Kristelijk Vrijagiëlied.
Reading edition
Op de WIJZE: Van Angenietje.
Teêr Katharijntje Voor 't zonneschijntje, En 's middags hette week, Bij 't ruischen van de beek; Beek, die haar jeugd na 't leven vaak verbeeldt; Daar, frisch en koel, Een luwe stoel[1] De moede leden streelt. Zij bukte neder, En zag haar teder En vrolijk aanschijn daar; Doen werd ze nog gewaar Een tweeden, die van achter haar beloert: Met greep hij toe: "Hoe" sprak zij, "hoe!" Omziende wat ontroerd. Hij sprak met eenen: "Gij ziet den genen, Schoon kind! gij ziet hem nu, Voor wien gij vlucht zoo schuw. Ik volg uw spoor; ik jaag, ik loop, ik ren; Opdat uw geest Weet, wien hij vreest, Zoo luister, wie ik ben: "'t Is waar, geen zegen Van moeders wegen Ik erf, noch haaf noch goed: Hoewel zij daalt van 't bloed Der koningen, een overoud geslacht; Wiens roem zal staan, Door brave daân, En zegeteekens-pracht!" "Maar uitverkoren, Ik, eerstgeboren, Mij voor geen vorsten schaam: Als eenig erfgenaam Mijns vaders, die met donderen rumoert; Wiens majesteit Geen scepters zweit[2], Maar vier en bliksems voert." "Laat andre blaken Om rozekaken, Om oogjes bruin als git, Om 't poezelachtig wit; Jont andren 't lijf, eer 't worm of slange knaagt; Maar mij alleen, En anders geen, Uw ziel, o schoone maagd!" "Uw ziel, o spruitje! Als konings bruidje, [Pg 168a] Dan zitten zal te prijk, In mijn heer vaders rijk, Daar staâge lust het bedde voor haar spreidt; Daar ze onvermoeid Verzwelgt, 't geen vloeit Van 's bruigoms zaligheid." Zoo suikre woorden Haar ziel bekoorden; Ontvonkt door deze stem, Greep zij verliefd naar hem, Die met een heilig spook[3] verdween gezwind. Zij uit verdriet Riep: "eer gij vliedt, Koom, kust ze, die ge mint!"