← Table of contents
Het loterijbriefje

III. EEN NOORWEEGSCH HUISGEZIN.

Reading edition

Zonder heel ver in de ethnologische wetenschappen te zijn doorgedrongen, kan de lezer toch op gezag van verscheidene geleerden aannemen, dat er een soort van bloedverwantschap bestaat tusschen de familiën der Engelsche aristocratie en de oude familiën van het Scandinavische koninkrijk. Talrijke bewijzen worden daarvoor in de namen der oude geslachten, die in beide landen nagenoeg gelijk zijn, aangetroffen.

En toch bestaat er in werkelijkheid geene aristocratie in Noorwegen.

Maar, al is er de democratie ook overheerschend, zoo belet zij niet, dat de bevolking dezer streken in hooge mate aristocratisch gestemd is. Allen zijn op den top der maatschappelijke ladder, niet op de laagste sport aan elkander gelijk. Tot in de nederigste hutten wordt een geslachtsboom aangetroffen, die volstrekt niet ontaard is, al heeft hij ook zijne wortels in plebeïschen grond geschoten. Daar treft men gekartelde blazoenen aan, afkomstig van adellijke familiën uit de feodale tijden, waarvan die eenvoudige boeren afstammen. Nergens anders ter wereld wordt zoo iets inderdaad aangetroffen.

Zoo was het ook met de Hansens te Dal gesteld. Ongetwijfeld stamden zij af van die pairs van Engeland, welker waardigheid ten gevolge van de overweldiging van Rollo van Normandië in het leven geroepen werd. En al waren ook hun maatschappelijke beteekenis en hun rijkdommen in den loop der tijden verloren gegaan, zoo is toch bij die afstammelingen de eigenaardige fierheid, of beter gezegd de persoonlijke waardigheid, die in alle maatschappelijke toestanden op hare plaats, maar veelal verdwenen is, ongekrenkt overgebleven.

Wat kwam het er bovendien op aan? Al bezat Harald Hansen ook hoogadellijke voorouders, dat belette volstrekt niet, dat hij herbergier te Dal was. Het huis, hetwelk hij bewoonde, had hij van zijn vader en zijn grootvader geërfd. Deze beiden hadden hetzelfde beroep als hij uitgeoefend. Na zijn dood had zijne echtgenoote de zaak aangehouden en behartigde zij haar op eene zoodanige wijze, dat zij de openbare achting genoot en ook verdiende.

Had Harald in die betrekking van herbergier eenig vermogen gewonnen? Dat wist niemand. Zooveel was evenwel zeker, dat hij aan zijn zoon Joël en aan zijne dochter Hulda eene vrij goede opvoeding had kunnen geven, zonder dat de eerste tijd van hun leven hun te zwaar was gevallen. En zelfs had hij een zoon van de zuster zijner echtgenoote, den reeds genoemden Ole Kamp, sedert zijne prilste jeugd tot zich genomen en had hem met dezelfde zorg opgevoed als zijne eigene kinderen. Die wees zou zonder zijn oom Harald een dier kleine ongelukkige wezens geweest zijn, die slechts op de wereld verschijnen om haar dadelijk te verlaten. Niet ten onrechte legde Ole Kamp voor zijne pleegouders eene dankbaarheid aan den dag, die veel van kinderlijke liefde getuigde. Niets kon den band, die hem aan de familie Hansen hechtte, verbreken. Zijn huwelijk met Hulda zou hem nog inniger strengelen en hem onverbreekbaar voor het leven doen zijn.

Harald was ongeveer achttien maanden geleden gestorven. Behalve de herberg te Dal, liet hij aan zijne weduwe nog eene kleine soeter in het gebergte na. Wat in Noorwegen soeter genoemd wordt, is eene soort pachthoeve, die eenzaam gelegen is. De opbrengst daarvan is in den regel middelmatig, namelijk wanneer zoo'n soeter iets opbrengt, wat niet altijd het geval is. Nu kwam er nog bij, dat de laatste jaren niet gunstig geweest waren. Alles had geleden, zelfs de weidevelden. Men had in het voorjaar nachtvorsten gehad, of zooals de Noorweegsche boer ze noemt, ijzeren nachten, waardoor ten gevolge van den killen wind, die dan heerscht en de ijslaag, waarmede alles overtogen wordt, de kiemkracht van het plantenrijk tot in het diepste van den teelgrond vernietigd wordt. Bij zulke omstandigheden zijn de landlieden van de Telemarksche en van de Hardangersche streken er ellendig aan toe.

Intusschen, hoewel vrouw Hansen volkomen op de hoogte van haren toestand moest zijn, had zij daarover tegen niemand ooit een woord gerept, zelfs tegen hare kinderen niet. Zij bezat een koelbloedige geaardheid en was de stilzwijgendheid in persoon. Haar gebrek aan mededeelzaamheid bedroefde Hulda en Joël zeer. Maar ten gevolge van den eerbied voor het hoofd des huisgezins, die in de noordelijke landen bij de kinderen als ingeboren is, betrachtten zij eene soort van terughoudendheid, die hen toch pijnlijk was.

Daarbij kwam nog dat vrouw Hansen ongaarne hulp of raad vroeg, daar zij zich als echte Noorweegsche van de onfeilbaarheid van haar oordeel overtuigd hield.

Vrouw Hansen was toen vijftig jaren oud. Blz. 21.
Vrouw Hansen was toen vijftig jaren oud. Blz. 21.

Vrouw Hansen was toen vijftig jaren oud. Blz. 21.

Vrouw Hansen was toen vijftig jaren oud. De ouderdom had wel hare haren doen grijzen, maar had hare hooge gestalte niet kunnen buigen en had ook niet de levendigheid van den blik harer oogen, die donkerblauw waren, kunnen verminderen. Dat heldere azuur was ook in het oog harer dochter Hulda te ontwaren. De huid der bejaarde vrouw had slechts de tint aangenomen van oud archiefpapier en hier en daar werd een rimpel op haar voorhoofd zichtbaar.

De »madame”, zooals men zich in de Scandinavische streken uitdrukt, was steeds gekleed in een zwarte wollen japon, van dikke plooien voorzien. Dat was het rouwgewaad, hetwelk zij sedert den dood van haren Harald niet afgelegd had. Door de armopeningen van het bruine keurslijf werden de mouwen van het hemd, van ongebleekt katoen vervaardigd, zichtbaar. Een halsdoek van donkere kleur, was kruiselings vastgeknoopt op de borst, daarenboven nog bedekt met het bovengedeelte van een boezelaar, die van achteren door breede haken vastgemaakt was. Haar hoofd was steeds gedekt met eene zijden muts, waaronder eene soort neepjeskap, die door de mode langzamerhand verdrongen wordt. Steeds zat die goede vrouw in haar houten leuningstoel recht als eene kaars en verliet haar spinnewiel niet, dan om haar pijpje van berkenschors op te steken, en haar hoofd met eene lichte wolk van tabaksrook te omhullen.

Het huis zou waarlijk zonder de aanwezigheid der twee kinderen een zeer droevig aanzien gehad hebben.

Joël Hansen was een degelijke, brave jongen. Hij telde vijf en twintig jaren, was flink en krachtig uit de kluiten geschoten, had evenals alle Noorweegsche bergbewoners eene hooge gestalte en daarbij een fier uiterlijk, dat evenwel niet uittartend was. Zijn geheele voorkomen getuigde van stoutmoedigheid, die evenwel van roekeloosheid geheel vrij was. Hij had een blonden haardos, daarbij donkerblauwe oogen, die het zwarte nabij kwamen. Zijne kleederdracht deed zijne krachtige schouders goed uitkomen. Men kon zien, dat die niet spoedig zouden buigen. In zijne breede borstkas klopte een warm hart en werkten een paar longen, die hem als berggids eer aandeden. Hij had krachtige armen en een paar beenen, die er voor gemaakt schenen, om de hooge bergtoppen van het Telemarksche te beklimmen. Wanneer hij zijn daagsche pak aanhad, zag hij er als een ruiter uit. Zijn blauwachtig kort jasje, dat zijn middel goed deed uitkomen, sloeg met twee breede borststukken over zijn breedgewelfd lichaam, en was op de rugzijde met kleurrijke galons, die fraaie teekeningen vormden, langs de naden versierd, evenals de keltische vesten der Bretanjer boeren in Frankrijk. Zijn hemdsboord vormde het beloop van een trechter. Zijn gele broek was even beneden de knie door een soort kousenband met gesp opgebonden. Op het hoofd droeg hij eenigszins schuins een bruinen hoed met breeden rand en met zwarte en roode lussen omboord. Hij had hooge slobkousen om de beenen, terwijl de voeten in sterke laarzen verdwenen, die van stevige zolen en platte hakken voorzien waren, en die, door het uiterlijk van de schoenwreef vol rimpels in het leer, veel op zeelaarzen geleken.

Joël was van beroep gids in het baljuwschap Telemark, maar ook in het hooge gebergte van het Hardangersche district. Steeds gereed om op te breken en te vertrekken, wanneer zijne hulp ingeroepen werd, steeds onvermoeid en gehard, verdiende hij vergeleken te worden met Rollo den Voetganger, een der Noorweegsche helden uit den legendetijd, die een zekere vermaardheid verworven heeft, en in de herinneringen dier streken voortleeft.

Als hij tijd overhad, dan vergezelde hij de Engelsche jagers, die dolgraag op de »ripers” en de »jerpers” kwamen schieten, en dan wist hij hen steeds uitstekende jachtterreinen aan te wijzen.

De riper is een soort ptarmigan of zeevogel, die in Noorwegen veel grooter is dan op de naburige Hebriden. En de jerper is een soort kleine patrijs, die fijner en edeler van smaak is dan de Schotsche kwartel.

Was de winter eenmaal in het land, dan legde de wolvenjacht beslag op zijn tijd; want dan vertoonden zich die verscheurende dieren, daartoe door den honger gedwongen, tot in de nabijheid der bevroren meeren en was het waarlijk zaak hen in bedwang te houden.

In den zomer hield hij zich onledig met de berenjacht, wanneer dat dier, door zijn welpen gevolgd, zijn voedsel van versch gras op de hoogvlakten komt zoeken, en de jager verplicht is, zijne prooi op een hoogte van duizend of twaalfhonderd voet te gaan opzoeken en vervolgen. Die jacht was een kolfje naar zijne hand.

Meer dan eens kwam Joël daarbij in groot levensgevaar, en had zijn redding te danken, niet alleen aan zijn wonderbaarlijke spierkracht, die hem in staat stelde weerstand te bieden aan de omarmingen van die schrikkelijke dieren, maar ook aan zijne onverstoorbare koelbloedigheid, die hem veroorloofde het gevaar kalm en onverschrokken te overzien en tegemoet te treden en de middelen te ontwerpen, om er zich uit te redden. Hij was als het ware voor die streken geschapen.

Wanneer eindelijk de winter met al zijn ruwheid ingevallen was, en hij geen toeristen den weg had te wijzen in het Vestfjorddal, noch jagers op hun tochten in de fields te begeleiden, dan hield Joël zich onledig met de kleine soeter, die op een afstand van weinige mijlen in het gebergte gelegen was.

Daar bevond zich een jeugdige herder, die door vrouw Hansen bezoldigd werd, en wien de hoede van een half dozijn koeien, een dertigtal schapen en evenveel geiten opgedragen was. De soeter bestond slechts uit weilanden, zoodat er van bebouwing geen sprake was. Er was slechts gras en nog eens gras, maar dat was van uitmuntende qualiteit.

Joël was gewillig en hulpvaardig van aard. Dat was op zijn eerlijk gezicht te lezen.

Hij was in al de gaards van de Telemarksche streken bekend, en dat beteekent dat hij door een ieder geliefd was en men hem in iedere woning gaarne zag verschijnen. Voor twee wezens koesterde hij evenwel een bijzonder gevoel, een grenzenlooze toewijding. Dat waren zijn neef Ole en zijn zuster Hulda. Die twee wezens waren hem inderdaad het dierbaarst op aarde.

Toen Ole Kamp zich voor den laatsten keer ingescheept had, betreurde de goedhartige Joël het innig, dat hij Hulda geen bruidsschat kon verschaffen, om zoodoende haar verloofde in staat te stellen aan wal te blijven en te trouwen. Ja, een flinke bruidsschat ware het middel geweest, om de jongelieden overgelukkig te maken.

Wanneer hij met de zee vertrouwd ware geweest, zooals hij het met het Telemarksche gebergte was, zou hij geen oogenblik geaarzeld hebben, om zijn neef te laten blijven en in diens plaats te vertrekken, maar van de zee had hij een hartelijken afkeer, en.... zelfs ingeval hij heenging, zou toch nog het geluk der beide geliefden niet gegrondvest zijn.

Er moest toch eenig geld zijn om het jonge huishoudentje, hoe bescheiden ook, op te zetten. Nu had vrouw Hansen geen enkele verbintenis willen aangaan, zoodat Joël begrepen had, en niet geheel zonder grond, dat zij niets van het familiegoed kon of mocht wegschenken.

Ole had dus heen moeten gaan, ver, zeer ver aan de andere zijde van den Atlantischen Oceaan. Joël had hem tot aan de uiterste grenzen van hun dal langs den weg naar Bergen uitgeleide gedaan. Daar had hij hem hartelijk aan zijn borst gedrukt, hem goede reis en behouden terugkomst toegewenscht. Daarna was hij haastig naar zijne zuster teruggekeerd, om die te troosten. Hij droeg haar toch eene echte broederlijke en vaderlijke liefde toe.

Op het tijdstip van het begin van dit verhaal telde Hulda achttien jaren.

Zij behoorde niet tot de klasse der »piga's,” zooals de vrouwelijke dienstbaren in de Noorweegsche herbergen genoemd worden; zij was eerder eene »poker”, die gelijk gesteld kan worden met de Engelsche miss of de Fransche demoiselle, en voerde ook laatstgenoemden titel, evenals hare moeder door hare omgeving, madame genoemd werd.

Meer dan eens kwam Joël daarbij in groot levensgevaar. Blz. 23.
Meer dan eens kwam Joël daarbij in groot levensgevaar. Blz. 23.

Meer dan eens kwam Joël daarbij in groot levensgevaar. Blz. 23.

Zij had een bekoorlijk gelaat, dat overheerlijk omlijst werd, door hare blonden haardos, waarover een goudglans lag en die door een licht, helder wit mutsje bedekt werd, dat aan den achterkant weelderige, lange en dikke krullen liet ontsnappen. Men kon zien, dat die haardos met de meeste nauwgezetheid verzorgd werd.

Haar keurslijf van roode stof, dat met groene tressen bezet was, sloot nauw om haar volle en fraai gevormde buste. Haar keursje gaapte van voren en liet een borstkleed zien met levendige kleuren geborduurd en waarboven de kraakzindelijke chemisette te bespeuren was, in welks mouwen bij het fijne polsgewricht satijnen linten geregen waren.

Haar lenig en slank middel, werd omsloten door een roode ceintuur, die prijkte met gespen van zilverdraad vervaardigd, en waardoor haar groene rok opgehouden werd. Hierop droeg zij een veelkleurige geruite boezelaar, waaronder hare helderwitte kousen ontwaard werden, die verscholen waren in dat fijne puntige schoeisel, waardoor de Telemarksche provincie zoo beroemd is geworden.

Ja, waarlijk, de aanstaande van Ole Kamp was bevallig, vooral door haar ietwat droefgeestig uiterlijk, hetwelk zij met het meerendeel harer noordsche zusteren gemeen had. Maar, hoewel droefgeestig, waarde toch steeds een glimlachje op haar gelaat en dat was het juist, wat haar eene bijzondere bekoorlijkheid verleende.

Wanneer men haar zag, dan dacht men met een onwillekeurig genoegen aan Blonde Hulda, welker naam zij droeg, en die in de Scandinavische fabelleer de rol vervult van de weldoende en gelukaanbrengende toovergodin bij den huiselijken haard.

Als zedig en braaf meisje trad zij altijd op met eene zekere mate van terughoudendheid, die evenwel geen afbreuk deed aan de natuurlijke bevalligheid, waarmede zij de gasten, die in de herberg van Dal een kortstondig onderkomen zochten, te gemoet trad. De toeristen, welke die streken gewoonlijk bezochten, waren daarmede bekend, en ieder hunner voelde zich aangetrokken tot haar en beschouwde het als eene ware aantrekkelijkheid met Hulda de »shakehand”, die hartelijke handdruk, die aan allen, hetzij man of vrouw, aangeboden wordt, te kunnen wisselen.

Gaarne voegden die toeristen haar dan toe:

»Hartelijk dank, lieve Hulda, voor den genoten maaltijd, Tack for mad!”

En zij waren dan overgelukkig, haar met hare frissche, heldere en welluidende stem te hooren antwoorden:

»Het verheugt mij, dat het u inderdaad gesmaakt heeft. Wed bekomme!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings