Davids Lijkklacht OVER SAUL EN ZIJN ZONEN.
Reading edition
De braafsten, die gij hebt gedragen, O Isrel! leggen nu verslagen Op uwe bergen. Wat geweld Of 't puik der mannen hebb' geveld? Verhaalt dit niet aan onz' misgonners Te Gath, noch meldt toch d' Ascalonners Op hunne straten 't ongeval, Door uw luidruchtig lijkgeschal: Om niet de maagdelijke reyen Des Filistijns ten dans te leyen: Dat 's onbesnedens dochters niet Gaan lachen over ons verdriet. O Gilboa! dat dauw noch regen Voortaan uw hooge toppen zegen Met loof en gras, noch d' akker draag Zijn tiende, die Gods hut behaag: Want op uw hoogte en open velden Ontzeeg de schild en 't hart der helden: De schild van Saül in den strijd; Als had hem God nooit ingewijd. De boog van Jonathan en 't snedig[1] Geweer[2] van Saül kwam nooit ledig In 't hof, maar vuil van vijands bloed En 't vet der dappren, trotsch van moed. Die Jonathan, die Saül minnelijk, En beide schoon en onverwinnelijk, Terwijl ze leefden, kon de dood Niet scheiden, in den jongsten nood. Geen arends vleugels waren sneller, Geen kies noch klaauw van leeuwen feller. Och, Abrams dochters! schreit op 't lijk Van Saül, fluks[3] nog vorst van 't rijk: Die u met purperen gewaden Bekleedde, en 't kleed met puikcieraden, [Pg 148a] Gesteente en goud te sieren plag. O, onvergetelijken slag! Hoe stortten daar de vroomste koppen! O Gilboa! op uwe toppen Viel d' onversaagdste en stoutste man, Die grootste krijgsheld Jonathan. Och, Jonathan, mijn zoet vertrouwen! Mij zoeter dan de min der vrouwen, Mijn broeder, dus verongelukt! Nu voel ik, hoe uw dood mij drukt! Geen moeders hart had zoo verkoren Het eenig pand, uit haar geboren, Als ik uw ziel, o heldenheer! Hoe kwaamt gij om met uw geweer[4]!