XVII. CHRISTIANIA.
Reading edition
Christiania,—eene groote stad voor Noorwegen—zou slechts eene kleine plaats in Engeland of Frankrijk zijn.
Als zij niet veelvuldig door brand geteisterd was geworden, zou zij zich thans nog vertoonen, zooals zij gedurende de middeleeuwen gebouwd werd.
In haar tegenwoordige gedaante dagteekent zij eerst van het jaar 1624, op welk tijdstip zij door koning Christiaan IV, een der roemrijkste koningen van Denemarken, waarmede destijds Noorwegen en Zweden vereenigd waren, gesticht werd. Vroeger heette zij Opsölö, maar toen werd zij Christiania genoemd naar haren koninklijken stichter.
Christiania is eene stad, die ongeveer 125.000 inwoners telt, dus in grootte met het Nederlandsche 's Gravenhage gelijkstaat. Zij is zeer regelmatig gebouwd en heeft breede, rechte straten, die evenwel een ietwat stijf voorkomen hebben. Zij is op een hoogte van ruim 40 Meter aan den Christianiafjord opgetrokken, wordt door de Agger-Elf doorsneden, en bestaat uit de wijken: Peperoiken, Hammersborg, Vaterland, Groenland, Leret en Opsölö. Deze laatste is de oudste wijk en heeft dan ook als zoodanig den alouden naam behouden. Daar stond weleer het residentieslot der oude koningen van Noorwegen, dat door koning Harald Hardrade in het jaar 1060 gesticht werd.
In datzelfde Opsölö verheffen zich het paleis der voormalige bisschoppen, een armenhuis, een krankzinnigengesticht en een tuchthuis.
De huizen zijn van wit trachiet of rooden baksteen opgetrokken. In de oude stad komen negen straten in één middelpunt samen; en de breede Karl Johan's Gaade, die naar het fraaie, met een witten voorgevel versierde koninklijk paleis (Kongesbollig) voert, zou geen enkele Europeesche hoofdstad tot oneer verstrekken.
Het koninklijk paleis Oscarslot, een groot, vierkant gebouw, in Jonischen stijl, verrijst te midden van een groot park, dat zeer fraai aangelegd is.
Tot de merkwaardigste gebouwen behooren verder de Beurs, het Vergaderingspaleis en de Storthing (Vertegenwoordiging), het Regeeringsgebouw, de Schouwburg en de Dom.
Op het marktplein bevindt zich eene overdekte hal. Verder heeft men te Christiania: de universiteit Fredericia, welke 600 à 700 studenten telt, die door 30 hoogleeraren onderwezen worden. Daarbij heeft men een museum, een kabinet van natuurlijke historie, eene boekerij en eene sterrenwacht.
Hier en daar worden ook eenige kerken aangetroffen, die voor het uitwendige niets merkwaardigs aanbieden, terwijl hare kunstschatten van zoo weinig beteekenis zijn, dat zij de aandacht der godvruchtigen wel niet afleiden zullen.
Overigens vertoont Christiania niets bijzonders. Wat evenwel zonder voorbehoud moet bewonderd worden, is de ligging der stad te midden van een kring van bergen, die alle een verschillenden aanblik opleveren, en haar als met eene prachtige lijst omgeven. Bijna waterpas in hare nieuwe en rijke wijken, verheft zij zich tot eene soort van Kasbah in het armere gedeelte, dat met onregelmatig gebouwde woningen bedekt is, waarin eene schamele bevolking een nooddruftig bestaan vindt. Deze bewoont wel geen houten huizen meer, daar het bouwen met die grondstof verboden is, maar dan toch woningen van baksteen, waarvan de schrille kleuren het oog pijnlijk aandoen.
Dat woord Kasbah, ontleend aan de bouworde der Afrikaansche steden, moet den lezer niet doen denken, dat het bij de beschrijving eener Europeesche stad in het hooge noorden niet past. Vertoont Christiania in de nabijheid harer haven niet wijken als die van Tunis, van Marocco, van Algiers? En al ontmoet men er geen Tunesiërs, Maroccanen of Algerijnen, toch verschilt de vlottende bevolking niet veel van hen. Christiania is een schilderachtige stad, evenals alle plaatsen, die door de zee bespoeld worden, en zich tegen een achtergrond van groene heuvels verheffen. Men kan haren fjord met de baai van Napels vergelijken.
En inderdaad, die Christiania-fjord, de grootste zeeboezem in 't zuiden van Noorwegen, is omgeven door bevallige en zeer vruchtbare kusten, die tot de vier ambten van het baljuwschap Christiania behooren. De fjord strekt zich uit van het zuiden naar het noorden over een vollen breedtegraad, van Hvaloer (walvischeiland) ten oosten en Tjömö ten westen, tot aan Christiania, vanwaar hij langs het boschrijke en bergachtige schiereiland Näsodden loopt. In het zuidelijk gedeelte, heeft hij eene aanmerkelijke breedte (15 Ned. mijlen en meer). Daar liggen ook eenige eilanden. Nadat hij den Drammerfjord, 22 Ned. mijlen lang, noordwestwaarts heeft gezonden, vernauwt hij zich bij Dröbak, om vervolgens nabij de Noorweegsche hoofdplaats nogmaals een wijd bekken, een ware binnenzee, met talrijke eilanden te vormen. De scheepvaart op dezen boezem is zeer aanzienlijk en wordt door elf vuurtorens beveiligd.
Om tot Christiania terug te keeren, moet nog vermeld worden, dat met betrekking tot den handel de hoofdplaats van Noorwegen na Gothenburg, Drontheim en Bergen de belangrijkste stad des lands is. In de veilige en ruime haven, die echter drie of vier maanden van het jaar wegens het ijs ontoegankelijk is, liepen in den laatsten tijd jaarlijks 16 à 1700 schepen binnen, terwijl er ongeveer evenveel uitzeilden. Onder de uitvoerartikelen behooren in de eerste plaats hout, voorts lijnkoeken, metalen, huiden, enz. Is het ijs in het voorjaar in het achterste gedeelte van den fjord hinderlijk, dan nemen de schepen hunne lading bij Ringene in, eene kwartmijl van de stad, of anders bij Dröbak.
Ook de binnenlandsche handel van Christiania is aanzienlijk en strekt zich uit over de ambten Aggerhuus, Hedemarken en Christiansand, die te zamen omstreeks 350.000 inwoners tellen.
De omstreken van Christiania zijn schilderachtig. Boven het kalme bekken van den fjord, die in 't zuiden tusschen blauwe eilandjes verdwijnt, verheffen zich de kusten, getooid nu eens met bevallige buitenverblijven en pachthoeven, dan weer met altijd groene wouden, die ook hoogerop de bergtoppen kronen.
De voormalige vesting Aggerhuus, voorheen zich verheffende op een steil rotsgevaarte, is in 1815 gesloopt. Later werd er weer een vesting opgericht, die thans tot tuighuis dient. Oude linden, met breede kruinen, beveiligen de meeste woningen tegen de stralen der zon, en op een schiereiland tegenover de stad prijkt het nieuwe paleis Oscarhull. Heerlijk is vooral het vergezicht van den Egerberg ten oosten van Christiania. De stad met haren omtrek, hare wateren en eilanden gelijkt op een Italiaansch landschap en vormt de bekoorlijkste streek van Noord-Europa.
Het klimaat te Christiania is zeer gezond. Niet ver van die hoofdplaats, bij het meer Tyrifjord ligt het fraaie keteldal Rüigerige, waarin verscheidene meren zijn; terwijl ook Krochleven door beminnaars van natuurschoon druk bezocht wordt.
Na die uitweiding over Noorwegens hoofdplaats, kunnen wij ons verhaal hervatten.
Sylvius Hog was dus eindelijk te Christiania teruggekeerd. Die terugkomst geschiedde, wel is waar, onder omstandigheden, die hij onmogelijk had kunnen voorzien, en vóór het einde zijner reis.
Welnu, wat zou dat? Hij zou die reis een ander jaar vervolgen en haar dan ten einde brengen. Thans wilde hij zich alleen met Hulda en Joël Hansen bezighouden. Dat hij hen niet bij zich aan huis had laten afstappen, had daarin zijne oorzaak alleen, dat hij geen kamers gereed had om die jongelieden te huisvesten. Voorzeker zouden de oude Fink en de bejaarde Kaatje hen uitstekend ontvangen hebben! Maar er was geen tijd geweest, om iets in orde te maken. Daarom had professor Sylvius Hog hen naar het Noorder Hotel gebracht, waar hij hen bijzonder aanbevolen had. En men begrijpt dat eene aanbeveling van professor Sylvius Hog, afgevaardigde bij de Storthing, geen onbeduidende zaak was.
Maar, terwijl de professor zorgde en vergde, dat men dezelfde oplettendheden aan zijne beschermelingen als aan hem zelven zoude bewijzen, had hij toch de voorzorg gebruikt om hunne namen te verzwijgen.
Het incognito bewaren, vooreerst geheel onbekend blijven, scheen hem door de voorzichtigheid geboden, ten aanzien van Joël maar vooral ten opzichte van Hulda Hansen. Men weet aan welke geruchten en praatjes het arme meisje ter prooi was geweest.
Wanneer andermaal de algemeene nieuwsgierigheid op haar gevestigd werd, zou haar dat zeker hinderen, en zou dat niet medewerken, om haar verblijf te Christiania te veraangenamen.
Het was dus maar beter, dat niemand met hare aankomst in de hoofdstad bekend werd.
Men had met elkander afgesproken, dat Sylvius Hog den volgenden ochtend broeder en zuster niet vóór het ontbijt zou weerzien, dus niet vóór elf uren. Hij kon dus tusschen elf en twaalf verwacht worden.
De professor had inderdaad verscheidene zaken te regelen, die voorzeker den geheelen ochtend zouden vergen. Maar hij zou de jongelieden dadelijk gaan opzoeken, als hij daarmede klaar was. Hij zou hen dan niet meer verlaten, maar bij hen blijven, tot het oogenblik, dat die loterijtrekking zoude geschieden, welke tegen drie uren plaats moest hebben.
Toen Joël wakker was en zich gekleed had, ging hij zijne zuster Hulda opzoeken, die hem kant en klaar op hare kamer zat te wachten. Ten einde haar eenige afleiding te bezorgen, voor de droefgeestige gedachten, die haar brein vervulden, en welke dien dag nog menigvuldiger en bitterder dan anders waren, stelde hij haar voor eene wandeling te maken en die tot het uur van 't ontbijt uit te strekken. Hulda nam, om haren broeder te believen, dat voorstel aan, en beiden trokken op goed geluk—want geen hunner wist den weg—de stad in.
In tegenstelling met hetgeen in andere Noorsche steden op de zondagen geschiedt, waarop het aantal wandelaars zeer beperkt is, bewoog zich eene groote menigte door de straten der hoofdstad.
De stedelingen hadden niet alleen de stad niet verlaten, zooals zij des Zondags gewoon waren, om buiten verademing van hun arbeid en inspanning te zoeken; maar men zag ook de landlieden en de dorpelingen uit den omtrek naar de stad toestroomen. De spoorweg van het Mjösermeer, die het voornaamste middel van verkeer van Christiania met de omstreken vormt, had extra treinen moeten laten rijden, om de menigte naar de stad te vervoeren.
Wat was er toch gaande?
Voorzeker was er iets op til, dat de belangstelling van die menigte opwekte.
En inderdaad, dat was ook zoo. Al die van buiten komende, al die wandelende personen in de straten van Christiania waren evenveel nieuwsgierigen en vooral belangstellenden in de zoo populaire loterij ten voordeele van de scholen der hoofdstad.
Er drentelde dus, zooals gezegd is, een groote menigte door de straten van Christiania; geheele familiën zag men daar; zelfs de bevolking van geheele dorpen, allen gekomen met de geheime hoop, geene vergeefsche reis gemaakt te hebben.
Men moet niet vergeten, dat een vol millioen loterijbriefjes was geplaatst geworden. En al zou men slechts een of tweehonderd mark winnen, hoe tevreden over het lot zouden die brave lieden naar hunne nederige soeters of naar hunne bescheidene gaards terugkeeren!
En er was een prijs van honderd duizend mark, zonder de andere te rekenen, waaronder een van tien duizend, een van zes duizend, een paar van vijf duizend, en ettelijke van duizend mark waren!
Toen Joël en Hulda Hansen het Noorder Hotel verlaten hadden, daalden zij naar de kaden af, die zich rondom het oostelijk gedeelte der baai uitstrekten. Hier was niet zulk een toevloed van volk, tenzij men een blik wilde werpen in de herbergen,—in de vergunnings-kapelletjes, zou men in ons Nederland zeggen,—waar het bier en de brandewijn met volle glazen veroberd werden, om de dorstige kelen te laven.
Terwijl broeder en zuster zoo in de morgenuren wandelden langs de opeengestapelde vaten, de ontelbare kisten, van alle streken van den aardbol afkomstig, en langs de schepen, die aan de kaden vastgemeerd, of in de baai voor anker lagen, waren het vooral de vaartuigen, die in het bijzonder hunne aandacht boeiden.
Zou er onder al die bodems geen enkele zijn, die te Bergen tehuis behoorde, te Bergen, waar de arme Viken niet zou wederkeeren?
Dat was de vraag, die telkens in 't hoofd dier beide beminnelijke menschen opkwam.
»Ole!.... mijn arme Ole Kamp!....” prevelde Hulda Hansen, schier onhoorbaar zacht.
Maar Joël had die verzuchting gehoord. Het oor hoort scherp, wanneer het hen geldt, die men liefheeft.
Hij troonde zijne zuster dan ook mede, ver van de baai, ver van de haven, ver van die kaden. Hij geleidde haar naar de wijken der bovenstad.
Daar in die straten, op die pleinen drong uit de groepen, die zich allerwege gevormd hadden, maar evenals zij voortwandelden, menige uitdrukking tot hen door, welke hen aanging.
Zoo zeide de een:
»Ja, ik verzeker u, dat men reeds tienduizend mark voor dat nummer 9672 geboden heeft.”
»Tienduizend mark!.... Het mocht wat!....” hernam een ander.
»Ja, tienduizend mark!.... Gelooft gij mij niet?” vroeg de eerste ietwat gebelgd.
»Zeker!.... maar ik heb van twintigduizend mark hooren spreken, en zelfs van meer!”
»Twintigduizend mark?”
»En meer!”
»Het is een heele som, dat moet gij bekennen.”
»Ja, waarlijk eene heele som.”
»En geboden, waarvoor?”
»Voor een nummer, dat mijns inziens niet meer kans heeft dan elk ander.”
»Voor een dwaalbegrip!”
»Voor eene bijgeloovigheid!”
»Alsof de aanraking van de stervende hand van Ole Kamp dat loterijbriefje meer geluk zoude aanbrengen!”
»En toch heeft Van der Bilt....”
»Van der Bilt?”
»Ja, de rijke Van der Bilt van New-York dertigduizend mark geboden!”
»Is hij bezeten?”
»En de heeren Baring van Londen zijn tot veertigduizend mark gegaan!”
»Och, kom! Ongeloofelijk!”
»De heeren Rotschild van Parijs hebben zestigduizend mark geboden!”
»Zestigduizend mark voor een loterijbriefje. Het is waarlijk al te dwaas!”
»Het is niet dwaas!”
»Niet?”
»Neen! Denkt ge dan, dat die heeren niet weten, wat zij doen?”
»Die zijn slimmer dan wij!”
»Zoudt gij zestigduizend mark voor dat loterijbriefje geven?”
»Ik niet!”
»Ziet ge wel! Dus de heeren Rotschild zijn niet zoo slim als gij!”
»Oho! niet zoo boud! Als ik geen zestigduizend mark geef, dan beduidt dat eenvoudig dat ik ze niet heb.”
Men ziet het, ook in het hooge Noorden kan overdrijving heerschen, wanneer de hartstochten der menigte in beweging gebracht zijn. Als dat zoo voortging, dan voorwaar zouden de aanbiedingen voor dat nummer 9672, vóór het trekkingsuur het bedrag van het hoogste lot overschreden hebben.
Maar, al konden die nieuwtjes-uitkramers tot geen overeenkomst geraken omtrent de aanbiedingen, die aan Hulda Hansen gedaan waren, de menigte was het toch volmaakt eens in hare meening omtrent den woekeraar van Drammen.
»Wat een vervloekte fielt! die Sandgoïst!”
»Juist gezegd: een fielt! een schoft!”
»Geen medelijden met die brave bergbewoners te hebben! Het is schandelijk, niet waar?”
»O, die kerel is in het geheele Telemarksche bekend als de bonte hond!”
»Het is zijn eerste schelmstuk niet, weest daarvan verzekerd!”
»Hij heeft nog vele andere zonden op zijn kerfstok.”

Eensklaps verbleekte zijn gelaat; zijn blik verduisterde. Blz. 196.
»Dat wil ik wel gelooven.”
»Intusschen vertelt men....”
»Wat? Zeg op.”
»Dat hem, sedert hij het loterijbriefje van Ole Kamp in zijn bezit heeft, geen enkel bod gedaan is.”
»Hij heeft er toch een flinken prijs voor betaald, niet waar?”
»Ja, vijftien duizend mark.”
»En?....”
»En, nu wil er niemand meer aan.”
»Dat verwondert mij niets.”
»Mij wel. Is de waarde van dat loterijbriefje inmiddels veranderd?”
»Heeft het minder kans?”
»Luistert!”
»Wij luisteren.”
»Dat loterijbriefje was goed....”
»Was goed!.... Waarom niet is goed?”
»Het was goed, toen het in handen van Hulda Hansen was!”
»Ja.... zoo beschouwd....”
»En thans in handen van dien Sandgoïst, is het niets meer waard!”
»Het is minder waard dan ieder ander nummer.”
»Hij heeft het met zijn vuile handen bezoedeld!”
»Hij heeft de kans doen keeren!”
»Hij heeft het geluk verjaagd!”
»Dat is best!”
»Ik mag lijden, dat hij met zijn schandelijk verworven loterijbriefje blijft zitten!”
»En dat hij de vijftien duizend mark moge kwijt zijn, die hij er voor betaald heeft!”
»Maar....”
»Maar wat?”
»Als die fielt in weerwil van uwe voorspellingen eens het groote lot won?”
»O,.... niet mogelijk!”
»Dat zou eene onbillijkheid van het lot zijn.”
»In ieder geval raad ik hem niet bij de trekking tegenwoordig te zijn.”
»Waarom niet?”
»Hij kon er wel eens slecht afkomen.”
»Zoudt gij dat denken?”
»Ja, want de menigte is zeer verstoord op hem. Zij zou hem wel eens wat hard kunnen aanpakken.”
Zoo waren de praatjes, die onder het volk de ronde deden. Neen, de openbare meening was Sandgoïst niet gunstig. Maar de lezer weet het reeds. Er bestond geen gevaar, dat die woekeraar mishandeld zoude worden. Uit voorzichtigheid, of door eene andere beweegreden gedreven, had hij besloten de trekking niet bij te wonen. Hij had zelfs, zooals wij gezien hebben, daags te voren Drammen niet verlaten en was ook blijkbaar niet voornemens dat te doen, daar hij toen dood bedaard op de stoep zijner woning zijne pijp stond te rooken.
Hulda was door al die gesprekken zeer bewogen. Joël, die haren arm, op den zijnen geleund, voelde sidderen, trachtte zooveel mogelijk ruimbaan te maken. Hij wenschte niets meer van die zaak te vernemen. Hij vreesde daarenboven door den een of ander herkend te worden. Dan zouden zij door al die onbekende vrienden, die zij onder de menigte bezaten, toegejuicht zijn geworden.
Zij maakten dus voort en dwaalden verder de stad in, die hen zonder einde scheen.
Heimelijk hoopten zij professor Sylvius Hog op hunne wandeling te ontmoeten.
Dit gebeurde evenwel niet. Wel drong nu en dan een volzin tot hen door, die aanduidde, dat zijne terugkomst te Christiania voor het publiek niet verborgen was gebleven. Men had hem reeds in den vroegen morgen haastig, en alsof hij het buitengewoon druk had, zien voortstappen. Eenige bekenden hadden hem aangesproken, maar hij had geen tijd gehad om hen te woord te staan.
Nu eens was hij in de nabijheid der haven, dan weer in de nabijheid van het Departement van Marine gezien.
Joël had wel aan den eersten den besten voorbijganger kunnen vragen, waar professor Sylvius Hog woonde. Iedereen zou zich beijverd hebben hem terecht te wijzen, ja zelfs hem naar diens woning te begeleiden. Maar hij vroeg dat niet. Hij vreesde onbescheiden jegens dien goeden vriend te zijn. Daarenboven had men afgesproken om in het Noorder Hotel te zamen te komen, daaraan wenschte hij zich te houden. En dat zou zeker het beste zijn, wat hem te doen stond.
Omstreeks half elf begon Hulda zich zeer vermoeid te gevoelen en verzocht haren broeder dan ook, haar naar het hotel terug te brengen. Het arme meisje was eigenlijk meer uitgeput door de aandoeningen, opgewekt door al die gesprekken, die zij willens of onwillens had moeten aanhooren, dan door de lichamelijke vermoeidheid, veroorzaakt door die kleine wandeling.
Als flinke bergbewoonster had zij wel andere vermoeienissen getrotseerd!
Zij keerden dus naar het Noorder Hotel terug.
Daar gekomen, ging Hulda naar hare kamer, om gelaat en handen te verfrisschen en de komst van professor Sylvius Hog af te wachten.
Wat Joël Hansen betrof, hij begaf zich naar de leeskamer van het hotel, die in het benedengedeelte, gelijkvloers, gelegen was. Daar trachtte hij den tijd te verdrijven, door werktuiglijk de dagbladen van Christiania te doorloopen.
Eensklaps verbleekte zijn gelaat; zijn blik verduisterde, en het blad, dat hij in de hand hield, ontviel aan zijn bevende vingeren....
In een nummer van het Morgenblad had hij onder de zeetijdingen het navolgende telegrafische bericht gelezen, dat van New-Found-Land overgeseind was:
»Het adviesvaartuig, de Telegraaf, op de vermoedelijke plaats van de schipbreuk der Viken gekomen, heeft geen enkel spoor ontdekt. Hare nasporingen op de Groenlandsche kust zijn ook zonder gevolg gebleven.
»Men kan thans als zeker aannemen, dat de Viken met man en muis vergaan is, en dat niemand der bemanning den dood is ontkomen.”