UITBREIDING OVER DEN 19 PSALM DAVIDS, VERVATENDE DE UITNEMENDHEID VAN DE WET DES HEEREN.
Reading edition
I. Geen schepsel zoo gering, Of 't predikt zonderling Zijns Scheppers lof en prijs, Meer of men luidkeels riep: Die alle dingen schiep Is machtig, goed en wijs; Doch, onder alle die, Voornamelijk ik zie Der Heem'len kring uitdrukken, Hoe groot en wonderbaar Is dezen konstenaar, Vol kloeke meesters-stukken. II. Het uitgebreid gewelf Mij tot den Schepper zelf Met zoo veel lichten trekt, En tuigt van 't ware Licht, Dat zijn schoon aangezicht Daar achter houdt bedekt. Nu weid, mijn ooge! weid: Der Heemlen Majesteit, Vol schoonheid ingegoten, De schoonheid mij verbeeldt Van 't nooit-geschilderd beeld, Tot nog voor ons gesloten. III. Naauw gistren daalden neêr Den morgen meldde 't weêr Geduriglijk voorts aan: Den eenen duistren nacht Het tot den andren bracht; Gods lof nooit stil bleef staan, 't Schoonst, dat ooit daaglijks blonk, Ons 's daags zijn stralen schonk, Te helder[1] nog van verren: En als het onderdook, Den duistren nacht ons ook Kwam lichten met haar sterren. IV. Geen tongen, volk, of steê, Hoe uitheemsch, over zee, Of leeren ongewend[2], Of in hoe duistren hoek, Dat niet uit 's Hemels boek, Als 't wil, den Schepper kent: Elk sterretjen gewis Een gulden letter is. Wie dees boek-staven[3] t' zamen Onzichtelijken stelt, Daar merkelijk uit spelt Gods wonderlijke name. V. Van derwaarts is[4], dat trotsch Den bliksem onzes Gods [Pg 152b] Den sterflijken verschrikt; Zij vlieden al haar best, Als hij, van 't Oost in 't West, In ieders oogen blikt. Wat plaats, wat hoek, wat oord De donder niet en hoort, Wanneer hij die wil zenden? Hij berst ten wolken uit, Met eiselijk geluid, Tot aan des werelds enden. VI. In 't driftig veld[5] om hoog Heeft God des werelds oog, De zon, een hut vergund, Waar uit hij toebereed Als eenen bruidgom treedt, Die in cieragië uitmunt, Die uit zijn slaap-zaal gaat, En blinkt in zijn gewaad Van heldre diamanten. Met minder luister niet Ons 't licht zijn fakkel biedt, En straalt aan alle kanten. VII. Zoo haast zij 's morgens rijst Op dees aardbodems lijst[6], Der sterren glans verdooft: Gelijk een moedig held Hij zich tot loopen stelt, En toogt[7] zijn glanzig hoofd: Den gulden vlammendrig[8] Alle oogen trekt tot zich Van menschen en van dieren; 't Gevogelt algelijk Hem groet met wilt-muzijk, En vrolijk tierelieren. VIII. Verwonderd ik aanzag, O, vader van den dag! Hoe snel gij 't al verklaart[9], Hoe vlug gij henen schrijdt, Ja, in zoo korten tijd Volbrengt uw Hemel-vaart: Des Hemels blaauwe tent Gij dagelijks omrent Met uw gevlerkte paarden: Uw hett' breekt alzins door, En niets en blijft er voor Gescholen op der aarden. IX. Schoon[10] 's hemels aangezicht, En alderschoonst het licht[11], Waar door de wereld ziet, Nog schoonder 's Heeren wet Die, rein en onbesmet, Nooit ziel haar vlekken liet. Hoe blinkt der starren troon En alderklaarst ten toon De goud-geel zonne luistert[12]: In klaarheid, waar zij straalt, Gods wet nog prijs behaalt, Voor wien al 't licht verduistert. X. 't Uitbreidsel wonder net: De zonne 's levens wet, [Pg 153a] Wordt aldernetst geacht; Doch netter nog bekleef De wet, die God voorschreef Het menschelijk geslacht: De wet, die aangemerkt Wel neiging daadlijk werkt Ten goeden, van den kwade, Vermits zij zwaarder weegt; Waardoor men God beweegt Tot gunst en tot genade. XI. De leek[13] zij wederbaart[14] En zijnen wulpschen aard In wijsheid grijzen doet, Wanneer zij, wel beoogd, Zoo onderscheidlijk toogt Het ware en 't valsche goed. Wie, heilig en geschikt, Dees hoogste reden[15] wikt, Die zal ze oprecht belijden, En d' onderhouder werd Ervaren, hoe zij 't hert Zoo zeer in God verblijden. XII. O, welken heldren glans, In d' oogen des verstands, Van 's Heeren wet afschiet! Waardoor, Heer! uwen knecht, Naar uw behagen recht 't Een lieft en 't ander vliedt. De vreeze, die steeds vreest, Met eenen kindschen geest, Des hoogsten toorn, is heilig; Dies 't lot, dat zij verhoopt, Niet met der tijd verloopt, Maar in Gods schoot rust veilig. XIII. Rechtvaardig is 't gericht, Dat ieder zijnen plicht Aanteekent en verklaart, Wijl 's Hemels wetten dan Geen tong volprijzen kan, Hoe schoon zij zijn en waard. Noch goud, noch eêl gesteent Heeft Ofir ooit verleend, Zoo dierbaar in mijn oogen: Noch nimmer honigbie Konfijtten[16] honig, die Zoo zoet heeft smaken mogen. XIV. Uw knecht heeft, 'tgeen hij weet, Alsteeds met doen bekleed, Steeds hield hij zich vermaand, En, nimmer ijver zat[17], Speurt, hoe zij hem den pad Ter hoogster eeren[18] baant. Zoo ooit mijn ziel verleid Wierd door onwetendheid, Wie kan die feilen mijden? Erinnert mij, o Heer! Al 'tgeen, waardoor wij d' eer Uws heilgen naams ontwijden. XV. Ontslaat derhalven mij Der trotscher[19] heerschappij, Zoo blijve ik onbevlekt En onbezoedeld van [Pg 153b] Al 'tgeen den vromen man Tot schuld en onheil strekt: Alsdan zal Davids mond Ontdekken 's harten grond Met heilige gedichten. Mijn scherm-heer, troost, en schild! Die mij verlossen wilt, En al mijn kruis verlichten!