XI. NASPORINGEN.
Reading edition
Toen verhaalde Joël het gebeurde met Ole Kamp.
Sylvius Hog werd door dat verhaal, waarnaar hij met de meeste aandacht geluisterd had, zeer bewogen.
Hij wist thans alles. Hij had den laatsten brief gelezen, die de terugkomst van Ole Kamp aankondigde. En... Ole Kamp was niet teruggekomen!
Welk een ongerustheid, welk een angst moest dat aan de familie Hansen veroorzaken.
»En ik, die meende, dat ik bij volmaakt gelukkige lieden verblijf hield!” dacht hij.
Evenwel, alles goed en wel bekeken, kwam het hem voor dat zuster en broeder nog niet de hoop behoefden te verliezen. Door dat tellen van de Mei- en Junidagen, had hunne verbeeldingskracht den toestand verergerd. Het was eigenlijk, alsof zij die dagen tweemaal geteld hadden.
De professor wilde hun zijn redenen meedeelen. Geen redenen, zoo maar ten behoeve der zaak uitgedacht, om die twee kinderen gerust te stellen, maar zeer ernstige, zeer aanneembare, die het uitblijven van de Viken voldoende zouden verklaren.
Toch was er een ernstige uitdrukking op zijn gelaat.
De droefheid van Hulda had diepen indruk op hem gemaakt.
»Luistert, kinderen,” sprak hij. »Gaat naast mij zitten, en laten wij samen praten.”
Hulda en Joël Hansen namen naast Sylvius Hog plaats. Hij greep hun beider handen en keek hen vertrouwelijk aan.
»Wat zoudt gij ons kunnen zeggen, mijnheer Sylvius?” vroeg Hulda, wier hart door droefheid overstelpt was.
»Ja, Mijnheer, wat kunt gij ons te zeggen hebben?” vroeg Joël op zijne beurt.
»Wat ik u te zeggen heb, beste vrienden,” hernam professor Sylvius Hog, »zal aan den eisch der rede getoetst kunnen worden. Luistert! Ik heb zooeven ernstig nagedacht over hetgeen Joël mij verhaald heeft. Welnu het komt mij voor, dat uwe ongerustheid tamelijk overdreven is....”
»Meent ge, Mijnheer?”
»Zeker, mijne waarde vrienden. Niet, dat ik u met gezochte redenen zou willen geruststellen. Maar....”
»Neen, dat begrijpen wij. Maar, wat?”
»Maar, voor alles moeten wij de zaken uit hun waar oogpunt beschouwen.”
»Helaas, mijnheer Sylvius,” antwoordde Hulda. »Ik vrees, dat het ware oogpunt is: dat mijn arme Ole Kamp met de Viken vergaan is.... O, God!... O, God!” ...
»Kom, kom, nu geen dwaze gedachten!”
»Ik zal hem nimmer meer terugzien!” kreet het jonge meisje snikkend.
»Zuster! Zusterlief!” riep Joël haar troostend toe. »Wees toch in Godsnaam kalm en luister naar mijnheer Sylvius....”
»En laten wij vooral onze bedaardheid niet verliezen, kinderen. Kom, laten wij de zaak van nabij bekijken. Wanneer, zegt gij, werd Ole Kamp te Bergen terugverwacht?”
»Zoo tusschen den 15den en den 20sten Mei,” antwoordde Hulda, steeds schreiende.
»Ja, tusschen den 15den en den 20sten,” herhaalde Joël, »althans afgaande op zijn brief.”
»En wij hebben reeds den 9den Juni!”
»Dat geeft dus een te laat van twintig dagen, gerekend naar den uitersten datum, die voor den terugkeer der Viken gesteld werd. Ik moet bekennen, dat zoo'n uitblijven iets begint te beteekenen. Evenwel...”
»Wat wilt gij zeggen, Mijnheer?”
»Evenwel moet men van een zeilschip niet dezelfde nauwkeurigheid verwachten als, van een stoomvaartuig. Dat vat gij toch, Hulda?”
»Dat heb ik haar al zoo dikwijls herhaald, en dat herhaal ik haar nog dagelijks,” zei Joël.
»En daar doet gij wel aan, Joël,” hernam Sylvius Hog. »Bovendien is het niet onmogelijk dat de Viken een oud zeeschip is, dat zeer slecht zeilt, zooals de meeste schepen, die op New-Found-Land varen; waarbij nog komt, dat het bij terugkeer zeer zwaar geladen zal geweest zijn. Kan dat zoo niet zijn?”
Beide jongelieden antwoordden niet. Hun stilzwijgen kon voor eene toestemming gelden.
»Bovendien,” ging Sylvius Hog voort, »is het weer in de laatste weken zeer stormachtig geweest. Misschien heeft het vaartuig van Ole Kamp niet op het aangeduide tijdstip zee kunnen kiezen. En die veronderstelling is mogelijk. Welnu, in dat geval is eene vertraging van acht dagen voldoende om het uitblijven der Viken te verklaren, alsook dat gij geen lateren brief hebt kunnen ontvangen.”
»Maar, gelooft gij aan die mogelijkheid, Mijnheer?” vroeg Hulda, die aandachtig geluisterd had.
»Alles wat ik u zeg, lieve meid, is het resultaat van ernstige overdenkingen. Daarenboven is het ook mogelijk, dat de gegeven instructiën de Viken eene zekere vrijheid verleenden, om hare lading naar eenige andere havenplaats te vervoeren, overeenkomstig de eischen van vraag en aanbod.”
»O, dat zou Ole Kamp mij zeker geschreven hebben,” antwoordde Hulda, die dit niet durfde hopen.
»Wie kan bewijzen, dat hij niet geschreven heeft?” vroeg de professor.
»Ja, niemand.”
»En heeft hij geschreven, dan is het niet de Viken, die te laat is; maar wel de postboot van Amerika.”
»Meent gij?”
»Zeker, meen ik dat. Verondersteld, dat het schip van Ole Kamp naar de een of andere havenplaats der Vereenigde Staten gezeild is, dan ligt toch daarin de verklaring, dat geen enkele zijner brieven in Europa is aangekomen.”
»Naar eene havenplaats der Vereenigde Staten...., mijnheer Sylvius?”
»Ja, zeker. Zoo iets gebeurt ongetwijfeld meer.”
»Ja wel, maar...”
»En dan is de brief misschien te laat in de bus gedaan, zoodat men de gelegenheid heeft laten voorbijgaan en de vrienden in Europa voor zeer langen tijd van tijdingen verstoken zijn!”
»Dat is zoo; maar....”
»In ieder geval bestaat er een eenvoudig middel om eenig bericht te erlangen.”
»En dat is, Mijnheer Sylvius?”
»Inlichtingen bij de reeders van het schip te vragen.”
»Dat is waar.”
»Kent gij ze?”
»Ja,” antwoordde Joël. »Het zijn de Gebroeders Help te Bergen.”
»Wat, de Gebroeders Help van Bergen?” riep Sylvius Hog verrast uit.
»Ja.”
»De Gebroeders Help Junior,” vroeg de professor.
»Ja.”
»Wel, die ken ik ook. De jongste, Help Junior, zooals hij genoemd wordt, hoewel hij van mijn leeftijd is, behoort tot mijne goede vrienden. Wij hebben te Christiania dikwijls te zamen gedineerd. De gebroeders Help! Wel, kinderen, van hen zal ik alles te weten komen, wat zij omtrent de Viken vernomen hebben. Ik zal hun dadelijk schrijven, en als zulks noodig is, zal ik hen gaan opzoeken.”
»O, wat zijt gij goed, mijnheer Sylvius!” riepen Hulda en Joël tegelijkertijd. »Wij danken u wel.”
»O, bedankt mij niet, als je blieft. Ik verbied het u uitdrukkelijk. Zegt, heb ik ulieden bedankt, voor hetgeen gij daarginds voor mij gedaan hebt?.... Wat drommel, ik vind gelegenheid, om u een kleinen dienst te bewijzen.... en daar maakt gij zulken ophef van!”
»Maar gij spraakt er van, dat gij naar Christiania wildet terugkeeren,” merkte Joël Hansen op.
»Welnu, ik zal eerst naar Bergen vertrekken, als dat noodig zal zijn.”
»Gij wildet ons evenwel spoedig verlaten, mijnheer Sylvius,” hernam Hulda.
»Welnu, ik zal u niet verlaten, lieve meid. Ik ben geheel vrij, om te doen en te laten, wat ik verkies, zou ik zeggen. En zoolang die zaak niet in het reine gebracht is, zal ik...., tenzij gij mij de deur uitjaagt.”
»Wat zegt gij daar?”
»Wat ik daar zeg?.... Dat ik veel lust heb, om te Dal te blijven, totdat Ole Kamp teruggekeerd is. Ik ben benieuwd om dien aanstaande van mijne kleine Hulda te zien! Het moet een wakkere borst zijn—zoo'n slag als Joël. Is het zoo niet?”
»Ja, geheel en al!....” antwoordde Hulda.
»Daar was ik overtuigd van,” riep de professor uit, die in zijne nopjes scheen.
Ongetwijfeld was die opgeruimdheid slechts comediespel.
»Ole Kamp gelijkt op Ole Kamp, mijnheer Sylvius,” zei Joël ernstig, »en dat is voldoende, om een goed hart te bezitten en een eerlijke kerel te zijn.”
»Dat is mogelijk, wakkere Joël; maar wat gij daar zegt, wakkert mijn verlangen nog aan, om hem te zien. En let op, dat zal niet lang meer duren.”
»God geve het, mijnheer!” zei Hulda.
»Er is iets dat mij toefluistert: de Viken zal weldra wederkeeren!”
»De Heer verhoore u!”
»En waarom zou hij mij niet verhooren? Hij hoort en ziet alles.... Ja, ik wil de bruiloft van Hulda bijwonen, daar ik toch reeds genoodigd ben.”
»Maar, zult gij kunnen?”
»De Storthing zal genoodzaakt zijn mijn verlof met eenige weken te verlengen. Dat verlof zou onbepaald verlengd zijn, als gij mij in dien verwenschten waterval te Rjukanfos had laten vallen, wat ik trouwens door mijne onvoorzichtigheid ten volle verdiend had.”
»Mijnheer Sylvius,” zei Joël, »wat doet het iemand goed u zoo te hooren spreken, en hoe edel handelt gij tegenover ons. Waarlijk er zijn nog goede menschen op aarde!”
»Hebt gij daaraan getwijfeld? Maar, intusschen is hetgeen ik voor u doen wil, bij lange na niet te vergelijken met hetgeen gijlieden voor mij gedaan hebt; en waarlijk, ik weet niet hoe....”
»Neen, als 't u belieft, mijnheer Sylvius,.... kom niet meer op die gebeurtenis terug!”
»Integendeel, beste vrienden, ik wil er op terugkomen! Had ik mij zelf bij den Maristiaan-pas kunnen redden? Heb ik mijn leven daar gewaagd? Ben ik het geweest, die mij naar de herberg te Dal vervoerd heeft? Heb ik mij zelven verzorgd, verpleegd en genezen zonder de hulp der Geneeskundige faculteit? Antwoordt daarop!.... Welnu, ik ben zoo koppig als een karrepaard. Ik heb mij in het hoofd gezet, om bij het huwelijk van Hulda Hansen met Ole Kamp tegenwoordig te zijn, en.... bij Sint Olaf, ik zal er bij tegenwoordig zijn; rekent daarop!”
Het vertrouwen is besmettelijk. Hoe had men weerstand kunnen bieden aan dat van Sylvius Hog? Dat zag de looze vos wel in, toen een flauw glimlachje om de lippen van Hulda speelde. Zij trachtte hem te gelooven; zij snakte naar hoop.
Sylvius Hog ging bemoedigend voort:
»Gij moogt dus niet uit het oog verliezen, dat de tijd vleugelen heeft en derhalve voortspoedt. Begin dus met de toebereidselen tot het huwelijk.”
»Daar ben ik reeds mee begonnen, mijnheer Sylvius,” antwoordde Hulda, »al sedert drie weken.”
»Best, ga er maar mee voort.”
»Voortgaan!....” antwoordde Joël, »alles is klaar!”
»Wat? Alles? Het bruidskleed, het keurs met de zilveren haken, de gordel met de hangers?”
»Ja, zelfs de hangers.”
»En de bruidskrans, die u als eene heilige zal tooien, lieve, kleine Hulda?”
»Ja, mijnheer Sylvius.”
»Komaan, dat is goed. Maar....”
»Maar wat, mijnheer Sylvius, zouden wij iets vergeten hebben?”
»Zijn de uitnoodigingen geschied?”
»Alle,” antwoordde Joël, »zelfs die, welke ons het meest aan het hart ligt, namelijk de uwe.”
»En, is de bruidsjuffer gekozen?”
»Ja, zeker!”
»Gij weet, dat moet de braafste en zedigste zijn van al jonge meisjes van het Telemarksche?”
»Ja, en zij is bovendien ook de schoonste,” antwoordde Joël, »daar het mejuffrouw Siegfrid Helmboë van Bambel is. Ja, zij is de schoonste!”
»Kijk mij dien lummel eens aan! Op welken toon zegt hij dat!” merkte de professor schalksch op, »en hoe hij daarbij bloost als een jonge meid. Kijk, kijk! Zou mejuffrouw Siegfrid Helmboë van Bambel bij toeval het lot beschoren zijn vrouw Joël Hansen van Dal te worden?”
»Ja, mijnheer Sylvius,” antwoordde Hulda. »Siegfrid, die mijne beste vriendin is!”
»Mooi zoo! Nog eene bruiloft in het verschiet,” riep Sylvius Hog uit. »En ik ben er zeker van, dat ik ook op die zal genoodigd worden. En ik zal er niet aan kunnen ontkomen, ik zal haar moeten bijwonen! Ik zal waarlijk mijn ontslag als afgevaardigde van de Storthing moeten nemen; want ik zal geen tijd meer vinden om zitting te nemen.”
»Ja, dat zal moeten gebeuren,” zei Joël, hartelijk lachende. »Ik zie er anders geen gat in.”
»Ja wel, spot er maar mede. Maar om het even, ik zal getuige bij uwe bruiloft zijn, mijn wakkere Joël, natuurlijk na het eerst bij die van uw zuster geweest te zijn, als gij dat namelijk goedvindt....”
»O, mijnheer Sylvius....” zei Joël. »Kunt gij daaraan waarlijk twijfelen?”
»Neen, dat doe ik niet. Maar, alles wel beschouwd doet gij met mij alles wat gij wilt, of beter gezegd, alles wat ik wil. Kom, geef mij een zoen, kleine Hulda! En gij een flinken handdruk, mijn wakkere jongen. En dan ga ik aan mijn vriend Help Junior te Bergen schrijven.”
Broeder en zuster verlieten de kamer gelijkvloers, die de professor voor eenigen tijd wilde huren, en gingen weer aan hunne bezigheden met een eenigszins verlicht gemoed en een weinig hoop in het hart.
Sylvius Hog bevond zich toen alleen.
»Die arme meid!” prevelde hij. »Ja, ik heb hare droefheid voor een oogenblik het spoor bijster gemaakt!.... Ik heb haar eenige kalmte bezorgd!.... Maar het schip is te lang uitgebleven, en de oceaan is in die streken zeer ontstuimig geweest gedurende dit seizoen!.... Als de Viken eens vergaan was!.... Als Ole Kamp niet meer terugkwam!.... Dat zou vreeselijk zijn!”
Een oogenblik later zat professor Sylvius Hog aan de reeders te Bergen te schrijven.
Hij vroeg in zijn brief de meest omstandige inlichtingen omtrent alles, wat de Viken en haren tocht ter vischvangst betrof. Hij wenschte voornamelijk te weten of eenige voorziene of onvoorziene omstandigheid het schip soms had kunnen noodzaken een andere haven op te zoeken.
Hij schreef, dat hij er veel belang in stelde, zoo spoedig mogelijk te weten te komen, waaraan de handelaars en de zeelieden het lange uitblijven toeschreven, en hoe zij het verklaarden.
Hij verzocht ten slotte aan zijn vriend Help Junior, nauwkeurige inlichtingen in te winnen en hem per omgaande post te antwoorden.
In dien zoo dringenden brief stond ook te lezen, waarom Sylvius Hog zooveel belang in den jeugdigen stuurman van de Viken stelde, welken dienst hij aan diens bruid verschuldigd was, en welke vreugde het zoowel hem als zijn omgeving zoude veroorzaken, wanneer hij de kinderen van vrouw Hansen eenige hoop zou kunnen geven.
Toen de brief gereed was, bracht Joël hem dadelijk naar de post te Moel. Vandaar zou dat schrijven daags daarna vertrekken. Den 11den Juni zou het te Bergen zijn. Dus op den 12den des avonds of op den 13den des voormiddags op zijn laatst, zou de heer Help Junior kunnen geschreven hebben. Die berekening was nauwkeurig. Daar ontbrak niets aan.
Drie dagen op dat antwoord te moeten wachten!
O, wat schenen zij lang!

Een oogenblik later zat professor Sylvius Hog aan de reeders te Bergen te schrijven. Blz. 112.
Met tal van geruststellende woorden, van opbeurende redeneeringen gelukte het den professor evenwel dat wachten minder pijnlijk te maken. Nu hij Hulda's geheim kende, had hij steeds een aangewezen onderwerp voor een gesprek bij de hand, en nog wel een prettig onderwerp, dat moet de lezer erkennen!
Welk een troost was het daarenboven voor Joël Hansen en zijne zuster, steeds over den afwezige te kunnen spreken.
»Thans behoor ik zoo wat tot de familie,” zei Silvius Hog. »Ja, waarlijk, zoo iets als een oom, die van Amerika of van elders uit de lucht is komen vallen.”
En, daar hij nu toch tot de familie behoorde, mocht men geene geheimen voor hem hebben, niet waar?
De stand van zaken of liever de verhouding tusschen de beide kinderen en hunne moeder was door hem niet onopgemerkt gebleven. De terughoudendheid, die vrouw Hansen tegenover hen meende in acht te moeten nemen, moest volgens hem eene andere oorzaak hebben dan de ongerustheid, waarin allen ten gevolge van het uitblijven van Ole Kamp verkeerden. Hij meende dus gerechtigd te zijn, Joël daarover te spreken. Maar deze wist hem inderdaad geen uitsluitsel te geven. Toen wilde hij vrouw Hansen daarover polsen, maar hij vond haar zoo gesloten, dat hij de poging opgeven moest, om haar hare geheimen te ontfutselen.
De toekomst zou ze hem waarschijnlijk ontsluieren. Alleen daarop hoopte hij.
Zooals Sylvius Hog voorzien had, kwam het antwoord van den heer Help Junior in den voormiddag van den 13den te Dal aan. Joël was den postbode reeds voor het krieken van den dag te gemoet gewandeld. Hij was het dus, die den brief aan den professor, welke zich met vrouw Hansen en hare dochter Hulda in de groote zaal bevond, overhandigde.
Er heerschte een bange stilte.
Hulda was doodsbleek en zou geen woord hebben kunnen spreken, zoo bonsde haar hart van aandoening.
Zij had de hand haars broeders gegrepen, die even aangedaan was als zij.
Silvius Hog opende den brief en las hem voor.
Tot zijne en tot aller groote droefheid, bevatte dat antwoord van den heer Help Junior niets anders dan zeer onbepaalde aanwijzingen, en de professor kon zijne teleurstelling niet verbergen tegenover de jongelieden, die hem met tranen in de oogen aanhoorden.
De Viken had inderdaad Saint Pierre-Miquelon verlaten op den door Ole Kamp in diens laatsten brief genoemden dag. Dat was ontwijfelbaar. Men had dat op de stelligste wijze van andere vaartuigen vernomen, die na het vertrek van de Viken New-Found-Land verlaten hadden en sedert te Bergen aangekomen waren. Die vaartuigen hadden het schip onderweg niet ontmoet. Maar zij ook hadden in de omstreken van IJsland zeer veel slecht weder aangetroffen. Zij hadden zich evenwel weten te redden. Waarom zou de Viken daarin ook niet geslaagd zijn? Misschien was dat vaartuig genoodzaakt geweest de een of andere noodhaven aan te doen. Het was daarenboven een zeer stevig schip, waarover de gezagvoerder Frikel van Hammerfest, een oude, ervaren zeerob, het bevel voerde, terwijl de bemanning uit een dozijn stevige matrozen bestond, die als ervaren zeelieden bekend stonden en voor geen klein geruchtje vervaard waren. Toch vond men dit lange uitblijven onrustbarend, en, zoo er nog eenige dagen zonder tijding voorbijgingen, mocht de vrees gewettigd heeten, dat de Viken met man en muis vergaan was.
De heer Help Junior betreurde het zeer, dat hij niet in de gelegenheid was betere berichten omtrent den jeugdigen bloedverwant der familie Hansen te geven. Hij schreef over Ole Kamp als over een uitmuntenden man, die ieders sympathie, dus ook die van zijn vriend Sylvius Hog waardig was.
De reeder eindigde zijn brief met den professor zijne hartelijke vriendschap te betuigen, waarbij hij de groeten zijner familie voegde. Ten slotte beloofde hij dat hij hun ieder bericht, hetwelk van de Viken, om het even van welke haven in Noorwegen, mocht inkomen, dadelijk en onverwijld zoude toezenden en onderteekende zich als zijn innig toegenegene
»Gebroeders Help.”
Hulda, die eene onmacht nabij was, had zich, terwijl Sylvius Hog den brief voorlas, op een stoel laten neervallen. Zij snikte en kon geen woord uiten, toen hij met de voorlezing klaar was.
Joël had, met over de borst gekruiste armen, stilzwijgend en met gebogen hoofd geluisterd, zonder dat hij zijne zuster daarbij had durven aankijken.
Vrouw Hansen was, toen de brief ten einde was, naar hare kamer gegaan.
Zij zag er uit, alsof zij dat ongeluk en nog vele andere verwacht had.
Professor Silvius Hog wenkte Hulda en haren broeder om nader te treden.
Hij praatte nog met hen over Ole Kamp en vertelde hun alles, wat zijne levendige verbeelding min of meer aantrekkelijks scheppen kon, en hij sprak daarbij met eene overtuiging, die op zijn minst zonderling genoemd mocht worden, na den brief van den heer Help Junior.
»Neen,” zeide hij, »ik heb er een voorgevoel van. Wij behoeven nog niet te wanhopen!”
En toen legde hij uit, dat zich menig voorbeeld had voorgedaan van een dusdanig lang uitblijven bij langdurige zeereizen in die streken. Ja, daar viel inderdaad niet aan te twijfelen! En wat zou dan dat lange uitblijven? Was de Viken niet een stevig schip, dat goed gecommandeerd werd, eene flinke bemanning had en dus in oneindig beter omstandigheden verkeerde, dan die andere vaartuigen, die in de haven teruggekeerd waren.
Dat alles viel niet te betwisten, niet waar?
»Laten wij dan de hoop niet laten varen, lieve kinderen,” vervolgde hij, »laat ons geduldig wachten!”
»Gij hebt gelijk, mijnheer Sylvius,” zei Hulda; »maar....”
»Maar wat? Komaan, ik weet wat gij zeggen wilt. Als de Viken schipbreuk had geleden tusschen IJsland en New-Found-land, dan zouden toch de talrijke vaartuigen, die dat gedeelte van den Atlantischen Oceaan doorkruisen, wel eenig wrakstuk ontmoet hebben. Welnu, dat is niet geschied. Geen mast, geen steng, geen scheepsboord, geen kippenhok, geen potdeksel, geen watervat, geen sloep, geen roeiriem, niets, niets, is op dien zoo algemeen gevolgden weg door de visschersvaartuigen bij hunnen terugkeer gevonden! Toch moet gehandeld worden, toch moet getracht worden, meer afdoende inlichtingen in te winnen.”
»Wat wilt gij daartoe doen, mijnheer Sylvius?” vroeg Joël Hansen.
»Luistert beiden: Wanneer wij gedurende deze week nog zonder tijding van de Viken blijven, en geen brief van Ole Kamp ontvangen wordt, dan zal ik naar Christiania terugkeeren en mij tot het ministerie van Marine wenden, dat de noodige nasporingen zal laten doen, die, daar ben ik van overtuigd, wel tot ons aller genoegen zullen uitvallen!”
Hoeveel moeite de professor zich ook gaf, om overtuigend te spreken, Hulda en Joël gevoelden toch, dat hij, in weerwil van alles, niet meer zoo boud sprak als hij deed, voordat hij den brief uit Bergen ontvangen had.—Helaas, het moest erkend worden, dat die brief, hoe voorzichtig ook gesteld, weinig hoop overliet.
Inderdaad Sylvius Hog durfde geen toespeling op het aanstaande huwelijk van Hulda met Ole Kamp meer maken? En toch herhaalde hij voortdurend en met een kracht, waarvan de overtuiging als het ware opgedrongen werd:
»Neen! Het is niet mogelijk, dat Ole Kamp het huis van vrouw Hansen niet meer zou betreden! Neen, het is niet mogelijk dat Ole Kamp die lieve Hulda niet zou trouwen! Neen, nimmer zal ik aan zoo'n ongeluk gelooven!”
Dat was eene geheel persoonlijke overtuiging, die hij uit zijn karakter vol geestkracht putte. Die overtuiging lag in zijn aard, die zoo licht niet van streek te brengen was.
Maar, hoe zou hij haar door de anderen doen deelen? Hoe zou hij haar overplanten in de harten vooral van hen, die zoo onmiddellijk bij het lot van de Viken betrokken waren?
Zoo spoedden evenwel nog eenige dagen somber en troosteloos voorbij.
Sylvius Hog was thans geheel en al genezen en deed om zijn been te oefenen, groote wandelingen in de omstreken. Hij noodzaakte Hulda en haren broeder, om hem te vergezellen, ten einde hen niet aan henzelven over te laten. Den eenen dag kuierden zij het Vestfjorddal op tot halfweg den waterval van den Rjukan. Den daarop volgenden gingen zij naar Moel en naar het Tinnermeer. Eens bleven zij zelfs volle vier en twintig uren uit. Zij hadden toen hun uitstapje tot Bambel uitgestrekt, waar professor Sylvius Hog kennis maakte met den pachter Helmboë en met diens dochter Siegfrid, die hare arme vriendin Hulda zoo hartelijk mogelijk ontving en haar met de meeste teederheid trachtte te troosten.
Ook daar stelde Sylvius Hog zich tot taak die brave lieden een weinig hoop in te boezemen. Hij had naar het departement van Marine te Christiania geschreven en ten antwoord gekregen, dat het gouvernement nasporingen omtrent de Viken liet doen. O, men zou dat schip terugvinden! Ole Kamp zou wederkeeren. Dat kon iederen dag geschieden. Neen, het huwelijk zou geen zes weken vertraging ondergaan!
De hartelijke man scheen zoo overtuigd, dat zijne verzekeringen eenigermate veld wonnen, hoewel zijne argumenten inderdaad geen steek hielden en alles behalve afdoende waren.
Het bezoek aan de familie Helmboë deed de beide kinderen van vrouw Hansen goed. Toen zij weer thuis kwamen, waren zij kalmer dan toen zij Dal verlieten.
Het was inmiddels de 15de Juni geworden.
De Viken was thans reeds een maand over haren tijd uitgebleven. Daar het toch, alles wel beschouwd, den betrekkelijk korten overtocht van New-Found-Land naar Noorwegen gold, kwam die vertraging iedereen, zelfs voor een zeilvaartuig, uiterst lang, ja te lang voor.
Hulda leefde in den waren zin des woords niet meer. Dat laat zich trouwens wel denken.
En professor Sylvius Hog zelf bezweek bijna tegenover die twee rampzalige wezens onder de taak, die hij zich had opgelegd, om hen een weinig hoop te doen blijven voeden.
Hulda en Joël verlieten ten laatste den drempel van het woonhuis niet meer, om naar den kant van Moel of van den Rjukanfos te kijken. Het is waar, dat Ole Kamp van den kant van Bergen moest komen: maar het kon toch ook mogelijk zijn, dat hij van den kant van Christiania kwam, wanneer namelijk de bestemming van de Viken gewijzigd was. Het geratel der wielen van een karretje, dat onder de boomen gehoord werd, een kreet, die in de lucht weerklok; de schaduw van een mensch, bij de bocht van den weg waargenomen, waren voldoende om hun hart onstuimig te doen kloppen; maar helaas, telkens tevergeefs!
De bewoners van Dal keken van hunnen kant ook uit. Zij gingen den postbode een eind te gemoet, zoowel stroomop- als stroomafwaarts van de Maan-rivier. Allen stelden belang zoowel in de familie, welke in de geheele streek bemind was, als in Ole Kamp, die als een kind van het Telemarksche beschouwd werd.
Maar er kwam geen brief, noch van Bergen, noch van Christiania, die eenig bericht van den afwezige bracht.
Den 16den alweer geene tijding!
Sylvius Hog hield het niet langer uit. Hij kon geen oogenblik meer stil zitten. Hij begreep, dat er iets gedaan moest worden.
Hij kondigde dan ook aan, dat hij, wanneer den volgenden dag geene tijding ontvangen was, naar Christiania zou reizen, om zich te overtuigen dat de nasporingen met den noodigen ijver en de vereischte nauwgezetheid geschiedden. Zeker zou het hem zeer doen, Hulda en Joël in deze omstandigheden te verlaten. Maar het moest en hij verzekerde, dat hij terugkeeren zou, wanneer hij die taak volbracht had.
Van den 17den—waarlijk wel de treurigste dag—was al weer een groot gedeelte verloopen. Het had van af het krieken van den dag niet opgehouden met regenen. De wind huilde door de takken van het geboomte. Hevige vlagen beukten met kracht de vensters aan den kant der Maan-rivier.
Het was zeven uur in den avond. Het middagmaal was stilzwijgend verorberd, alsof men in een sterfhuis was. Sylvius Hog had er niet in kunnen slagen het gesprek gaande te houden. De woorden zoowel als de gedachten ontbraken hem.
Wat zou hij hebben kunnen zeggen, wat niet reeds honderd malen gezegd was?
Hij gevoelde, dat dit voortdurend uitblijven zijne argumenten van voorheen van onwaarde maakte.
»Ik vertrek morgen naar Christiania, Joël,” zeide hij. »Zorg, dat ik een karretje heb. Gij moet mij tot Moel begeleiden, waarna gij dadelijk naar Dal kunt terugkeeren.”
»Ja, mijnheer Sylvius,” antwoordde Joël, »maar wenscht gij niet, dat ik u nog verder begeleiden zal?”
»Neen,” zei de professor.
»Niet? Ik meen toch....”
Hij ging niet verder. Sylvius Hog wees naar Hulda en beduidde den broeder met een gebaar, dat hij zoo spoedig mogelijk bij zijne zuster terug moest zijn.
Op dit oogenblik werd een geluid, nog slechts weinig hoorbaar, op den weg naar Moel vernomen. Allen luisterden met inspanning.
Weldra was er geen twijfel meer, het was het geratel van een karretje, dat snel, zeer snel naar den kant van Dal kwam aanrollen.
Zou dat een reiziger zijn, die misschien den nacht in de herberg wilde doorbrengen?
Dat was niet waarschijnlijk, want zeer zelden kwamen de toeristen in deze bergstreek zoo laat aan.
Hulda was opgestaan en beefde over haar geheele lichaam.
Joël trad naar de deur, opende haar en trad naar buiten.
Het geluid werd duidelijker, men hoorde nu den hoefslag van een paard en het geknars der raderen van een karretje. Maar het geweld van den wind was zoo hevig, dat Joël verplicht was de deur te sluiten.
Sylvius Hog stapte het vertrek zenuwachtig op en neer.
Joël en Hulda zaten naast elkander.
Het karretje kon toen niet verder dan een twintig passen van het huis verwijderd zijn.
Zou het stilhouden, of.... voorbijrijden?
Ieders hart klopte bijna hoorbaar.
Het karretje stond stil. Men hoorde iemand roepen....
Het was niet de stem van Ole Kamp!
Bijna op hetzelfde oogenblik werd op de deur geklopt.
Joël stond op en opende haar.
Een man stond op den drempel.
»Is mijnheer Sylvius Hog hier?” vroeg hij.
»Hier ben ik,” antwoordde de professor, terwijl hij naar voren kwam.
»Zijt gij Sylvius Hog?”
»Ja, maar wie zijt gij?”
»Een renbode, die u door den directeur van het departement van Marine toegezonden wordt.”
»Een renbode?”
»Ja, mijnheer Sylvius Hog.”
»En hebt gij een brief voor mij?”
»Hier is hij, mijnheer.”
»Geef hier.”
De man reikte een kolossale enveloppe over, die met een groot officieel lak gesloten was.
Sylvius Hog nam den brief aan, maar aarzelde het zegel te verbreken.
Hulda had de kracht niet meer om overeind te blijven zitten. Haar broeder ondersteunde haar op haren stoel. Geen van beiden durfde den professor aansporen den brief te openen.
Eindelijk scheurde deze den omslag, haalde den brief er uit, en las het navolgende:
»Mijnheer de professor,
»Ik zend u hierbij in antwoord op uw laatste schrijven een document, dat op den 3den Juni in volle zee door een Deensch schip opgevischt werd. Ongelukkiglijk laat dat stuk geen twijfel meer over omtrent het rampzalig lot van de Viken....”
Sylvius Hog nam den tijd niet meer om den brief ten einde te lezen. Hij ontvouwde het document en bekeek het.... Het was een loterijbriefje, dat het nummer 9672 voerde.
Op de keerzijde daarvan stonden de navolgende regels, die, hoewel door het zeewater half uitgevlakt, toch nog te lezen waren
»den 3den Mei.
»Waardste Hulda!
»De Viken gaat zinken!... Ik bezit nog slechts dit loterijbriefje, dat mijn geheel vermogen vertegenwoordigt!... Ik vertrouw het aan God toe, om het u te doen geworden!... En daar ik er niet zal kunnen zijn, verzoek ik u de trekking bij te wonen!... Ontvang het met mijne laatste gedachten aan u! Hulda, lieve Hulda, vergeet mij in uwe gebeden niet!.... Vaarwel, geliefde bruid, vaarwel!....
Ole Kamp.”