Ole's vertrek droefheid heerschte.

Zoo meldde de eerste brief, dat de overtocht over den Atlantischen Oceaan zoo voorspoedig mogelijk volbracht was. Een tweede, dat de vischvangst op zeer voordeelige wijze uitgeoefend werd. Een derde, dat de te verdeelen winsten belangrijk zouden zijn, enz. enz. En bij het einde van iederen brief sprak Ole Kamp steeds over een zeker geheim en over het vermogen, hetwelk hem daardoor zoude aangebracht worden.

Dat was een geheim, hetwelk Hulda had willen kennen en vrouw Hansen ook. Deze laatste evenwel om redenen, die moeielijk gegist kunnen worden.

Om de waarheid te zeggen, werd vrouw Hansen bij den dag somberder, onrustiger en meer teruggetrokken. Eene omstandigheid daarenboven, die zij hare kinderen niet mededeelde, vermeerderde hare zorgen nog. De arme vrouw ging er inderdaad gebukt onder. Zichtbaar leed zij, alsof zij eene zware ziekte onder de leden had.

Eens, of liever drie dagen na de aankomst van den laatsten brief van Ole Kamp, het was toen de 19de April, toen vrouw Hansen alleen van de houtzagerij terugkeerde, waar zij een zak berkenbast aan den opziener dier inrichting, Lengling genaamd, had gaan bestellen, en zich naar huis begaf, werd zij een oogenblik, voordat zij de deur harer woning bereikt had, aangesproken door een man, die niet uit de buurt en haar dus geheel vreemd was.

»Zijt gij werkelijk vrouw Hansen,” vroeg die man zonder zich een groet te verwaardigen.

»Ja,” antwoordde zij voorzichtig en teruggetrokken. »Wat wilt gij van mij? Ik ken u in het geheel niet.”

»Of gij mij kent of niet, heeft niets te beteekenen,” hernam de vreemdeling. »Ik ben heden ochtend van Drammen hier aangekomen en ik ga er dadelijk weer heen.”

»Van Drammen?” vroeg vrouw Hansen levendig en met nadruk. »Hedenochtend nog?”

»Ja,” was het antwoord. »Kent gij niet een zekeren mijnheer Sandgoïst, die er woont?”

»Mijnheer Sandgoïst!” riep vrouw Hansen uit, wier gelaat merkbaar verbleekte.

»Ja, mijnheer Sandgoïst te Drammen,” herhaalde de vreemdeling. »Ik herhaal mijne vraag: kent gij hem?”

De weduwe aarzelde een oogenblik, maar dacht na. Eindelijk antwoordde zij:

»Ja, ik ken dien heer. Maar, wat heeft uwe vraag te beduiden? Gij maakt mij nieuwsgierig.”

»Welnu, luister. Toen mijnheer Sandgoïst vernam, dat ik naar Dal ging, verzocht hij mij u van zijnentwege te groeten. Ik voldoe hierbij aan dat verzoek.”

»Mij te groeten?... en... niets anders dan dat?...” vroeg vrouw Hansen verbouwereerd.

»Neen, niets anders,.... dan om er bij te voegen, dat hij zelf zeer waarschijnlijk aanstaande maand u een bezoek zou komen brengen.—Goeden avond, vrouw Hansen, en bestendig welzijn.”

»Bestendig welzijn!” herhaalde de weduwe bij wijze van tegengroet. »Goeden avond!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings