OP URBAAN DEN ACHTSTEN[1].
Reading edition
OP URBAAN DEN ACHTSTEN[1].
Wat Godheid vol ontzags is dit, Die daar op zeven bergen zit, En zwaait, met zijne rechte hand, Dien bliksemstraal, en gloênden brand, Vervaarlijk als de Dondergod? Terwijl hij, uit het hooge slot, Een ieder handelt[2] zoo beleefd[3], En streelt, en smeekt[4], en zegent, heeft Hij onder zijn schabel[5] gebracht En zolen 't oorloogsforsch geslacht; En, trapplende op 't gekroonde hoofd Der grootste koningen, verdooft Het gloeyend purper van den raad Der vadren, die rondom hem staat; Gelijk 't gestarrent[6] flaauwt en daalt, Zoo ras de zon in 't Oosten straalt Van goud en rozen, uit haar troon. Verhuist Jupijn met al de Goôn? En vaart hij uit den Hemel, om Het kapitool, zijn heiligdom, Te gaan bezoeken? wat gezag Brengt de eerste tijden voor den dag, En voert den ouden Numa[7] weêr Te Rome, met zoo groot een eer? En levert Rome weder aan Den grijzen Numa onderdaan? Terwijl 't gemoed dit overleît, Zoo luistert mij mijn geest, bereid Te baren, en gedreven door Iet Hemelsch, dit al stil in 't oor: "Dees is de groote sleutelvoogd Van 's Hemels poorte; rust nu; poogt Niet meer te weten; buig uw kniên, En kus zijn voeten, wijd[8] ontzien." Te Rome, met den ingang des gulden jaars 1625. Vertaald uit mijn broeders[9] Latijn.