← Table of contents
Het loterijbriefje

XIX. DE LOTERIJTREKKING.

Reading edition

Welk een saamgepakte menigte in de groote zaal der Universiteit te Christiania, waar de trekking der loterij zou plaats hebben!

Maar, niet alleen die zaal was volgepropt, ook de binnenplaatsen waren vol menschen. Welke zaal ter wereld had zoo'n menigte kunnen bevatten?

Zelfs de naburige straten stonden vol, want ook de binnenplaatsen der Universiteit waren te klein geweest om al de nieuwsgierigen te bevatten.

Waarlijk op dien zondag, dien 15den Juli, zou men die Noren, nu zoo opgewonden, niet voor een kalm, flegmatisch volk uitgekreten hebben, zooals gewoonlijk geschiedt.

Maar, waardoor werd die opgewondenheid dan toch veroorzaakt?

Sproot zij voort uit de belangstelling, welke deze trekking opwekte?

Of vond zij haren oorsprong in de buitengewone warmte, welke dien dag in Noorwegens hoofdstad heerschte?

Maar om het even, wat er ook de oorzaak van mocht zijn, zooveel was zeker, dat het veelvuldig, ja overdadig gebruik van »multers”, eene zeer verfrisschende vrucht, die in Scandinavië overvloedig voorkomt en verorberd wordt, niet in staat was die opgewondenheid te doen verkoelen.

De trekking der loterij zou ten drie ure precies beginnen. Geen minuut later.

Er waren honderd prijzen te winnen. Deze waren in drie seriën afgedeeld, namelijk: de eerste serie, bestaande uit negentig prijzen van honderd tot duizend mark, tot een gezamenlijk bedrag van vijf en veertig duizend mark; de tweede serie, bestaande uit negen prijzen van duizend tot negen duizend mark, en de derde serie bestaande uit een eenigen prijs, namelijk dien van honderd duizend mark.

In tegenstelling van hetgeen gewoonlijk bij loterijen van dien aard geschiedt, was het groote effect, het knal-effect zouden wij haast zeggen, voor het einde bewaard. De hoogste prijs zou niet aan het eerst uitgetrokken nummer toegewezen worden, maar aan het laatste, namelijk aan het honderdste.

Daaruit zou eene opeenvolging van indrukken, ontroeringen, hartkloppingen ontstaan die al sterker en sterker zouden worden, naarmate de trekking vorderde.

Het spreekt vanzelf, dat ieder nummer, waarop een prijs gevallen was, geen tweeden meer kon verkrijgen. Mocht zoo'n nummer voor de tweede maal uit de bus komen, dan was het natuurlijk nietig.

Dat alles wist het publiek. Dat behoefde niet meer verkondigd te worden. Men had nu slechts te wachten op het bepaalde uur. Maar om de verveling ondertusschen te verdrijven en den tijd te dooden, werd er gepraat. En zooals licht te begrijpen is, liep het gesprek hoofdzakelijk over Hulda Hansen en over haar wedervaren.

Waarlijk als zij nog in het bezit van het loterijbriefje van Ole Kamp ware geweest, dan zou een ieder, na zich zelven eerst het groote lot toegewenscht te hebben, den tweeden prijs aan haar hebben toegedacht.

Het scheen, dat op dat oogenblik reeds verscheidene personen kennis droegen van het telegram, door het Morgenblad in zijn laatste nummer verspreid. Men sprak er met zijn buurlieden over, en weldra wist de geheele verzamelde menigte, dat de nasporingen van het adviesvaartuig de Telegraaf tot geene uitkomst hadden geleid.

Men moest dus de poging opgeven, om, al ware het ook maar een wrakstuk van de Viken, weer te vinden!

De geheele bemanning scheen bij het zinken van het vaartuig omgekomen!

De arme Hulda zou dus haren bruidegom niet weerzien! De uitspraak van het noodlot was onherroepelijk.

Een gerucht leidde een oogenblik de algemeene aandacht af. Er werd namelijk verteld, dat de woekeraar Sandgoïst er toe overgegaan was Drammen te verlaten, en zelfs beweerden ettelijken der aanwezigen hem in de straten van Christiania gezien en ontmoet te hebben.

Zou hij het dan toch gewaagd hebben, hierheen te komen? Zou hij in de zaal durven verschijnen?

Het nummer 9627. Blz. 214.
Het nummer 9627. Blz. 214.

Het nummer 9627. Blz. 214.

Als dat waar was, dan zou die fielt er niet gemakkelijk afkomen.

Daarop zakte zij ineen. Blz. 219.
Daarop zakte zij ineen. Blz. 219.

Daarop zakte zij ineen. Blz. 219.

Hij!... zou hij bij de trekking tegenwoordig zijn!.... dat was zoo onwaarschijnlijk, dat het niet mogelijk scheen.

Laten wij er evenwel dadelijk bijvoegen, dat het gerucht slechts een praatje was. Baas Sandgoïst was kalm en voorzichtig te Drammen gebleven. Dat daarvoor goede redenen bestonden, zal de lezer later wel merken.

Omstreeks kwart voor tweeën, begon er eene zekere beweging onder de volksmenigte te ontstaan.

De oorzaak daarvan was professor Sylvius Hog, die aan de buitendeur van het Universiteitsgebouw verscheen. Iedereen wist, hoezeer hij in die geheele zaak betrokken was, en hoe hij, uit dankbaarheid voor zijne redding door de kinderen van vrouw Hansen, alles in het werk gesteld had, om hen te helpen.

Men maakte dadelijk plaats voor den professor. Een vleiend gemompel werd vernomen, dat door professor Sylvius Hog met vriendelijke knikjes beantwoord werd. Het gemompel hield aan, werd al sterker en sterker en ging eindelijk in een uitbundig gejuich over.

Maar.... maar.... de professor was niet alleen.

Zij, die het dichtst in de nabijheid waren, weken terug, om nog meer plaats te maken, en toen zag men, dat hij een jong meisje aan den arm had, terwijl een jonge man hen op de hielen volgde.

Een jeugdig meisje en een jonge man! Was het niet mogelijk, dat....?

Wel zeker, was dat mogelijk!... Het was zelfs waarschijnlijk!.... Zoo dacht een ieder.

Het scheen wel dat die menigte een electrischen schok had gekregen. Hetzelfde woord drong zich op aller lippen.

»Hulda!.... Hulda Hansen!...” riepen honderden, duizenden stemmen.

Eigenlijk ontsnapte die naam aller lippen.

»Hulda!.... Hulda Hansen!....”

Ja, het was Hulda Hansen, die daar het Universiteitsgebouw was binnengetreden.

Het arme meisje kon van aandoening niet overeind blijven. Zij zou gevallen zijn, als Sylvius Hog haar niet met krachtigen arm ondersteund had. Ja, dat deed de waardige professor. Hij ondersteunde de heldin van dit feest, die evenwel haren Ole Kamp daarbij miste!

Och, hoeveel liever zou zij in hare kleine bescheidene kamer te Dal zijn gebleven!

O, hoe gaarne zou zij zich aan al die nieuwsgierige blikken, die toch zoo goedig en trouwhartig op haar gevestigd waren, hebben willen onttrekken. Maar Sylvius Hog had gewenscht, dat zij hierheen kwam, en zij was gekomen.

»Plaats! Plaats!” riep men van alle kanten.

En men drong naar alle zijden, om voor professor Sylvius Hog, voor Hulda en Joël ruimte te maken.

Hoeveel handen strekten zich niet uit, om de hunne aan te raken, om die met warmte te drukken!

Hoeveel welwillende en troostrijke woorden vernamen zij in het voorbijgaan.

Sylvius Hog kon niet nalaten bij al die bewijzen van belangstelling goedkeurend te knikken.

»Ja,” riep hij uit. »Zij is het vrienden!.... Ja, dat is de kleine Hulda, die ik van Dal hierheen gevoerd heb!”

En zich omkeerende, ging hij voort.

»En dat is Joël, haar kloeke broeder!”

De toejuichingen namen schier geen einde.

De professor maakte van een oogenblik van kalmte gebruik, om de menigte lachend toe te roepen:

»Pas dan toch op, en drukt mijne beschermelingen niet dood!”

En terwijl Joël al die handdrukken krachtig beantwoordde, werden de minder geharde handen van den professor schier verbrijzeld. Zijn oogen schitterden, hoewel er een traan van aandoening in parelde. Maar.... opmerkenswaardig verschijnsel voor de gezichtkundigen—die tranen schenen lichtgevend te zijn.

Ons drietal had een groot kwartier noodig, om het binnenplein der Universiteit door te worstelen, teneinde de groote zaal te kunnen bereiken en daar plaats te nemen op de stoelen, die door de zorgen van den professor voor hen bewaard waren.

Eindelijk gelukte dat toch, hoewel niet zonder moeite, en weldra zat Sylvius Hog tusschen Hulda en Joël. Tegen halfdrie ging eene deur open achter een verhevenheid, die in de zaal gemaakt was. De voorzitter der loterij-commissie verscheen waardig, ernstig, en met dat gebiedend uiterlijk, die bijzondere houding van het hoofd, eigen aan iedereen, die tot het aanvaarden van een presidentszetel geroepen is. Twee assessoren volgden hem met niet minder ernstige gezichten.

Daarop zag men zes kleine meisjes binnentreden, met blond haar, blauwe oogen, en ietwat roode handen.

Voorzeker de handen der onschuld, die de nummers der loterij zouden trekken.

Die zes meisjes waren daarenboven met veelkleurige linten versierd; terwijl zij een krans op het hoofd en een ruiker op de borst droegen.

Die komst werd met een zeker gemompel begroet, dat vooreerst het genoegen van de menigte moest te kennen geven bij het zien van de directeuren der loterij van Christiania, maar ook als een blijk van ongeduld was te beschouwen, omdat men hen zoolang had laten wachten. Intusschen namen de drie directeuren op de verhevenheid, daarvoor bestemd, plaats.

Hierboven werd gezegd, dat er zes meisjes waren. Zij stonden bij de zes bussen of trommels, die op eene tafel geplaatst waren, en waaruit bij elke trekking zes nummers te voorschijn gebracht moesten worden.

Die zes trommels bevatten ieder de tien nommers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 0, die de eenheden, tientallen, honderdtallen, duizendtallen, tienduizendtallen en honderdduizendtallen van een millioen vertegenwoordigden. Het is waar de loterij bestond uit een millioen loten, toch was er geen zevende trommel, maar bij dat stelsel van trekking, was men overeengekomen, dan wanneer de zes nullen tegelijk getrokken werden, die dat getal millioen zouden aanduiden, wat de kansen voor al de nummers volkomen gelijkmaakte.

Bovendien was bepaald, dat de nummers achtereenvolgens uit de trommels te voorschijn zou worden gehaald, te beginnen bij die, welke ter linkerzijde van het publiek stond. Het winnende getal zou zoo onder het oog der toeschouwers gevormd worden, eerst door het cijfer der honderdduizendtallen, daarna door dat der tienduizendtallen enz. tot dat der eenheden.

Ten gevolge van die regeling, zou, zooals de lezer wel denken kan, de spanning der menigte al meer en meer toenemen. Ieder zou toch, bij het te voorschijn brengen van een cijfer, zijne kansen zien toenemen of verdwijnen.

Klokslag drie uur maakte de voorzitter der loterij-commissie een gebaar met de hand, sloeg met een houten hamer op de tafel en verklaarde de zitting geopend.

Een gemompel, dat zeker eenige minuten duurde, volgde op die verklaring. Daarop werd het stil.

Toen stond de voorzitter der loterij-commissie op. Hij scheen zeer bewogen en sprak met haperende stem een kleine gelegenheidsrede uit waarin hij scheen te betreuren, dat niet voor ieder lot een groote prijs had kunnen bestemd worden. Hij wees op de onmogelijkheid van zoo iets en eindigde zijn improvisatie met een gelukwensch voor alle aanwezigen, zelfs voor de niet-spelers incluis.

Daarna gaf hij bevel om tot de trekking der eerste serie van prijzen over te gaan.

Deze bevatte, zooals men weet negentig prijzen, zoodat de trekking daarvan nog al tijd vorderde.

De zes kleine meisjes begonnen dus hun werk en deden dat met eene schier automatische regelmatigheid, zonder dat evenwel daardoor het geduld van het publiek uitgeput werd. Het is waar, de belangrijkheid en de waarde der te trekken prijzen rezen bij iedere trekking. In dezelfde verhouding klom ook de opgewondenheid der menigte en niemand dacht er aan, om vóór den afloop zijne plaats te verlaten. Zelfs zij bleven, wier nummers reeds uitgekomen waren, en die dus volgens de gemaakte bepalingen geen kans meer hadden.

Een uur ongeveer ging voorbij, zonder dat er iets bijzonders voorviel.

Men had trouwens de opmerking reeds gemaakt, dat nummer 9672 nog niet uitgekomen, of, beter gezegd, nog niet gevormd was. Dan zou natuurlijk aan dat lot de kans op het winnen van den prijs van honderdduizend mark ontnomen zijn.

»Dat is waarlijk een goed voorteeken voor dien Sandgoïst,” merkte een der aanwezigen in de nabijheid van professor Sylvius Hog op. »Waarlijk, een goed voorteeken!”

»Ba!” antwoordde een ander, »het zou toch te verwonderen zijn, als het groote lot hem ten deel viel!”

»Accoord, maar....”

»Maar, wat?”

»Gij kunt niet ontkennen, dat hij een uitstekend nummer bezit, een uitstekend nummer!”

»Inderdaad, een uitstekend,” antwoordde professor Sylvius Hog met een glimlach.

»Waarom, professor?” werd hem van alle kanten met den meesten aandrang gevraagd.

Zoo'n geleerde moest dat weten! Waartoe zou anders de wetenschap dienen!

»Vraag me dat niet, vrienden,” antwoordde professor Sylvius Hog.

»Waarom niet, professor?”

»Omdat ik daarop geen antwoord zou weten te geven.”

De nieuwsgierigen moesten zich daarmee tevreden stellen.

Toen begon de trekking van de tweede serie, die negen prijzen bevatte.

De aandacht werd hoe langer hoe meer gespannen. De een en negentigste prijs bedroeg toch reeds duizend mark! Eene heele som! De twee en negentigste bedroeg tweeduizend mark, de drie en negentigste drieduizend, en zoo voort tot de negen en negentigste prijs, die natuurlijk negenduizend mark gewin aanbracht.

De derde serie bestond, zooals men zich herinneren zal, uit een eenigen prijs, den hoogsten, dien van honderdduizend mark.

Het nummer 72521 won den prijs van vijfduizend mark.

Dat lot behoorde aan een braven zeeman, die in Christiania thuis behoorde. De man werd met warmte toegejuicht, en hoorde die toejuichingen met waardigheid aan.

Een ander nummer, 823752, won zesduizend mark.

Hoe groot was de blijdschap van onzen professor, toen Joël Hansen hem mededeelde, dat dit nummer toebehoorde aan de bekoorlijke Siegfrid te Bambel!

Daarna gebeurde er iets, dat het publiek in de grootste spanning bracht en tot velerlei gemompel aanleiding gaf. Toen men den zeven en negentigsten prijs trok, dien van zevenduizend mark, verkeerde men aanvankelijk in de meening, dat Sandgoïst althans voor dezen prijs door het lot begunstigd zoude worden.

Inderdaad, de twee eerste cijfers, die der duizendtallen en honderdtallen kwamen goed uit. Ook de beide andere cijfers werden uit hunne respectieve trommels getrokken, maar in omgekeerde orde, zoodat niet 9672, maar wel 9627 uitgekomen was. Het scheelde weinig niet waar, of het was het nummer van Ole Kamp. Toch was er nog altijd een verschil van vijf en veertig eenheden.

De twee volgende trekkingen brachten twee nummers te voorschijn, die zeer uiteenliepen.

Het waren de nummers 775 en 76287.

De trekking der prijzen van de tweede serie was daarmede afgeloopen. Gelukkig ook!

Want, nu bleef nog maar de laatste prijs, die van honderdduizend mark over.

De opgewondenheid der toeschouwers werd al grooter en grooter, en het zou zeer moeielijk zijn er eene beschrijving, ja zelfs een denkbeeld van te geven.

Door de geheele zaal werd een langdurig gemompel vernomen, dat zich tot op de binnenpleinen, ja zelfs tot op de straat verspreidde. Het kostte nog al tijd en moeite, voordat er eenige kalmte en stilte verkregen was.

Eindelijk gelukte dat toch. Het gedruisch verminderde langzamerhand en binnen betrekkelijk korten tijd heerschte er diepe stilte. Men had eene speld kunnen hooren vallen, zooals men gewoonlijk zegt.

Het was alsof de aanwezige menigte versteend was. Die kalmte was gedeeltelijk veroorzaakt door eene soort verstomming, zooals men wel eens gevoelt—wanneer wij hier die vergelijking bezigen mogen—als men bij voorbeeld een ter dood veroordeelde, op de plaats der terechtstelling ziet verschijnen.

Ditmaal echter was de patient—thans nog een onbekende—ter dood veroordeeld, maar wel gedoemd om honderdduizend mark te winnen, dus volstrekt niet om het hoofd te verliezen, tenzij de blijdschap hem de poets speelde om zijn hoofd op hol te brengen.

Joël Hansen keek met over de borst gekruiste armen en schier wezenloozen blik de bedrijvigheid aan. Van die geheele menigte was hij wellicht het minst opgewonden.

Hulda Hansen zat naast Sylvius Hog, maar scheen in zich zelve gekeerd. Het arme meisje dacht slechts aan haren ongelukkigen Ole Kamp. Zij zocht hem instinctmatig met den blik, alsof hij op het laatste oogenblik vóór haar zou moeten verschijnen. Dwaze gedachte, niet waar?

Wat professor Sylvius Hog betrof.... Hij.... maar het zou mij onmogelijk zijn eene beschrijving te geven van hetgeen in zijn binnenste omging.

»Thans zullen wij overgaan tot de trekking van den prijs van honderdduizend mark!” verkondigde de voorzitter plechtig.

Welk eene stem!

Zij scheen wel uil de ingewanden van dien deftigen persoon voort te komen.

Dat kwam wel een weinig daar vandaan, dat hij zelf houder was van verscheidene loten, welke nummers nog niet uitgetrokken waren, en zijn kans dus aanmerkelijk toegenomen was.

Hij gaf een wenk aan zijne beide assessoren.

Dezen brachten dien wenk over aan de kleine meisjes, bij de zes trommels gezeten.

De eerste dier geluksgodinnen trok een cijfer uit de linkertrommel en vertoonde het aan het publiek.

»Nul!” zei de voorzitter met luider stem.

»Nul!” herhaalde de assessor, die tot secretaris diende, terwijl hij het genoemde cijfer opschreef.

Die nul maakte niet veel effect; men scheen niets anders verwacht te hebben.

Het tweede meisje trok op hare beurt een cijfer uit de voor haar staande trommel en liet het ook aan het publiek zien.

»Nul!” zei andermaal de voorzitter met even luide stem.

»Nul!” herhaalde de secretaris en schreef die naast de eerstgenoemde.

Twee nullen reeds!

Dus het winnend lot zou geen honderdduizendtallen en geen tienduizendtallen bevatten! Dat was duidelijk.

Men maakte de opmerking, dat de kansen aanmerkelijk vermeerderd waren voor al de nummers, voorkomende tusschen één en negen duizend negenhonderd negen en negentig.

En het briefje van Ole Kamp voerde, zooals men weet, het getal 9672.

Het ontging de algemeene aandacht niet dat Sylvius Hog onrustig begon te worden. Hij schoof op zijn stoel heen en weer en was zoo bleek, alsof hij een aanval van zeeziekte had.

Het derde meisje trok een cijfer en hief het ten aanschouwe van allen in de hoogte.

»Negen!” kondigde de voorzitter met zijne eentonige stem aan.

»Negen!” herhaalde de secretaris even onverstoorbaar. »Negen!”

Negen!.... Dat was het eerste cijfer van het loterijbriefje van Ole Kamp!

Het vierde meisje volbracht haren plicht. Zij stak hare hand in de trommel, en....

»Zes!” riep de voorzitter uit. »Zes!”

»Zes,” herhaalde zijn echo punctueel en schreef dat cijfer op de vierde plaats op.

En inderdaad het was eene zes, die het meisje aan aller blikken vertoonde. De verschillende oogen keken scherp, en het arme kind voelde zich bevreesd. Het scheen haar dat evenveel geladen pistolen op haar gericht waren.

De kans van winnen was nu van één tegen honderd voor al de nummers, begrepen tusschen één en negen en negentig, en met zes en negentig hondertallen beginnende.

De menigte was verstomd! Alle harten bonsden.

Zou dan toch het loterijbriefje van Ole Kamp die som van honderdduizend mark in den zak van Sandgoïst, van dien ellendeling tooveren?

Waarlijk, zoo iets zou aan een rechtvaardig God doen twijfelen!

Dat kon niet!... Dat mocht niet!

Zoo waren aller gedachten!

Het vijfde meisje stak op hare beurt de hand in de voor haar staande trommel en trok het vijfde cijfer.

Alle oogen keken, alle harten klopten, allen hijgden naar adem....

»Zeven!” zei de voorzitter met eene zoozeer van aandoening gesmoorde stem, dat zij zelfs op de eerste rijen stoelen niet gehoord werd.

Maar al hoorde men niet, men zag toch, en de secretaris herhaalde op duidelijken toon:

»Zeven!”

Bovendien lieten de vijf kleine meisjes de door haar getrokken cijfers aan het publiek zien.

00967

Nu was de kans van winnen nog enger begrensd.

Zij lag thans tusschen de nummers 9670 en 9679; ze stond dus als één tegen tien.

Toen Hulda de kleine kerk van Hitterdal voorbijreed. Blz. 224.
Toen Hulda de kleine kerk van Hitterdal voorbijreed. Blz. 224.

Toen Hulda de kleine kerk van Hitterdal voorbijreed. Blz. 224.

De spanning van de menigte was ten top gestegen.

Sylvius Hog was opgesprongen, en had de hand van Hulda Hansen gegrepen.

Aller blikken waren op het arme meisje gericht.

Zou zij dan, toen zij de laatste gedachtenis van haren bruidegom voor de schuldbekentenis harer moeder ten offer bracht, ook het vermogen, dat Ole Kamp voor haar en zich zelven gedroomd had, uit hare handen gegeven hebben?

Vreeselijk oogenblik!

Het zesde meisje had eenige moeite om hare hand in de voor haar staande trommel te brengen. Geen wonder, de kleine beefde als een riet.

Maar eindelijk verscheen het cijfer voor aller oogen.

»Twee!” riep de voorzitter uit.

En hij viel buiten zich zelf van ontroering in zijn stoel neer.

»Twee!” herhaalde de secretaris.

»Negen duizend zes honderd twee en zeventig!” riep de andere assessor met luide stem uit, terwijl hij op de cijfers wees die de kleine meisjes vertoonden.

En ja, daar stond:

9672

Dat was het nummer van Ole Kamp. Het nummer op het loterijbriefje, dat de Oceaan geweigerd had te verzwelgen. Het nummer van het briefje, dat zoo wonderbaarlijk opgevischt was.

Maar.... dat loterijbriefje bevond zich thans—iedereen wist het, en ook hoe het verkregen was—in handen van dien Sandgoïst, in handen van dien aarts-woekeraar!

Eene diepe stilte heerschte in de zaal en op de binnenpleinen van het Universiteitsgebouw, waar zeker eene uitbarsting van toejuichingen zoude gehoord zijn, als dat loterijbriefje zich steeds in het bezit van Hulda had bevonden.

Wat ging er thans in het brein van het arme meisje om?

En, wat in dat van haren broeder?

En zou die afschuwelijke Sandgoïst thans, met zijn zoo fielterig verkregen loterijbriefje in de hand, te voorschijn treden, om er het bedrag van te ontvangen?

Vreeselijke spanning, niet alleen voor Hulda en Joël Hansen, maar ook voor het geheele publiek!

»Nummer negenduizend zes honderd twee en zeventig heeft het groote lot van honderd duizend mark gewonnen!” herhaalde de assessor plechtig. »Wie is de houder van dat briefje?”

Alles was stil in de zaal. Men durfde ternauwernood ademhalen.

»Sandgoïst!” mompelden eenige stemmen met onmiskenbaren afschuw.

»Nummer negenduizend zeshonderd twee en zeventig heeft het groote lot van honderdduizend mark gewonnen!” herhaalde de assessor ten tweeden male....

Het bleef stil.

»En wie is er de houder van?” ging dat commissielid onverstoorbaar voort.

»Ik! ik!” riep eene stem achter in de zaal.... »Hier is de houder!”

Wat!... Was die stem van den woekeraar van Drammen? Niet mogelijk!

Neen! dat was zijne stem niet.

Hulda was bij het hooren van die woorden opgesprongen, en keek... keek...

Neen, het was Sandgoïst niet!—Het was een jonge man, die daar uit de menigte te voorschijn trad, een jonge man met bleek gelaat, dat evenals zijn geheele persoon aanduidde dat hij veel, zeer veel geleden had, maar die toch in levenden lijve aanwezig was.

Hulda vloog op hem aan. Zij stiet een kreet uit, die door alle aanwezigen gehoord werd. Daarop zakte zij ineen.

Maar de jonge man had zich door de menigte baan gebroken. Hij ving haar in zijne armen op.

»Hulda!... Hulda!...” kreet hij in vervoering.

»Ole Kamp!” snikte het jonge meisje...

Ja, het was Ole Kamp, in wiens armen zij lag!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings