XIII. SYLVIUS HOG TE BERGEN.
Reading edition
Professor Sylvius Hog was dus naar Bergen vertrokken.
Zijn geestkracht, hoewel een oogenblik aan het wankelen gebracht, had wederom de bovenhand verkregen. Hij kon maar steeds niet aan den dood van Ole Kamp gelooven of aannemen, dat Hulda veroordeeld was om haren bruidegom niet weder te zien.
Neen! zoolang het feit hem niet werkelijk bewezen was, hield hij het voor valsch. En die overtuiging was, zooals men dat wel eens gemeenzaam uitdrukt hem te machtig.
Maar was hij dan in het bezit van de eene of andere aanwijzing, die hem de mogelijkheid voorspiegelde, dat zijn verrichtingen te Bergen met goed gevolg bekroond zouden worden?
Ja, hij had zulk een aanwijzing; maar zij was wel onbepaald, wel zwak, dat moest men erkennen.
Hij wist de dagteekening, waarop Ole Kamp, de stuurman van de Viken, het loterijbriefje in zee geworpen had. Hij kende daarenboven de dagteekening waarop, en de streek alwaar de flesch, waarin dat briefje besloten was geweest, opgevischt werd. Die tweede inlichting had hij uit den laatsten brief van het departement van Marine gekregen en het was juist die inlichting, welke hem had doen besluiten dadelijk naar Bergen te vertrekken, ten einde met de gebroeders Help en de ervarenste zeelieden van die havenplaats te beraadslagen. Misschien zou dat voldoende zijn om de nasporingen, die omtrent het lot van de Viken gedaan zouden worden, met oordeel te doen plaats hebben.
De overtocht naar Bergen geschiedde zeer voorspoedig en in de kortst mogelijke tijdsruimte.
Sylvius Hog zond bij aankomst te Moel zijn metgezel met het karretje terug. Daar nam hij plaats in een van die vaartuigen, van berkenschors vervaardigd, die de gemeenschap op het Tinnermeer onderhouden. Te Tinoset huurde hij andermaal een karretje, en in stede van zuidwaarts, naar den kant van Bambel, te rijden, volgde hij de wegen van het Hardangsche, teneinde de golf van dien naam langs het kortste pad te bereiken.
Vandaar kon hij aan boord van de »Run”, eene kleine stoomboot, die den dienst op de golf verrichtte, naar den mond van dien zeeboezem vertrekken. Eindelijk na een waren doolhof of liever een netwerk van fjords doorgestevend en de overgroote menigte eilanden, waarmede het Noorweegsche kustland als het ware bezaaid is, langs gevaren te zijn, kwam hij op den tweeden Juli, bij het aanbreken van den dag te Bergen aan en ging daar aan wal.
Deze oude stad, die door de beide fjords van Sogna en Hardanger, bespoeld wordt, ligt in eene prachtige landstreek, die op Zwitserland zal gelijken, wanneer eenmaal een kunstmatige zeearm de wateren van de Middellandsche zee aan den voet van den Simplon of den Sint-Gothard zal voeren.
Eene laan van hooge esscheboomen voert naar de eerste woningen van Bergen. De huizen met de puntige gevels, glinsteren van witheid en reinheid, als waren het Arabische villa's, en zijn opgehoopt in dien ongelijkzijdigen driehoek, die de veertigduizend bewoners van die bevallige stad bevat.
Hare kerkgebouwen dagteekenen van de XIIde eeuw. Haar hooge kathedraal steekt boven alle gebouwen uit en strekt den zeevaarder, die van uit den oceaan landwaarts stevent, tot een veilig baken naar de haven.
Bergen is de voornaamste handelsstad van Noorwegen, evenals Amsterdam de aanzienlijkste handelsplaats van Nederland, en Antwerpen die van België is. Zij is dat, niettegenstaande zij van de gewone middelen van verkeer verstoken is, en ver van een groot bevolkingscentrum ligt, namelijk van de twee andere steden van het rijk, Christiania en Drontheim, die eigenlijk, uit een staatkundig oogpunt beschouwd, den eersten en tweeden rang innemen.
Bergen, in het ambt Soendre-Bergenhuus gelegen, verrijst op een voorgebergte, dat aan drie kanten door diep ingesneden fjorden omgeven is. Het voorgebergte zelf hangt door eene smalle landtong met de Hardanger fjelds samen, die in de nabijheid van de stad eene hoogte van 700 meter bereiken. Bergen is door hooge muren en forten tegen vijandelijke aanrandingen beveiligd en verheft zich amphitheatersgewijze boven hare veilige haven, die in de lage terreinen door weilanden, tuinen en buitenverblijven, maar verderop door kale en woeste rotsgevaarten omgeven is. De stad bestaat uit drie deelen en heeft zeer nauwe straten. De meeste huizen zijn van hout. Zij bevat zes pleinen, een kathedraal en zeven andere kerken, verder een museum, vijf openbare boekerijen, een gymnasium, eene zeevaartschool, een schouwburg en drie hospitalen. De stad ligt nog al beschermd tegen noordenwinden, waardoor de luchtgesteldheid betrekkelijk zacht mag genoemd worden. Er valt te Bergen evenwel zeer veel regen.
Het aantal inwoners bedraagt ongeveer 42.000, die een belangrijken handel, vooral in houtwaren, haring, stokvisch en levertraan drijven. Men treft er ook eenige fabrieken en scheepstimmerwerven aan.
De zeevaart bloeit er. Ruim 240 schepen hooren er te huis, terwijl er 's jaars meer dan duizend de haven binnenvallen.
Een kwartier van de stad vindt men op het eilandje Fidje de uitspanningsplaats Nydgaden. Oudheidkundigen beweren, dat daar Harald Harfagar, de eerste koning van Noorwegen zijn verblijf zou gehouden hebben. De stad Bergen is in 1070 gesticht; en de Hanzeatische factorij in 1412 opgericht en in 1445 door Christoffel III bevestigd, matigde zich een onbeperkt gezag aan over de burgers; zoodat hare bewindhebbers in 1455 den gouverneur, den bisschop en zestig andere personen ter dood lieten brengen. Maar in 1460 werd aan die macht perk en paal gesteld. De stad, van hout gebouwd, is meermalen eene prooi der vlammen geworden, de laatste keeren in 1756 en 1771. Het oude slot Bergenhuus was tot aan de unie van Kalmar de zetel van de Noorweegsche koningen en dient thans tot verblijfplaats van den militairen bevelhebber, tot wapenmagazijn en tot gevangenis.
In iedere andere omstandigheid zou professor Sylvius Hog de begeerte niet hebben kunnen onderdrukken om die provinciehoofdstad, die door haar uiterlijk en de zeden en gewoonten harer inwoners meer een Nederlandsch dan wel een Noorweegsche karakter bezit, te bestudeeren. Die studie toch maakte deel uit van zijn ontworpen reisplan. Maar, sedert het ongeval, hem op den Maristiaan-pas overkomen, sedert zijne aankomst en zijn verblijf te Dal, had dat reisplan aanzienlijke wijzigingen ondergaan.
Sylvius Hog was niet meer de toerist-afgevaardigde, die zoowel uit een staatkundig als uit een handels-oogpunt, het land, dat hij vertegenwoordigde, nauwkeurig wenschte te leeren kennen. Neen, het was de gast van de familie Hansen, de man, die aan Hulda en Joël veel verplichting had en de belangen van die kinderen vóór alles wilde bevorderen. Het was de schuldenaar die, ongeacht den prijs, dien het hem kosten mocht, zijne rekening wilde vereffenen.
»En,” dacht hij, »wat ik voor hen wil beproeven, is in vergelijking van wat zij voor mij verricht hebben, waarlijk zeer weinig te noemen.”

En zette Sylvius Hog voet op de Vischmarktkade. Blz. 137.
Te Bergen aangekomen, liep de Run de haven binnen, en zette Sylvius Hog voet aan wal op de Vischmarktkade, aan den achterkant van het bekken gelegen. Hij begaf zich dadelijk naar de wijk Tijske Bodron, waar de Heer Help Junior, vennoot van de firma Gebroeders Help, woonde. Het regende natuurlijk.
Ik zeg natuurlijk, omdat te Bergen het jaar op driehonderd zestig regendagen gesteld wordt. Dus maar vijf of bij schrikkeljaren zes dagen droog weer.
Maar men zou niet licht een drooger en beter beschut huis gevonden hebben, dan de gastvrije woning van den heer Help Junior.
En de ontvangst, die Sylvius Hog daar ten deel viel kon nergens vriendelijker, hartelijker en beter gemeend geweest zijn. Zijn vriend legde als het ware beslag op zijn persoon, alsof hij een coli van onschatbare waarde bemachtigd had, dat hij als handelaar in consignatie opnam, zorgvuldig in zijne magazijnen bewaarde en niet zou afgeven dan tegen een wettig ontvangbewijs.
Professor Sylvius Hog maakte den heer Help Junior bekend met het doel zijner reis. Hij sprak terstond over de Viken en vroeg hem of er sedert zijn laatsten brief geen tijdingen gekomen waren? Meenden de ervaren zeelieden van de plaats dat het schip met man en muis vergaan was? En had die schipbreuk, die toch zoovele familiën te Bergen in den rouw dompelde, de autoriteiten niet aangespoord een onderzoek in te stellen?
»Hoe zou men dat kunnen,” antwoordde de heer Help Junior op de laatste vraag, »men weet immers niet waar de schipbreuk plaats heeft gehad?”
»Toegegeven, waarde Help,” hernam de professor, »maar juist omdat men dat niet weet, moet men trachten het te weten te komen, dunkt mij.”
»Het te weten te komen?”
»Ja, zeker.”
»Maar, hoe?”
»Al is men ook onbekend met de plaats waar de Viken gezonken is, dan weet men toch waar het loterijbriefje door het Deensche schip opgevischt werd. Dat is eene belangrijke aanwijzing dunkt mij; en het zou eene laakbare nalatigheid zijn die te veronachtzamen. Vindt ge ook niet?”
»Voorzeker.”
»Dus....”
»Maar waar is dat briefje gevonden, professor?”
»Luister, waarde Help!”
Sylvius Hog deelde den reeder toen de laatste berichten mede, die hij iets vóór zijn vertrek van Dal van het departement van Marine ontvangen had. Ook gaf hij hem kennis van de volmacht der Regeering en van de wijze, waarop hij die wilde gebruiken.
De flesch, die het loterijbriefje van den stuurman Ole Kamp bevat had, was op den 3den Juni des namiddags door de brikgoelet Christian, kapitein Mosselman van Elseneur, gevonden, tweehonderd mijlen ten zuidwesten van IJsland; terwijl de wind toen uit het zuidoosten blies.
Kapitein Mosselman had, zooals zijn plicht hem gebood, dadelijk den inhoud van dat briefje onderzocht. Hij moest dat doen om te weten te komen of de schipbreukelingen der Viken nog te helpen waren. Maar de weinige regels, die op de keerzijde van het loterijbriefje geschreven waren, duidden met zekerheid aan, dat hier hulp te laat kwam. Er was toch volstrekt niet gemeld, waar de schipbreuk had plaats gehad, en bijgevolg kon de Christian onmogelijk naar de plek van de ramp stevenen.
Het was een brave, eerlijke kerel, die kapitein Mosselman!
Misschien zou een ander minder rechtschapen man dat loterijbriefje gehouden hebben.
Hij daarentegen had slechts eene gedachte, namelijk dat briefje aan haar te doen toekomen aan wie het behoorde, aan wie het toegedacht was. Derhalve zou hij het in de eerste de beste havenplaats, die hij zou aandoen, verzenden aan Hulda Hansen te Dal. Dat opschrift was voldoende, eene omschrijving kon overbodig geacht worden.
Toen hij evenwel te Kopenhagen binnengeloopen was, dacht kapitein Mosselman bij zich zelven, dat het toch beter was, het loterijbriefje aan de Deensche autoriteiten af te geven, dan het rechtstreeks aan de geadresseerde te zenden. Dat was zekerder, meer volgens de regels. Zoo deed hij dus, en het departement van Marine te Kopenhagen stelde zich dadelijk met dat te Christiania in verbinding.
Op dat tijdstip had men reeds bij laatstgenoemd departement de eerste brieven van professor Sylvius Hog ontvangen, die nauwkeurige berichten omtrent de Viken verzocht. Het was algemeen bekend, welk belang hij in de familie Hansen stelde. Men wist, dat hij nog eenigen tijd te Dal zou vertoeven, en daar werd hem het loterijbriefje, dat door den Deenschen gezagvoerder opgevischt was, toegezonden, opdat hij het Hulda Hansen ter hand kon stellen.
En van dat oogenblik af had die gebeurtenis de openbare meening, zooals men weet, zeer beziggehouden, en was de ontroering vooral opgewekt door de aandoenlijke bijzonderheden, die door de dagbladen der beide halfronden medegedeeld waren.
Ziedaar, wat professor Sylvius Hog zoo beknopt mogelijk aan zijn vriend den heer Help Junior mededeelde.
Deze hoorde hem met de meeste belangstelling aan en was den professor geen enkele maal in de rede gevallen, toen deze zijn verhaal aldus eindigde:
»Eén punt is er dus, dat geen twijfel toelaat, namelijk, dat op den 3den Juni laatstleden het loterijbriefje gevonden is tweehonderd mijlen ten zuidwesten van IJsland, ongeveer een maand, nadat de Viken het anker gelicht en Saint Pierre-Miquelon verlaten had, om naar Europa te stevenen.”
»En....?” vroeg mijnheer Help Junior aarzelend.
»En, wat?”
»Weet gij niets meer?”
»Neen, waarde Help.”
»Dat is niet veel, zult ge moeten erkennen.”
»Accoord! Maar, als men de ervarenste zeelieden van Bergen raadpleegt, hen die de bedoelde streken veelvuldig bevaren hebben, die de daar heerschende winden, maar vooral de verschillende stroomingen kennen, zou het dan niet mogelijk zijn den weg, door de flesch afgelegd, op de kaart aan te duiden? Wanneer men dan hare snelheid natuurlijk bij gissing berekende en het tijdstip in aanmerking nam, waarop zij opgevischt was, zou het dan onmogelijk zijn het punt aan te geven, waar Ole Kamp haar te water wierp, met andere woorden de plek, waar de schipbreuk plaats gevonden heeft?”
De heer Help Junior schudde het hoofd op alles behalve goedkeurende manier.
Volgens hem kon een stelsel van nasporingen, dat op zulke onbeduidende aanwijzingen gegrond werd, en waarbij nog zoo ontelbaar vele oorzaken van vergissingen konden komen, slechts tot teleurstellingen leiden. De scheepsreeder was een kalm, koelbloedig en practisch mensch en meende, dat het zijn plicht was zijne zienswijze aan professor Sylvius Hog mede te deelen.
»Gij hebt wellicht gelijk, vriend Help,” antwoordde deze. »Maar het is nog geene reden om den moed te laten zinken, dat we alleen onzekere gegevens hebben. Ik ben er op gesteld, dat alles beproefd wordt in het belang van die arme menschen, aan wie ik het leven verschuldigd ben. Ja, als het moest, zou ik geen oogenblik aarzelen, alles wat ik bezit op te offeren, om den stuurman Ole Kamp weer te vinden en hem in de armen zijner bruid, in de armen van Hulda Hansen terug te voeren!”
Natuurlijk bleef Sylvius Hog niet in gebreke zijn wedervaren bij den waterval van Rjukanfos in al zijn bijzonderheden te verhalen. Hij deelde zijn vriend mee hoe die wakkere, onversaagde Joël en zijn niet minder moedige zuster Hulda hun leven hadden gewaagd, om hem te hulp te komen, en hoe hij zonder hunne tusschenkomst niet het genoegen zou gesmaakt hebben, de gast van zijn vriend Help te zijn.
Maar zooals reeds gezegd is, vriend Help was er de persoon niet naar, om zich door droombeelden te laten meesleepen. Hij was er evenwel niet tegen, dat men zelfs het schijnbaar nuttelooze, het onmogelijke beproefde, als het een quaestie van menschlievendheid gold. Hij eindigde dan ook met alles goed te keuren, wat professor Sylvius Hog zou willen ondernemen.
»Vriend Sylvius,”... begon hij.
»Wat wilt ge zeggen? Komaan spreek,” moedigde de professor hem aan.
»Vriend Sylvius, ik zal u, zooveel in mijn vermogen is, helpen. Ja, gij hebt gelijk! Zoolang er ook maar een flauwe kans bestaat, om den een of anderen ongelukkige op te sporen, aan de schipbreuk van de Viken ontkomen, en vooral dien flinken Ole Kamp, wiens bruid u het leven gered heeft, mogen wij haar niet verwaarloozen.”
»Neen, Help, dat mogen wij niet.”
»En al was die kans nog zoo gering....”
»Al was ze niet grooter dan één tegen honderdduizend!” riep de professor uit, »dan moeten wij ze nog wagen!”
»Heden nog zal ik de beste zeelieden van geheel Bergen op mijn kantoor te zamen roepen.”
»Goed zoo!”
»Ik zal mij tot hen wenden, die in de omstreken van IJsland en New-Found-Land gevaren hebben....”
»Die zijn er genoeg in Bergen, geloof ik....”
»En ik zal hun vragen wat zij ons aanraden te doen....”
»Hun raad zullen wij nauwkeurig opvolgen, niet waar?” antwoordde professor Sylvius Hog met zijne aanstekelijke geestdrift. »Ik heb den steun van het gouvernement. Ik ben gemachtigd om een van de rijksstoombooten te laten uitstevenen, om de Viken op te sporen, en ik reken er op, dat niemand aarzelen zal tot zoo'n onderneming mede te werken. Ik althans heb er alles voor over!”
»Ik ga dadelijk naar het havenkantoor,” zei de heer Help Junior.
»Zal ik met u medegaan?”
»Dat is onnoodig. Gij zult wel vermoeid zijn....”
»Ik?.... Gij spot!”
»Volstrekt niet.”
»Ik?.... Vermoeid?.... Op mijn leeftijd!”
»Om het even. Neem rust, waarde en steeds jeugdige Sylvius. Neem zoo gemakkelijk mogelijk plaats en wacht mij.”
Denzelfden dag had er eene vergadering van scheepskapiteins der koopvaardijvloot, van visschers in de bedoelde streken, van loodsen enz. in de woning der Gebroeders Help plaats. Daar bevonden zich vele zeelieden, die nog steeds voeren; ook waren er eenigen, die reeds bejaard waren en er het varen reeds lang aan hadden gegeven.
Professor Sylvius Hog begon dadelijk allen op de hoogte van den toestand te brengen.
Hij deelde hun mede, op welken datum—den 3den Mei—het loterijbriefje door Ole Kamp in zee was geworpen, en op welken datum—den 3den Juni—de Deensche gezagvoerder het opgevischt had. Hij vertelde hun, waar dat geschied was, namelijk: tweehonderd mijlen ten zuidwesten van IJsland.
Het gesprek, dat zich nu ontspon, werd zeer gerekt, maar was dan ook uiterst ernstig en zeer belangrijk.
Geen der aanwezige zeelieden was onbekend met dat gedeelte van den Atlantischen Oceaan, begrepen tusschen New-Found-Land, IJsland en Noorwegen, en evenmin met de stroomingen, die daar heerschen, en die alleen den sleutel konden geven tot de oplossing van het raadsel.
Nu stond het onwrikbaar vast, dat gedurende den tijd, begrepen tusschen het oogenblik dat de Viken het anker te Saint Pierre-Miquelon gelicht had en onder zeil gegaan was, en dat de flesch door het Deensche vaartuig was opgevischt, onafgebroken windvlagen, zelfs stormen uit het zuidoosten dat gedeelte van den Atlantischen Oceaan beroerd hadden. Ongetwijfeld was aan een dezer stormen de schipbreuk van de Viken toe te schrijven. Waarschijnlijk had het ontredderde vaartuig niet kunnen bijleggen en voor den wind moeten lenzen. Nu beginnen in het seizoen der lenteëvening de ijsschotsen en ijsbergen uit de Poolzeeën naar den Atlantischen Oceaan af te drijven. Het was dus mogelijk, dat een botsing plaats had gehad, waarbij de Viken tegen een van die drijvende klippen, die zoo moeielijk te mijden zijn, verbrijzeld was geworden.
Nam men nu die veronderstelling aan, dan was het toch mogelijk, dat de bemanning zich althans gedeeltelijk op een van die ijsvelden gered had, zelfs dat zij gelegenheid had gehad eene zekere hoeveelheid levensmiddelen daarop over te brengen.
Wanneer dat zoo was, dan was de ijsschots met haren kostbaren last door de zuidoostenwinden naar het noordwesten gedreven geworden en kon het dus als mogelijk aangenomen worden, dat de geredde schipbreukelingen de gelegenheid gevonden hadden, op het eene of andere punt van de Groenlandsche kust aan wal te komen.
Het was dus in die richting en in die streken, dat de nasporingen moesten geschieden.
Zoo luidde het antwoord, dat met eenparige stemmen door die zeelieden uitgebracht werd op de verschillende vragen, door professor Sylvius Hog geopperd.
Er bestond bij niemand twijfel, dat op de aangegeven wijze te werk moest gegaan worden.
Maar.... wat zou er anders dan wrakstukken weergevonden worden, als de Viken inderdaad tegen een drijvenden ijsberg gebonsd had? Zou men in dat geval durven hopen, dat enkelen zich hadden kunnen redden?
Het antwoord daarop moest voorzeker meer dan twijfelachtig luiden.
Toen de professor die twee vragen bepaald en stellig deed, bemerkte hij dra, dat de meest bevoegden niet konden of wilden antwoorden.
Dat was evenwel geen reden, om niet te handelen,—daarin stemden allen overeen,—maar dan moesten de nasporingen dadelijk beginnen. Er mocht geen tijd verloren gaan.
Te Bergen zijn gewoonlijk eenige vaartuigen aanwezig, die deel uitmaken van de Noorweegsche rijksvloot.
Tot die havenplaats behoort een der drie snelvarende stoomschepen, die den dienst langs de geheele westkust waarnemen, waarbij zij de havens en reeden van Drontheim, Finmark, Hammerfest, en de Noordkaap aandoen. Gelukkig lag dat stoomschip toen in de baai voor anker.
Nadat hij een proces-verbaal opgemaakt had, dat een beknopt overzicht leverde van de meeningen der zeelieden, die bij Help Junior vergaderd waren, begaf professor Hog zich dadelijk aan boord van het gouvernements-stoomschip Telegraaf en overhandigde den bevelhebber van dien bodem de schriftelijke opdracht, die hij van het gouvernement had weten te bekomen.
Die bevelhebber ontving den professor met de meeste heuschheid en verzekerde hem, dat hij van zijne zijde de ijverigste medewerking te verwachten had. Hij had die zeeën veelvuldig bevaren op de lange en gevaarlijke tochten, die de visschers van Bergen, van de Loffoden en van Finmarken zoover van hun vaderland doen afdwalen, soms zelfs tot bij de vischgronden van IJsland of van New-Found-Land. Hij was dus door zijne speciale bekendheid met dit gedeelte van het vraagstuk, in het bijzonder in staat nuttig te zijn bij de menschlievende taak, die ondernomen moest worden en beloofde dan ook, dat hij er zich geheel en al aan zou wijden.
Wat het proces-verbaal betrof, dat hem professor Silvius Hog overreikte, en waarin het vermoedelijke punt, waar de schipbreuk plaats gehad zoude hebben, aangegeven was, daarmede kon hij zich ten volle vereenigen en nam dan ook de eindbeslissingen daarvan als de zijne aan.
Men moest gaan zoeken in dat gedeelte van de Noordelijke IJszee, dat tusschen IJsland en Groenland begrepen is. Als er nog schipbreukelingen of wrakstukken van de Viken over waren, dan zouden zij daar te vinden zijn. Als de gezagvoerder van de Telegraaf daar niet slaagde, dan zou hij zijn nasporingen tot de naburige streken uitstrekken en er niet tegen opzien om de geheele oostkust van de Baffinsbaai te doorzoeken.
»Ik ben tot vertrek gereed, mijnheer Hog,” besloot de gezagvoerder. »Ik heb steenkolen en levensmiddelen ingenomen, mijne bemanning is aan boord, en ik kan heden nog uitstoomen.”
»Ik dank u, commandant,” antwoordde de professor, »ik ben getroffen door de uitmuntende ontvangst, die gij mij bereid hebt. Maar vergun mij nog eene vraag?”
»Geheel tot uw dienst, mijnheer Hog,” hernam de bevelhebber met een beleefde buiging.
»Kunt gij mij zeggen, hoeveel tijd er noodig zal zijn, om de Groenlandsche wateren te bereiken?”
»Mijn vaartuig loopt tien mijlen in de wacht.”
»Tien mijlen.... in de wacht?”
»Ja, professor, geografische mijlen, van vijftien op een graad en gelijkstaande met drie Engelsche mijlen.”
»O, zoo!”
»Mijn vaartuig loopt dus tien mijlen. En daar de afstand van Bergen naar Groenland ongeveer twintig graden bedraagt, denk ik Groenland binnen een vijftal dagen te bereiken.”
»Zet er zooveel mogelijk haast achter, commandant,” hernam de professor. »Als eenige schipbreukelingen aan de ramp hebben kunnen ontkomen, dan verkeeren zij zeker reeds sedert twee maanden in de grootste ellende en sterven schier van honger op de een of andere afgelegen kust.”
»Ik zal geen oogenblik laten verloren gaan, professor. Heden nog zal ik van het intreden der eb gebruik maken, om zee te kiezen, en ik zal steeds zoo hard mogelijk laten stoomen.”
»Goed zoo, ik dank u bij voorbaat.”
»En zoodra ik in het bezit van de een of andere aanwijzing geraak, zal ik het departement van Marine te Christiania per telegraaf uit New-Found-Land daarvan verwittigen.”
»Welnu, commandant, vertrek dan,” antwoordde professor Sylvius Hog, »en God geve, dat gij moogt slagen!”
»Amen!” zei de gezagvoerder aangedaan.
De Telegraaf koos denzelfden dag zee en werd bij haar vertrek met hoera's van de geheele bevolking van Bergen begroet.

Professor Sylvius Hog begon dadelijk allen op de hoogte van den toestand te brengen. Blz. 142.
Men zag het schip niet zonder aandoening in de krommingen van het vaarwater wenden en draaien, en daarna achter de laatste eilandjes van den fjord verdwijnen.
Bij dien tocht, dien hij het stoomschip Telegraaf opgedragen had, bepaalden zich de pogingen van professor Sylvius Hog niet.
Volgens hem kon veel meer gedaan worden. Andere schepen b. v. konden ook trachten een spoor van de Viken te ontdekken. Zou het niet mogelijk zijn een soort van edelen wedijver tusschen de handelsvaartuigen, de visschersschuiten, de joëgts of andere schepen in het leven te roepen. Wanneer die hunne hulp verleenden, terwijl zij in de omstreken van de Far-öer of van IJsland stevenden, zou er zeer veel gewonnen zijn. Ongetwijfeld! Een premie van twee duizend mark werd dan ook in naam van het gouvernement uitgeloofd aan ieder vaartuig, dat eenig bericht omtrent het vergane schip kon mededeelen en van vijf duizend mark aan hem, die een der schipbreukelingen in het vaderland terugbracht.
Zoo besteedde professor Sylvius Hog de beide dagen, die hij te Bergen doorbracht.
Hij deed alles wat mogelijk was, om die nasporingen te doen slagen, en hij werd daarbij behoorlijk door zijn vriend, den heer Help Junior, en ook door de verschillende autoriteiten gesteund.
De heer Help wenschte den professor nog eenigen tijd als gast bij zich te behouden. Maar deze bedankte beleefd nog langer in die stad te blijven. Hij verlangde om weer bij Hulda en Joël te zijn, daar hij reeds vreesde, hen te lang aan zich zelven overgelaten te hebben.
De heer Help Junior beloofde hem evenwel elk bericht omtrent de Viken dadelijk naar Dal te seinen.
De professor wilde in dat geval zelf de familie Hansen de tijding, hetzij goed of kwaad, mededeelen.
Op den morgen van den 4den scheepte Sylvius Hog zich, na afscheid van zijn vriend Help Junior genomen te hebben, op de Run in om den Hardanger fjord over te steken. Zoo hij geen tegenspoed had, hoopte hij op den avond van den 8sten in het Telemarksche terug te zijn.