← Table of contents
De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem

OP HET METALEN PRONKBEELD, TE ROTTERDAM OPGERECHT, TER EERE VAN DEN GROOTEN ERASMUS.

Reading edition

Wat wijsheid Latium en Grieken hiel besloten, Begreep gansch Kristenrijk, zoo ras Erasmus kwam, En schonk, met zijnen naam, aan 't nedrig Rotterdam Een naam, naardien hij was uit haren schoot gesproten. De stad, verheugd om de eer van zulk een zoon genoten, Zijn rottende gebeent noch stuivende assche nam, [Pg 147a] Maar rechtte een steenen beeld. De Nijd spoog vier en vlam, Om haren zuigeling van 't hoog altaar te stooten[1]: Dan och! die groote keert zich niet aan nijd noch spijt. Geen graf bestulpt[2] zijn faam. Hij heldert[3] met den tijd. Zijn krans groent onverwelkt en bloeit, voor afgunst veilig. Die onlangs was van steen, nu glinstert van metaal, En zoo de nijd zich steurt aan 's helds verdiende praal, Wij gieten licht van goud dien Rotterdamschen Heilig.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings