OP HET VERONGELUKKEN[1] VAN DOCTOR ROSCIUS.
Reading edition
OP HET VERONGELUKKEN[1] VAN DOCTOR ROSCIUS.
Zijn bruid t' omhelzen, in een beemd, bezaaid met rozen, Of in het zachte dons, is geen bewijs van trouw; Maar springende in een meer, daar 't water stremt van koû En op de lippen vriest, zich te verreukeloozen[2]; Dat 's van twee uiterste het uiterste gekozen: Gelijk mijn Roscius, beklemd van druk en rouw, In d' armen houdt gevat zijn vreugd[3] en waarde vrouw, En gloeit van liefde, daar 't al kil is en bevrozen. Zij zuchtte: "och, lief! ik zwijm, ik sterf, ik ga te grond!" Hij sprak: "schep moed, mijn troost!" en ving in zijnen mond Haar adem en haar ziel; zij hemelde[4] op zijn lippen. [Pg 165b] Hij volgt haar bleeke schim naar 't zalig Paradijs. Vraagt iemand u naar trouw, zoo zeg: "zij vroos tot ijs, En smolt aan geest, en hij ging met haar adem glippen."