Op de Dood van JONKVROUW MACHTELD VAN KAMPEN[1].
Reading edition
Op de Dood van JONKVROUW MACHTELD VAN KAMPEN[1].
De Mai, veraard[2] en slinksch, die trof ons maagdepuik, O Machteld! toen zij u benijdde 't jeugdig blozen. Een andre bloem verwelkt, gesneden van haar struik; Maar, blanke lelie! och, in 't midden van de rozen, Men u, op uwen steel, zag flaauwen en bezwijmen[3], Die waart des vrijers wensch, der oudren zoete hoop. Uw geest gebluscht is, en de fakkel van uw Hymen!— 't Is kostlijk, dat[4] om goud noch tranen is te koop.