VII. ZUSTER EN BROEDER.
Reading edition
In den namiddag van den daarop volgenden dag zou Joël Hansen te Dal wederkeeren.
Hij had den toerist, dien hij tot gids strekte, op den weg naar de Hardangsche streken gebracht en daar aan een anderen wegwijzer behoorlijk overgegeven.
Hulda, die wist, dat haar broeder langs het pad, hetwelk over de bergvlakte van den Gousta en langs den linkeroever der Maan-rivier voert, zoude wederkeeren, ging hem bij den overgang van den onstuimigen bergstroom wachten. Zij zette zich neder bij eene kleine verhevenheid, die tot bruggenhoofd en ontschepingsplaats voor de veerpont diende, die daar de gemeenschap onderhield. Daar was zij weldra in haar overpeinzingen verzonken. Bij het angstige gevoel, dat haar vanwege het lange uitblijven van de Viken beheerschte, voegde zich thans nog een veel sterker, veroorzaakt door het bezoek van dien Sandgoïst daags te voren en door de houding bij deze gelegenheid door vrouw Hansen, hare moeder, aangenomen.
Waarom had deze bij het vernemen van den naam van dien vreemdeling, de rekening verscheurd? En waarom had zij toen het haar toekomende geweigerd in betaling aan te nemen?
Zij kende haar moeder genoegzaam, om niet te beseffen, dat die daad een geheim—een gewichtig geheim ongetwijfeld—tot grondslag moest hebben. Dat kon haast niet anders.
Hulda Hansen zat daar een poos het oog op den top van den Gousta gevestigd, die zich 1890 meter boven de oppervlakte van de zee verheft, en met een niet al te hoogen zadelrug in het Noorden aan de hoogvlakte, Hardanger vidda genaamd, aansluit, waarachter de Halling jokul met zijn schitterenden gletscher, die de rotswanden van Hallingskarven beheerscht, uitkijkt. Van het punt, waar het meisje zat, kon haar oog waren over de vijf groote dalen, waaruit het Telemarksche bestaat, namelijk het Numedal met de rivier de Laayer, het Hallingdal met de rivier de Maan, het Valdresdal met de rivier Bägna, het Gudbrandsdal en het Osterdal. De rivieren, of beter bergstroomen, storten als beken van het gebergte neer, vormen daarbij de woeste en schilderachtigste watervallen der wereld, en stroomen in de Christiania-fjord, welks boorden tot de vruchtbaarste van geheel Noorwegen behooren, in zee. In de verte werd een donderend geraas vernomen, dat was de rivier Krannä, die van een hoogte van ruim 250 meter neerstort en den Rjukanwaterval vormt, den schoonsten van geheel Noorwegen, ja van geheel Europa.
Of dat fraaie tafereel de lieve maagd boeide, valt te betwijfelen. Hulda zat daar en keek; maar of zij ook zag?....
Zij werd eindelijk uit hare overpeinzingen door de aankomst van haren broeder Joël gewekt. Zij ontwaarde hem, toen hij het kronkelende pad langs het eerste voorgebergte met haastigen pas afdaalde. Nu eens verscheen hij te midden der smalle openingen van het woud, tusschen de neergevelde boomen of tusschen de stronken van die woudreuzen, welke door het vuur opgeruimd waren. Dan weer verdween hij onder de dichte takken der dennen, berke- en beukeboomen, waarmede de berghellingen als het ware overladen zijn. Hier vertoonde hij zich op den kam eener bergrib in de volle ontwikkeling zijner welgevormde mannelijke gestalte. Elders trok hij achter eene kolossale rotspartij om, die hem voor Hulda's oogen verborg, terwijl hij iets verder door eene rotsspelonk opgenomen werd, waarin hij verdween, alsof hij toegang had verkregen tot een der ingangen van de onderwereld.
Maar eindelijk, na nog eene scherpe helling afgedaald te zijn, kwam Joël Hansen op den tegenovergestelden oever van den bergstroom aan, en sprong in de veerpont. Hij stak fluks van wal en de riemen krachtig hanteerende, ontkwam hij met weinige roeislagen de kolken en tegenstroomingen van de bruisende rivier. Eindelijk bereikte hij den oever. In één sprong was hij op den wal en bij zijne zuster, die hij liefderijk in de armen sloot.
»Is Ole Kamp terug?” vroeg hij onstuimig en terstond na die broederlijke omarming.
Zooals men ziet, was zijne eerste gedachte voor zijn vriend. Helaas, zijne vraag bleef onbeantwoord.
Droefgeestig en terneergeslagen keek hij voor zich, terwijl hij den arm om het middel zijner zuster geslagen hield.
»En geen brief van hem ontvangen?” vervolgde hij.
»Geen woord!”
Hulda barstte in tranen uit. Zij snikte en heftig bewoog zich hare borst.
»Neen,” riep Joël Hansen uit, »neen zusjelief, schrei niet... Dat doet mij te veel pijn... Ik kan je niet zien weenen... Komaan! laat zien... Ge zegt, dat er geen brief gekomen is... Dat begint er werkelijk onrustbarend uit te zien!... Toch bestaat er nog geen reden om te wanhopen!... Kijk, als gij wilt, zal ik naar Bergen reizen. Daar zal ik berichten inwinnen... Ik zal de heeren Gebroeders Help gaan zien... Misschien hebben die tijdingen van New-Found-Land... Waarom zou de Viken niet de een of andere noodhaven hebben kunnen aandoen? Hij kan averij bekomen hebben, hij kan genoodzaakt geweest zijn voor den storm te lenzen, of zich te bergen.... Dat is zeker, dat de wind sedert meer dan eene week zeer onstuimig gewaaid heeft en soms tot storm aangewakkerd is. Maar... wat zou dat nog?”
Hulda keek hem met hare roodbekreten oogen aan. Och, zij had zoo gaarne geruststelling en vertrouwen uit de woorden van haren broeder geput. Of deze daarbij slaagde?
»Men kan voorbeelden aanhalen,” vervolgde Joël Hansen, »dat vaartuigen, komende van de Noord-Amerikaansche kust een toevlucht gezocht hebben op IJsland of op de Ferro-eilanden. Dat is zelfs Ole Kamp twee jaren geleden overkomen, herinnert gij u nog wel, toen hij aan boord van de Strenna voer? Dat kan u onmogelijk ontschoten zijn, nietwaar?”
Hulda knikte bevestigend met het hoofd, maar scheen lang niet overtuigd.
»En van die streken komt de post niet dagelijks aan,” ging Joël Hansen voort. »Bij gevolg bestaat er niet altijd gelegenheid om te schrijven. Dat is klaar als de dag!”
Het arme meisje was ontroostbaar bij dat denkbeeld, hetwelk evenwel als eene uitkomst moest gerekend worden, bij de gedachte aan eene zooveel wreedere mogelijkheid.
»Ziet ge, zusjelief,” ging Joël voort, »ik spreek tot je zooals ik denk.... Wees nu toch bedaard.... Wat moet er van ons worden, als ik ook ga schreien?”
»Ik kan er niets aan doen, broeder,” bracht Hulda snikkende uit.
»Hulda!.... Hulda!.... Geen moed verliezen, wat ik je bidden mag!.... Ik verzeker je, dat ik nog volstrekt niet wanhoop! En toch weet ge, hoezeer ik Ole liefheb.”
»Kan ik je gelooven, Joël?” vroeg het meisje, terwijl zij het hoofdje aan zijne borst vleide.
»Ja, dat kunt ge, zuster,” antwoordde de jonge man. »Maar wilt ge, om u gerust te stellen, dat ik naar Bergen vertrek?... Morgenochtend.... of hedenavond?”
»Ik wil niet, dat gij mij verlaat!.... Neen, dat wil ik niet!” antwoordde Hulda Hansen, terwijl zij zich aan haren broeder vastklemde, alsof zij slechts hem ter wereld meer bezat.
Hij suste, en troostte haar nog eenigen tijd en wendde zijne beste argumenten aan, om haar gerust te stellen, hetgeen dan ook eenigermate gelukte. Beiden wilden toen den terugweg naar de herberg van Dal aanvaarden, waarbij Joël Hansen zijne zuster zoo goed en zoo kwaad hij kon, tegen den regen trachtte te beschutten.
Maar de bui werd in dat oogenblik zoo hevig, de slagregen kletterde zoo krachtig terneder, dat zij genoodzaakt waren eene toevlucht te zoeken in de hut van den veerpontschipper, die op een paar honderd passen van den oever der Maan-rivier stond.
Daar moesten zij wachten, totdat de bui eenigermate uitgeraasd zoude hebben of weggedreven zoude zijn. En terwijl zij daar verwijlden, gevoelde Joël Hansen eene onoverwinnelijke behoefte om te praten, om het even over wat. De stilzwijgendheid kwam hem nog wanhopiger voor, als alles wat er gezegd kon worden, ja al zouden woorden moeten weerklinken, die weinig hoop, die weinig uitzicht op eene wenschelijke oplossing zouden geven. Alles, alles liever dan die stilte!
»Hoe is het met moeder?” vroeg hij met zekere gejaagdheid in zijne stem.
»Die wordt al meer en meer droefgeestig,” antwoordde Hulda, steeds terneergeslagen.
»Is er niemand gedurende mijne afwezigheid in de herberg afgestapt?”
»Ja wel, een reiziger, die daags daarna weer vertrokken is,” was het antwoord van het meisje.
»Dus er is geen enkele toerist in de herberg aanwezig, nietwaar? en is er in mijne afwezigheid om geen gids gevraagd geworden, zusjelief?” vroeg Joël.
»Neen, broeder, er is geen toerist in de herberg, en er is geen gids gevorderd.”
»Des te beter.”
»Waarom, Joël?”
»Omdat ik thans in de gegeven omstandigheden u liever niet verlaat. Daarenboven....”
»Daarenboven wat?”
»Als het slechte weder aanhoudt, vrees ik wel, dat de toeristen er van zullen afzien, om onze schoone provincie Telemarken te bezoeken. Denkt gij dat ook niet, Hulda?”
»Wij zijn nog pas in April, Joël, dus nog ver van den zomer. Het weer kan dus wel ten goede keeren.”
»Ongetwijfeld, zusjelief; maar ik heb als het ware een voorgevoel, dat wij geen goed seizoen zullen hebben.”
»Niet? Waarom niet?”
»Ja, de reden van dat voorgevoel kan ik niet opgeven. Nu, wij zullen zien, wie gelijk heeft, gij of ik.”
»Gisteren heeft die vreemdeling Dal verlaten, nietwaar, Hulda?”
»Ja, Joël. Hij is des morgens heel vroeg vertrokken. Het was ternauwernood dag.”
»Wie was het? Zeg, weet gij daar ook iets van?”
»Niet anders dan dat hij van Drammen afkomstig was.”
»Van Drammen?”
»Ja, hij schijnt daar te wonen.”
»En wat weet gij verder? Kom, zusjelief, spreek op. Bij voorbeeld, hoe heet hij?”
»Hij heet Sandgoïst.”
»Sandgoïst?”
»Ja. Kent gij hem misschien?”
»Neen,” antwoordde Joël.
Hulda had zich reeds de vraag gesteld, of zij alles aan haren broeder zou vertellen, wat in de herberg gedurende zijne afwezigheid voorgevallen was. Wanneer Joël vernemen zoude, hoe onwellevend, ja hoe onbeschoft die man te werk was gegaan, hoe hij de waarde van het huis en van het ameublement scheen berekend te hebben; wanneer haar broeder ingelicht zoude zijn, over de houding en de gedragslijn van vrouw Hansen tegenover dien vreemdeling, wat zou hij dan wel denken? Zou hij dan niet moeten gelooven, dat hunne moeder zeer ernstige redenen moest hebben, om te handelen, zooals zij gedaan had?
En dan.... welke waren die redenen? Daar stond haar verstand werkelijk voor stil.
Wat voor geheim kon er tusschen haar moeder en dien Sandgoïst bestaan?.... Waarlijk, onbegrijpelijk!
Het kon niet anders, of daar moest iets achter schuilen.
En nog wel een dreigend geheim voor de familie.
Joël zou het willen vernemen. Hij zou zijne moeder ondervragen. Hij zou haar geen rust laten.... En vrouw Hansen, die toch al zoo weinig mededeelzaam was, die er toch al zoo tegen opzag haar gemoed voor anderen uit te storten, zou haar geheim willen bewaren, zooals zij tot heden gedaan had. De verhouding tusschen haar en hare kinderen, die toch al zoo bedroevend was, zou nog pijnlijker worden.
Maar, zou het jonge meisje iets voor Joël kunnen verzwijgen? Zou dat mogelijk zijn?
Een geheim voor hem? Zou dat geen nadeeligen invloed uitoefenen op de warme vriendschap, die beiden verbond? Zou dat geen verraad zijn? Ja, snood verraad!
Neen, die vriendschap mocht nimmer verbroken worden. Hulda besloot dan ook alles te zeggen.
»Hebt ge nimmer over dien Sandgoïst hooren spreken, wanneer gij te Drammen vertoefdet?” vroeg zij.
»Nooit,” antwoordde haar broeder.
»Welnu, weet dan, Joël, dat onze moeder hem reeds kende, althans van naam.”
»Zij kende Sandgoïst?”
»Ja, Joël.”
»Maar, ik heb haar nimmer over hem hooren reppen?....”
Hulda trok de schouders op, daardoor te kennen gevende, dat dit geen bewijs was.
»Ik heb haar zelfs den naam van dien man niet hooren noemen,” vervolgde Joël.
»En toch kende zij hem,” antwoordde het jonge meisje, »hoewel zij dien man nimmer voor zijn bezoek van eergisteren gezien heeft. Daar van houd ik mij overtuigd.”
En nu verhaalde Hulda al de bijzonderheden, die het verblijf van dien Sandgoïst in de herberg van Dal gekenmerkt hadden, zonder de zonderlinge daad van vrouw Hansen bij het vertrek van den vreemdeling te vergeten. Daarna haastte zij zich te vervolgen:
»Ik geloof dat we het verstandigst zullen doen, broeder Joël, om niets aan moeder te vragen. Gij kent haar, nietwaar? Dat zou haar nog ongelukkiger maken. De toekomst zal ons ongetwijfeld ontsluieren wat ons van het verleden verborgen is gebleven.”
»Maar wat zou dat kunnen zijn, zusjelief?”
»Ik weet het niet; maar geve de hemel, dat Ole Kamp spoedig moge terugkeeren! Mocht ons dan eenige ramp treffen, of eenige reden tot droefheid ons deel zijn, dan zullen wij met ons drieën zijn om die te dragen.”
Joël had zijne zuster met de meest onverdeelde aandacht aangehoord.
Ja, zeker! Tusschen vrouw Hansen en dien Sandgoïst moest een ernstig geheim bestaan, dat de eene in de volslagen afhankelijkheid van den anderen stelde. Er viel niet aan te twijfelen, dat die kerel te Dal was gekomen, om de waarde der herberg te schatten. Neen, dat was zeker! En die rekening, die bij zijn vertrek verscheurd werd,—eene daad, welke dien vreemdeling geheel natuurlijk voorkwam,—wat had dat toch te beduiden?
»Gij hebt gelijk, Hulda,” zei Joël, »ik zal moeder niets vragen. En toch, misschien zal zij berouw gevoelen, dat zij ons haar vertrouwen niet geschonken heeft.”
»Misschien wel,” antwoordde het jonge meisje. »Maar ik vrees, ik vrees....”
»Als het maar niet reeds te laat is,” ging Joël voort. »Och, wat moet de arme vrouw toch lijden. Zij is zoo teruggetrokken. Begrijpt zij dan niet, dat zij hare kinderen heeft, om in hunne harten hare bekommering te storten?”
»O, dat zal zij vroeg of laat wel begrijpen, Joël.”
»Ik hoop het, zusjelief,” antwoordde de broeder.
»En ik herhaal: als het dan maar niet te laat zal zijn.”
»Wij kunnen niets anders doen dan wachten, lieve Hulda. Maar inmiddels zal het toch niet verboden zijn te trachten te weten te komen, wie die kerel is. Misschien kent mijnheer Helmboë hem. De eerste maal, dat ik naar Bambel ga, zal ik het hem vragen.”
»Maar, voorzichtig, Joël.”
»Ja, wees gerust. En als het noodig zal zijn, zal ik naar Drammen gaan. Daar zal het wel niet veel moeite kosten, om te vernemen wie en wat die man is, wat hij uitvoert, welke zaken hij drijft, wat men er van denkt....”
»Niet veel goeds, voorzeker,” viel Hulda hem in de rede. »Hij heeft terugstootende gelaatstrekken en zijn blik duidt op boosaardigheid. Het zou mij verwonderen als onder zulk een lomp uiterlijk eene edelmoedige ziel huisde.”
»Kom, zusjelief,” hernam Joël. »Gij moogt de lieden niet naar hun uiterlijk beoordeelen, en nog minder veroordeelen. Ik wed, dat gij dien Sandgoïst een aangenaam voorkomen zoudt toeschrijven, wanneer gij hem beschouwdet, terwijl gij met Ole Kamp gearmd gingt.”
»Mijn arme Ole!” prevelde het jonge meisje.
»Die zal wel terugkomen,” riep Joël uit. »Hij is reeds op weg. Schep moed, Hulda; heb vertrouwen. Ole Kamp is thans niet ver verwijderd meer. Wij zullen hem bij zijne terugkomst beknorren, dat hij zoolang op zich heeft laten wachten. Gij zult mij helpen, niet waar? En wij beiden zullen een heel boos gezicht zetten.”
Het had inmiddels opgehouden met regenen. Beiden verlieten de hut en stapten het bergpad op, om naar de herberg terug te keeren. Zij maakten daar nog al haast mede.
Onderweg zei Joël:
»A propos, zusjelief, ik vertrek morgenochtend weer. Morgenochtend heel vroeg.”
»Ge vertrekt weer?....”
»Ja, bij het krieken van den dag.”
»Reeds vertrekken, broeder?”
»Het kan niet anders, Hulda. Toen ik het Hardangsche verliet, vernam ik van een mijner makkers, dat een reiziger van het noorden over de hooge bergvlakten van Rjukanfos zoude komen. Morgen zal hij reeds daar zijn.”
»Welke reiziger is dat, Joël?”
»Dat weet ik niet, zusjelief. Ik ken zelfs zijn naam niet. Maar ik moet noodzakelijk daar zijn, om hem naar Dal te begeleiden.”
»Ga dan heen, vervul uwen plicht, als het niet anders zijn kan,” antwoordde Hulda met een diepen zucht.
»Juist. Morgen bij het krieken van den dag zal ik mij op weg begeven.”
Hulda zuchtte nogmaals.
»Bedroeft u dat, zusjelief?” vroeg de teerhartige broeder bezorgd.
»Ja, Joël,” antwoordde het jonge meisje. »Ik ben veel ongeruster, als gij mij verlaat.... al is het ook maar voor weinige uren.”
»Welnu, ik zal je wat vertellen, Hulda.”
»Wat dan, Joël?” vroeg zij met echt vrouwelijke nieuwsgierigheid. »Wat dan?”
»Luister. Ik vertrek niet alleen.”
»Niet alleen?”
»Neen.”
»Wie vergezelt u dan?”
»Raad eens.”
»Hoe zou ik dat kunnen raden?”
»Geeft gij het op?”
»Ja, ik geef het op. Raadsels kan ik niet oplossen, dat weet gij wel.”
»Gij vroegt mij, wie mij zal vergezellen, nietwaar?”
»Ja, en dat vraag ik nog, Joël.”
»Welnu, niemand anders dan gij zult mij vergezellen.”
»Ik?”
»Ja, gij!”
»Maar....”
»Gij hebt afleiding noodig, en daarom neem ik u mede, Hulda.”
»Dat is inderdaad eene goede gedachte van u, dierbare broeder.”
»Niet waar?”
»Ongetwijfeld.”
»Maar neemt gij het aan?”
»Voorzeker. Ik dank u wel, Joël.”