← Table of contents
Het loterijbriefje

XVIII. SYLVIUS HOG IN DE WEER.

Reading edition

»Goedenmorgen! mijnheer Benett!”

»Goedenmorgen, professor!”

»Het is mij steeds een waar genoegen, u de hand te kunnen drukken, mijnheer Benett!”

»En het is mij steeds eene eer; wees daarvan overtuigd, mijnheer Hog!”

»Eer, genoegen; genoegen, eer!” antwoordde de professor opgeruimd. »Dat is volgens mij volkomen hetzelfde.”

»Ik zie dat uwe reis door Midden-Noorwegen gelukkig afgeloopen is.”

»Het mocht wat!” antwoordde de professor.

»Wat bedoelt gij?”

»Mijne reis is niet afgeloopen.”

»Gij gaat haar dus vervolgen?”

»Neen, althans dit jaar niet.”

»O, ja, zij is slechts afgebroken. Daaraan dacht ik niet.”

»Juist, ziet ge.... Die zaak van dat loterijbriefje....”

»Dat was mij door het hoofd gegaan, mijnheer Hog.”

»Maar mij niet, mijnheer Benett,” antwoordde Sylvius Hog met een opgeruimden glimlach.

»En hoe maken het die brave lieden te Dal, met wie gij kennis hebt aangeknoopt?”

»Zeer goed, mijnheer Benett, ik dank u voor uwe belangstelling. Inderdaad, het zijn brave lieden in den volsten zin des woords!”

»Volgens de mededeelingen in de dagbladen zijn zij evenwel zeer te beklagen.”

»Waarlijk, zeer te beklagen.”

»Dat is te bejammeren, mijnheer Hog.”

»Zelden heb ik het noodlot zoo hardnekkig arme lieden zien vervolgen!”

»Inderdaad, mijnheer Hog. Eerst die schipbreuk van de Viken!”

»Juist, mijnheer Benett.”

»En toen die afschuwelijke afzetterij van dien Sandgoïst, van dien woekeraar!”

»Inderdaad!”

»En toch, volgens mijne meening, mijnheer Hog, heeft Hulda Hansen goedgedaan door dat loterijbriefje tegen het schuldbewijs harer moeder in te wisselen.”

»Vindt gij?”

»Ja, zeker!”

»En, waarom dat, mijnheer Benett?”

»Wel, mij dunkt, dat vijftien duizend mark wel opwegen tegen de kleine kans iets te zullen trekken,” antwoordde de heer Benett lachende.

»Wat zal ik u daarop antwoorden, mijnheer Benett,” hernam Sylvius Hog. »Gij redeneert als een bij uitstek practisch mensch, als een degelijk handelaar! Beschouwt men de zaak evenwel uit een ander oogpunt, dan verandert zij geheel en al van aanzien. Dan wordt zij eene gevoelszaak, en.... dat zult gij mij gewonnen geven: het gevoel laat zich niet door cijfers beheerschen.”

»Dat is juist, mijnheer Hog; maar veroorloof mij als mijne meening te verkondigen, dat uwe beschermelinge zonder dien Sandgoïst haar gevoel duur te staan gekomen zou zijn.”

»Welke zekerheid hebt gij daaromtrent?”

»Maar bedenk dan toch, mijnheer Hog....”

»Wat moet ik bedenken?”

»Welke waarde vertegenwoordigt dat loterijbriefje?”

»Ik moet erkennen weinig.”

»Een enkele gelukkige kans tegenover negenhonderd negen en negentig duizend negenhonderd negen en negentig andere.”

»Inderdaad, op een millioen slechts één gunstige kans!”

»Dat is weinig, mijnheer Hog, zeer weinig....”

»Gij hebt gelijk, het is zeer weinig!”

»De reactie is dan ook reeds ingetreden. Na de opgewondenheid der eerste dagen is de geestdrift werkelijk bekoeld. En die Sandgoïst, die dat briefje slechts afgedwongen heeft, om er de aandacht op gevestigd te houden.”

»Dat is zoo, mijnheer Benett!”

»Maar, als die woekeraar nu eens het groote lot won! Alles is mogelijk, niet waar? Dat zou een schandaal zijn.”

»Inderdaad, een schandaal, mijnheer Benett. Het woord is niet te sterk. Een waar schandaal!”

»Men ziet zoo iets wel meer gebeuren.”

»Och, kom!”

»Daar hebt gij bij voorbeeld....”

Terwijl die heeren zoo spraken, en de heer Benett voorbeelden aanhaalde om aan te duiden dat het den ongerechten in dit ondermaansche veelal zeer naar den vleesche gaat, wandelden zij in de magazijnen van dien heer rond, die den fraaisten bazaar van de geheele hoofdstad, ja van het geheele koninkrijk Noorwegen vormden.

Wat trof men al niet in dien bazaar aan?

Reiswagens, karretjes bij dozijnen, kisten met verduurzaamde levensmiddelen, manden met wijn, kruidenierswaren, gemaakte kleederen en andere benoodigdheden voor de toeristen en ook voor de berggidsen, die hen zouden geleiden. De gidsen zelfs werden geleverd, onverschillig werwaarts de reis zou voeren, naar de uiterste gehuchten van Finmarken, naar Lapland of naar de Noordpool.

Maar, dat was niet alles.

De beoefenaars van natuurlijke historie vonden bij den heer Benett verschillende specimens van steensoorten, metalen, ertsen enz., die de bodem van Noorwegen bevat. Ook de verschillende vogel- en insectensoorten, het kruipend gedierte en de verdere fauna van het rijk, werden daar, natuurlijk in opgezette specimens, aangetroffen.—En wat vooral niet vergeten mag worden, is dat nergens in het geheele rijk zulk eene uitstalling van juweelen en snuisterijen, door de Noorweegsche nijverheid vervaardigd, te vinden was als daar in die glazen kasten.

Die heer is dan ook eene ware voorzienigheid voor de toeristen, die verlangend zijn die fraaie en schilderachtige Scandinavische streken te bezoeken.

Volgens ieders oordeel was mijnheer Benett zulk een onmisbaar man, dat Christiania zonder hem niet zoude kunnen bestaan.

»Maar, mijnheer Hog, als ik u vragen mag,” vervolgde de geachte handelaar, »hebt gij het rijtuig behoorlijk aangetroffen, waar ook weer?....”

»Te Tinoset, mijnheer Benett.”

»Juist, te Tinoset, waar gij mij verzocht hadt, het te zenden.”

»Maar, mijnheer Benett, welke vraag! Toen ik u dat rijtuig bestelde, was ik verzekerd, dat het op het bepaalde uur te Tinoset zoude aanwezig zijn.”

»Gij vleit mij, mijnheer Hog.”

»Volstrekt niet, mijnheer Benett.”

»Maar....”

»Maar, wat?”

»Gij schreeft mij, dat gij met u drieën zoudt komen.”

»Zeker, met ons drieën!”

»En die andere twee....”

»Zijn gisteravond in volmaakten welstand aangekomen.”

»Zoo, zoo!”

»Ik heb ze in het Noorder Hotel onder dak gebracht.”

»Dat is wel het beste hotel van Christiania, mijnheer Hog.”

»Dat geloof ik ook, mijnheer Benett. Welnu, zij wachten mij thans daar, waar ik hen straks ga opzoeken. Zij zijn vreemd in de hoofdplaats.”

»Vreemd in de hoofdplaats, mijnheer Hog.”

»Ja, mijnheer Benett.”

»Zijn het dan.... de jongelieden van Dal?”

»Goed geraden, mijnheer Benett! Zij zijn het.... maar, mondje dicht, als je blieft. Ik verlang, dat hunne tegenwoordigheid nog niet bekend worde!”

»Arm meisje!”

»Ja, zeker, arm meisje!”

»Zij zal wel veel geleden hebben.”

»Dat heeft zij, mijnheer Benett.”

»En is het nu op uw verlangen, dat zij de trekking der loterij komt bijwonen?”

»Waarom die vraag?”

»Omdat zij niet meer in het bezit van het loterijbriefje is, dat haar verloofde haar vermaakt heeft?”

»Ik heb dat verlangen niet te kennen gegeven, maar Ole Kamp, mijnheer Benett, en aan u, evenals aan alle anderen, die mij daarnaar vroegen, antwoord ik: Men moet den laatsten wil van stervenden steeds uitvoeren.”

»Goed gezegd, professor.”

»Is dat uwe meening?”

»Ja, en alles wat gij doet, is steeds welgedaan, mijnheer Hog.”

»Gaat ge mij nu complimenten maken, mijnheer Benett?”

»Volstrekt geen complimenten, mijnheer Hog; in weerwil van uwe bescheidenheid moet erkend worden, dat het zeer gelukkig voor de familie Hansen is, dat zij u op haar pad ontmoet heeft!....”

»Ba! Meent ge?....Ik ben van oordeel, dat het voor mij nog gelukkiger geweest is, dat ik hen op mijn levenspad ontmoet heb. Dat is de rollen omkeeren.”

»Ik bemerk, dat uw hart nog niets veranderd is, mijnheer Hog.”

»Vindt ge?”

»Zeker.”

»Daar men toch een hart moet hebben, is het maar 't best, als het op de rechte plaats is, niet waar?”

Hoe innemend was de glimlach, waarvan Sylvius Hog dat antwoord aan den handelaar vergezeld deed gaan!

»En nu, mijnheer Benett,” hernam hij, »geloof niet, dat ik hier gekomen ben om loftuitingen aan te hooren.”

»Daar ben ik overtuigd van.”

»Neen, mijne komst heeft een geheel ander doel, mijnheer Benett.”

»Ik ben tot uwen dienst.”

»Gij weet, niet waar? dat ik, zonder de tijdige tusschenkomst van Joël en Hulda Hansen, een jammerlijk uiteinde in den waterval van den Rjukan gevonden zou hebben....”

»Ja wel, mijnheer Hog.”

»Het is de vraag, of zelfs mijn lijk in die verschrikkelijke kolk weergevonden zoude zijn!”

»Welk een ijselijke veronderstelling.... maar gelukkig....”

»Zonder hen zou ik thans het genoegen niet hebben u te zien, mijnheer Benett.”

»Ja wel.... ja wel!.... Inderdaad die kloeke jongelieden verdienden wel, dat zij het groote lot wonnen.”

»Dat is ook mijne meening,” antwoordde Silvius Hog. »Maar, daar dat nu onmogelijk geworden is, zou ik gaarne hebben, dat mijne kleine Hulda niet naar Dal terugkeerde, zonder een geschenk.... eene herinnering....”

»Kijk, dat noem ik eerst eene goede gedachte, mijnheer Hog!”

»Dus zijt gij het met mij eens?”

»Voorzeker.”

»Dan moet gij mij uit uwe rijkdommen iets helpen uitzoeken, dat een jong meisje bekoren kan.”

»Volgaarne,” antwoordde mijnheer Benett.

En hij geleidde professor Sylvius Hog naar dat gedeelte zijner magazijnen, waar het inheemsche goud- en zilverwerk uitgestald lag. Zou een Noorweegsch sieraad niet de liefste herinnering zijn, die zij uit Christiania en den alom beroemden bazaar van den heer Benett in haar bergland kon medebrengen?

Dat was ook de meening van professor Sylvius Hog, aan wien de gedienstige koopman zijn kostbaarsten voorraad vertoonde, voor wien hij al zijne kasten opende.

»Komaan, laat zien,” zei de geleerde. »Maar, ge moet weten, dat ik geen kenner ben en mij dus geheel en al op uwen smaak moet verlaten, mijnheer Benett.”

»Wij zullen dat wel samen vinden, mijnheer Hog.”

»Denkt gij?”

»Voorzeker.”

»Komaan, vooruit dan maar, man, de keuze zal waarlijk moeielijk zijn.”

Er was dan ook een geheele voorraad van die Zweedsche en Noorweegsche juweelen, die van zeer kunstige bewerking zijn, en daardoor veel meer aan arbeidsloon, dan wel aan grondstof gekost hebben.

»Wat is dat daar?” vroeg de professor, terwijl hij op een voorwerp wees, dat nog al schitterde.

»Dat is een zwaar verguld zilveren ring, voorzien van beweegbare eikeltjes, die zooals gij hoort, aardig klingelen.”

»Zeer fraai,” zei Sylvius Hog, terwijl hij den ring aan zijn pink paste.

»Ja, zelfs voor dien pink is hij te nauw,” bemerkte de koopman lachende.

»Dat moet ook,” hernam de professor. »Of denkt gij, dat mijne kleine Hulda een manshand heeft?”

»Die meening zou ik niet durven koesteren.”

»Om het even. Leg dezen ring maar vooreerst ter zijde, mijnheer Benett, en laat mij wat anders zien.”

»Armbanden of kettingen, mijnheer Hog?”

»Zoo wat van alles, mijnheer Benett, als gij zoo vriendelijk wilt zijn. Zoo wat van alles. O!.... wat is dit hier?”

»Wat bedoelt gij?”

»Hier dit, mijnheer Benett.”

»O, dat zijn sieraden, die paarsgewijze aan het keurslijf gedragen worden. Zijn ze niet fraai?”

»Zeer fraai.”

»Let eens op het effect van dat gepolijst koper op dien grond van geplooid wollen stof. Dat is zeer smaakvol en is volstrekt niet duur.”

»Ze zijn inderdaad bekoorlijk, mijnheer Benett. Leg die ook maar ter zijde.”

»Goed, mijnheer Hog; maar ik moet u waarschuwen,” vervolgde de koopman, »dat die sieraden uitsluitend tot den tooi eener bruid behooren... op den dag van haar huwelijk... en dat...”

»Bij Sint Olaf! gij hebt gelijk, mijnheer Benett; gij hebt waarlijk gelijk.”

»Daarom waarschuwde ik u, mijnheer Hog.”

»Mijn arme, lieve Hulda! Ongelukkig is het Ole Kamp niet, die haar dat geschenk wil geven, maar ik; en ik kan haar zoo iets niet als bruid aanbieden!”

»Inderdaad, mijnheer Hog.”

»Laat mij dus andere juweelen zien, die voor een jong meisje geschikt zijn.”

»Hier hebt u zoo wat van alles, mijnheer Hog.”

»Laat me dat kruis eens zien, mijnheer Benett.”

»Dat is een kruis om aan een halssnoer te hangen.”

»Dat dunkt me ook.”

»Zie, het is met holle schijfjes versierd, die bij de geringste beweging van den hals rinkelen.”

»Zeer fraai!.... Zeer fraai!.... Leg het ook op zij, mijnheer Benett. Als ik al uwe kasten zal bezichtigd hebben, zullen wij eene keus doen.”

»Ja, maar....”

»Alweer een maar?”

»Zoo'n kruis wordt door de bruiden in Scandinavië gedragen, als zij naar de kerk gaan!....”

»Duivels!” zei professor Sylvius Hog lachende. »Ik moet bekennen, mijnheer Benett, dat ik geen gelukkige hand bij het uitzoeken van juweelen heb.”

»Dat komt, mijnheer Hog, omdat ik zoo ruim van het artikel bruidsjuweelen voorzien ben. Die verkoop ik dan ook het meest. Dat uwe keus daarop valt, moet u dus niet verwonderen.”

»Het verbaast me niet, mijnheer Benett; maar, het brengt mij in de war. Gij zult mijne keus moeten leiden.”

»Welnu, houd u dan aan dien ring, dien gij mij het eerst hebt laten ter zijde leggen.”

»Ja wel.... die vergulde ring.... Dat is goed.... Toch zou ik nog wel iets anders gewenscht hebben, dat... dat.... ja, hoe zal ik dat uitdrukken?.... dat meer.... tot versiering zou strekken.”

»O, zoo! Is dat de quaestie? Dan moet ge deze plaat van draadzilver nemen. Zie, zij hangt aan vier kettinkjes, die zoo'n goed effect op den hals van een jong meisje maken! Ze is als bezaaid met fijne glaskralen en verder versierd met vergulde pijltjes en veelkleurige, geslepen kralen.”

»Het is zeer fraai!”

»Het is een der schoonste voortbrengselen der Noorweegsche goudsmederij!”

»Zoo?” zei Sylvius Hog. »Het is een fraai sieraad; maar ik vrees een weinig opzichtig voor mijne bescheiden Hulda! Neen, dat niet... Ik zou de ronde plaatjes verkiezen, die gij mij straks hebt laten zien, en dat kruis, bestemd om aan een halssnoer te hangen. Zijn die dan werkelijk slechts geschikt voor bruidstooi, zoodat men ze een jong meisje niet zoude mogen aanbieden?”

»Mijnheer Hog,” zei de heer Benett lachende, »op die vraag is onmogelijk een afdoend antwoord te geven, dunkt me; want de Storthing heeft daarop nog geen wet gemaakt!... Dat is ongetwijfeld eene leemte....”

»Ja wel, ja wel, mijnheer Benett, ik begrijp u; wij zullen mettertijd daarin voorzien,” antwoordde Sylvius Hog, even hartelijk lachende. »Maar intusschen neem ik dat kruis en die andere sieraden... Want, alles wel beschouwd, is het toch mogelijk en zelfs te voorzien, dat mijne kleine Hulda den een of anderen dag zal trouwen. Zij bezit daartoe alle vereischten. Zij is goedaardig, en bovendien bekoorlijk en lieftallig, zoodat, volgens mij, de gelegenheid niet uitblijven zal, om die juweelen te kunnen gebruiken... Dat is dus afgesproken... ik houd die sieraden en neem ze mede.”

»Goed, mijnheer Hog.”

»De rekening zult gij wel zenden, niet waar, mijnheer Benett?”

»Wees onbezorgd.”

»Zal ik het genoegen hebben, u bij de trekking der loterij te zien?” vroeg de professor.

»Zeker.”

»Ik geloof, dat het zeer belangrijk zal zijn.”

»Daar ben ik van overtuigd.”

»Dus tot straks, mijnheer Benett.”

»Tot straks, mijnheer Hog.”

»Kijk,” zei de professor, terwijl hij zich over een der glazen kasten boog. »Kijk, welke mooie ringen! Die had ik nog niet gezien.”

»O, wat die betreft, daar kunt u niets mee doen, mijnheer Hog.”

»En waarom niet, als ik u vragen mag?”

»Omdat het trouwringen zijn, die door den predikant bij de huwelijksplechtigheid aan den vinger van bruid en bruidegom gestoken worden....”

»Waarlijk?.... Kijk, kijk!... Toch neem ik ze.... men kan niet weten... Tot straks, mijnheer Benett, tot straks! Ik moet maken dat ik wegkom.”

»Tot straks! Uw dienaar, mijnheer Hog!” zei de handelsman buigende.

Sylvius Hog stapte heen—en wel met een lichten, vluggen pas, als een twintigjarige—en begaf zich naar het Noorder Hotel.

Toen hij dat hotel binnentrad, bemerkte hij de woorden: Fiat Lux! die op een der matglazen van een glaslantaarn gegrift waren.

»Waarachtig,” zei hij in zich zelven, »dat latijn spreekt van pas! Ja, inderdaad! Fiat Lux... Fiat Lux!... Er zij licht!”

Hij klom spoedig de trap op.

Hulda was op hare kamer. Zij zat bij het raam en wachtte. Toen professor Sylvius Hog aan de deur klopte, deed zij dadelijk open.

»O, mijnheer Sylvius, zijt gij daar?” riep het jonge meisje verheugd uit.

»Ja, hier ben ik! Hier ben ik! Maar, lieve Hulda, laat die plichtplegingen nu achterwege. Het ontbijt staat klaar, en ik voeg er bij, dat ik een honger als een wolf heb. Maar... Waar is Joël?”

»In de leeskamer.”

»Zoo?... Dan ga ik hem daar halen. Gij, lief kind, komt zeker dadelijk beneden, niet waar?”

»Ja, mijnheer Sylvius.”

»Laat ons niet te lang wachten.”

Sylvius Hog verliet Hulda's kamer en begaf zich naar Joël Hansen, dien hij met de wanhoop in het hart en het hoofd in de hand in de leeskamer vond zitten.

De arme jongen toonde hem het nummer van het Morgenblad, dat hij zooeven gelezen had. Het telegram van den gezagvoerder der Telegraaf liet geen twijfel meer bestaan omtrent het vergaan van de Viken. Neen, volgens dat bericht was niemand aan den dood ontkomen.

»Gij hebt het toch niet aan Hulda laten lezen?” vroeg de professor haastig.

»Neen, mijnheer Sylvius.”

»Dan is het goed,” antwoordde deze bedaard.

»Het is beter die tijding nog geheim voor haar te houden,” vervolgde Joël zeer bedrukt en terneergeslagen. »Zij zal haar vroeg genoeg vernemen, niet waar?”

»Zeker, mijn jongen; gij hebt goedgedaan met uwe zuster die tijding niet mee te deelen.... Kom, laten wij gaan ontbijten. Dat is het beste, wat wij doen kunnen.”

Een oogenblik later was ons drietal aan eene afzonderlijke tafel gezeten. En, in weerwil van de verpletterende tijding, die hij zooeven gelezen had, verorberde professor Sylvius Hog zijn ontbijt met grooten eetlust.

En waarachtig, daar was wel reden toe.

Het was een heerlijk ontbijt, dat, het aantal gerechten in aanmerking genomen, wel voor een diner kon doorgaan. Dat de lezer zelf oordeele:

Vooreerst werd een koude biersoep opgedragen, waarin citroenschijfjes en stukjes kaneel dreven, terwijl ze met fijngestampte beschuit bestrooid was. Verder versche zalm, die met eene witte, zoete saus toebereid was; vervolgens gebraden kalfsvleesch, dan een heerlijk stuk roastbief, waarbij een sterk gepeperde en gekruide sla behoorde, eindelijk vanille-ijs, confituren van aardappelen, frambozen, kersen en hazelnoten, terwijl men daarbij een glas uitmuntenden St. Julien te drinken kreeg, die rechtstreeks uit Frankrijk kwam.

»Heerlijk!..... heerlijk!.....” riep telkenmale Sylvius Hog, waarbij hij als een ware lekkerbek de lippen likte. »Heerlijk!.... men zou meenen in de herberg van vrouw Hansen te Dal aan tafel te zijn!”

Het scheelde weinig, of hij had zich de vingers afgelikt. Hij bedacht zich bijtijds.

»Heerlijk!.... heerlijk!....” herhaalde hij voortdurend.

En daar hij zijn mond te veel te doen gaf, om dien verder nog iets op te dragen, glimlachte hij met zijne goedige oogen, als namelijk oogen glimlachen kunnen.

Helaas, Joël en Hulda waren niet in staat zijn voorbeeld te volgen. Al hadden zij het gewild, dan nog zouden zij het niet vermocht hebben. Het arme meisje at zelfs zeer weinig.

Toen het ontbijt afgeloopen was, zei de professor tot hen:

»Lieve kinderen, gij hebt bepaald ongelijk gehad, door dit ontbijt niet alle eer aan te doen. Inderdaad, de keuken van het Noorder Hotel laat niets te wenschen over. Maar, ik kon u niet dwingen. En alles wel beschouwd, nu gij niet ontbeten hebt, zult gij straks des te beter dineeren....”

»O, mijnheer Sylvius!” riepen de beide jongelieden.

»En, ik weet niet, of ik u hedenavond zal kunnen bijhouden....”

»Mijnheer Sylvius!” zei Joël verwijtend.

»Kom, het is tijd om van tafel op te staan.”

De professor had zijn stoel reeds weggeschoven. Hij greep zijn hoed, dien Joël hem aanreikte, en wilde naar buiten treden, toen Hulda hem weerhield.

»Mijnheer Sylvius,” zei zij, »staat gij er nog op, dat ik u vergezel?”

»Om bij de trekking der loterij tegenwoordig te zijn?”

»Ja.”

»Zeker, lieve meid, sta ik daar op, en dat nog wel zeer sterk!”

»Het zal een moeielijke zaak voor mij zijn!”

»Ja, dat erken ik.”

»Kunt gij mij daarvan niet ontslaan?”

»Volstrekt niet, waarde Hulda!”

»Waarom niet?” vroeg het jonge meisje snikkende.

»Omdat Ole Kamp gewild heeft, dat gij bij de trekking tegenwoordig zoudt zijn! En.... Hulda, gij moet den wil van Ole Kamp eerbiedigen!”

Die laatste volzin kwam zoo dikwijls in den mond van den professor, dat die woorden als het ware een refrein begonnen te worden.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings