← Table of contents
De complete werken van Joost van Vondel. Davids Lofzang van Jeruzalem

Bruiloftlied.

Reading edition

1. Gij waart, heer bruidegom! een pronk-beeld van ivoor, Dat reuk derft, smaak, gezicht, gevoelen, en gehoor; Waar in, door goochelkunst, de schim van 't leven zweeft, Doch[1] pols, noch aderslag, noch roering[2] in zich heeft. 2. Maar als u Tessel-schade, uw helft, te beurte viel, Doen daagde uw zon, en 't lijf ontving ter feest zijn ziel. Het sterflijk werd verknocht met zijn onsterflijk deel; 't Was stuk-werk, daar gij nu voltooid zijt, en geheel. 3. Wij zien 't, hoe goddelijk u dees Godin omvangt, En hoe gij aan haar taal en wijze lippen hangt, [Pg 162b] En luistert naar een God, die zijn geheim ontsluit, En wichelt[3] door den mond van uw gewijde bruid. 4. Bruid! die uw lief omhelst met onbevlekte trouw, Verleent, door ommegang, uw minnaar zulk een vouw En glans, dat hij met u versmâ dees ijdelheid, En 't goud, en 't purper krenk' dat Ganimédes spreidt. 5. Doch vóór uw hemelvaart uit 's werelds moord-spelonk, Erft Amsteldam een spruit, waar in, wat in u blonk, Erkend wordt, als ze draagt 't geen in u heerlijk is: Opdat er nog een ster schijnt in dees duisternis.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings