← Table of contents
Studiën in Nederlandsche Namenkunde

IV HELMONDSCHE NAMEN UIT DE MIDDELEEUWEN.

Reading edition

Met blijdschap mocht ik, op mijn verzoek, van den heer Aug. Sassen, den welgeleerden en volijverigen Archivaris van Helmond, eene lijst ontvangen van namen der Helmondsche burgerij uit de veertiende en de vijftiende eeuw. Die namen, door den Heer Sassen met veel zorgvuldigheid uit oude Helmondsche oorkonden en geschriften, vooral ook uit de Helmondsche Schepenacten bijeen verzameld, waren mij, in menig opzicht, voor mijne navorschingen op ’t gebied der namenkunde van groot belang. Zij hebben mij dan ook aanleiding gegeven tot het opstellen van de volgende verhandeling.

Deze namen van ingezetenen der stede Helmond in de twee laatste middeleeuwen, ten getale van ruim twee-honderd, leveren in de groote verscheidenheid en in de zeer verschillende vormen waar in ze ons in geschrifte zijn overgeleverd geworden, een spiegelbeeld op van den toestand der persoonsbenamingen, gelijk die toen ten tijde in de hoofdplaats van het Peelland bestond. Die Helmondsche toestand mag men wel achten in hoofdzaak eveneens van geldigheid te zijn voor al de Brabantsche gewesten en gouwen van die tijden, met name wat het platteland en de kleine steden aangaat; minder misschien wat de groote steden, vooral Brussel en Leuven, wellicht ook ’s-Hertogenbosch en Breda betreft.

Die toestand der benamingen was in de verschillende Nederlandsche gewesten en in de verschillende eeuwen steeds zeer ongelijk; tot dat de invoering van den zoogenoemden „Burgerlijken Stand”, en de wetgevingen op de benamingen der ingezetenen, ten jare 1811 in ons vaderland ingevoerd, in die zaak eene gewenschte eenheid bracht. Deze zaak der persoonsbenamingen levert een belangrijk en merkwaardig hoofdstuk op in het boek van de geschiedenis der beschaving onzes volks. Vormen van benamingen die wij, volgens onze naamlijst, te Helmond en zekerlijk ook elders in Brabant, in de vijftiende eeuw nog wel in zwang vinden, maar die sedert dien tijd daar volkomen buiten gebruik geraakt en verdwenen zijn, bestonden twee eeuwen later nog ten volsten in Holland en Zeeland, en bleven in onze Friesche gewesten (Friesland, Groningerland, Drente, noordwestelijk Overijssel en Noord-Holland) nog tot in het begin dezer eeuw heerschen. Geslachtsnamen, gelijk wij allen die thans dragen, waren in de zuidelijke gewesten, in Vlaanderen en Brabant reeds in de dertiende en veertiende eeuw bij de aanzienlijke maagschappen in zwang, en later ook algemeen bij de burgerij in de steden en bij de landzaten daar buiten, toen men in Holland nog een paar eeuwen lang enkel den doopnaam met den naam des vaders als patronymicum voerde, en terwijl in Friesland het gros der bevolking met deze wijze van naamsvoering nog stand hield tot in het laatst der vorige eeuw. Ja, nog heden laat men in de Friesche gewesten die oude, eenvoudige naamsvormen niet varen, ook al hebben zij, in geijkten zin, geen geldigheid meer.

Al die verschillende naamsvormen, eenvoudige en zeer samengestelde, oude en nieuwere en nieuwste, komen in onze Helmondsche namenlijst voor. Wij willen ze een voor een nader beschouwen.

In de oudste tijden, en bij alle volkeren, hadden de menschen maar eenen enkelen naam: den naam, dien men thans, in Christelijken zin doopnaam, in burgerlijken zin vóórnaam noemt. En die enkele naam was voldoende. Later, bij vermeerdering en uitbreiding van het menschelijke geslacht, bij vermeerderd en levendiger verkeer der lieden onderling, was die eene, enkele naam wel oorzaak van verwarring—omdat, bij het wel zeer groote, maar daarom toch niet onbeperkte getal namen, dat de lieden te hunner beschikking hadden, verschillende personen wel eenen gelijken, wel den zelfden naam droegen. Zoo werd men wel genoodzaakt, om die gelijknamige personen van elkanderen te kunnen onderscheiden, hen bij hunnen eigentlijken naam nog eenen tweeden naam, als bijnaam of toenaam te geven. Zulken tweeden naam vond men het gereedste in de namen van de vaders dier gelijknamige lieden. Deze vadersnamen of patronymica, oorspronkelijk voluit met het woord zoon, in de onderscheidene talen, daarachter, en dus natuurlijk in den tweeden naamval geplaatst, zijn bij alle Germaansche volken in zwang geweest, en zijn tot op den dag van heden bij de Friezen nog in gebruik gebleven. Vele patronymica zijn in verloop der tijden langzamerhand van steeds wisselende, enkel voor de kinderen van eenen en den zelfden vader geldende namen, geworden tot vaste, onveranderlijke maagschapsnamen, en als zoodanig nu aan zeer vele maagschappen, ook hier in de Nederlanden, eigen.

In het midden der veertiende eeuw, ten jare 1348, het oudste jaar dat in onze naamlijst voorkomt, waren er te Helmond geene personen meer die nog op dien alleroudsten en eenvoudigsten trap der benaming stonden, waar bij de lieden slechts eenen enkelen naam, en geenen toenaam, in welken vorm dan ook, hadden. Althans onze lijst vermeldt zulke benamingen niet. Achter alle doopnamen, daarin vermeld, staat een andere naam als toenaam; een vadersnaam veelal, of anders een plaatsnaam, of ook ’t eene of andere algemeene woord, als bijnaam, aan het bedrijf van den man of van diens vader, of aan de eene of andere bijzondere geestelijke of lichamelijke eigenschap ontleend.

Het kwam wel voor, dat twee personen niet slechts den zelfden doopnaam hadden, maar ook den zelfden vadersnaam voerden, omdat toevalliger wijze ook hunne vaders beiden den zelfden naam hadden gedragen. Dan was nog eene andere toevoeging achter hun patronymicum noodig, om die twee personen van elkanderen te kunnen onderscheiden. Of ook, bij bijzondere, belangrijke aangelegenheden, zoo als die, welke het opstellen van oorkonden (uiterste wilsbeschikkingen, koopbrieven, of andere overeenkomsten) ten gevolge hadden, was eene zeer nauwkeurige aanduiding der verschillende personen noodig, en voegde men daarom nog eene nadere onderscheiding achter het patronymicum. Daar toe was de naam van de plaats (stad of dorp, berg, bosch of heide) waar deze of gene persoon woonde, of anderszins herkomstig was, bijzonder dienstig. Zulke namen komen op de naamlijst voor als: Dyrc Cnoopsoen van Zoemeren (1389); Jan Claeussoen van Lancheze (1401); Lambrecht Stevenssoen van Milheze (1401); Didderic Janssoen van den Broeke (1402); Ayen Hermanssoen van Eyndhouts (1407); Roef Alartssoen uten Vehuse, dat is Roef of Rodfred, de zoon van Alart of Adelhart uit den veehuize, uit het veehuis (dus de man die in een huis woont, waar in het bijzonder vee gehouden of gestald wordt?). Verder Lodewich Lodewichssoen van Loeffen (1418). Deze zelfde man komt in eene vroegere oorkonde van den jare 1410 eenvoudig voor, met ingekorten doopnaam, als Lodeken van Lofen; waarschijnlijk moet deze plaatsnaam Loeffen of Lofen wel den naam der stad Leuven voorstellen. Eindelijk nog Vrientken Vrients van Doernen (Deurne) (1423); Jan Ywaenssoen van den Berghe (1423); Rymbout Henrixsoen van den Berge (1444), enz.

Jongelingen en jonge mannen die nog bij hunne vaders in huis woonden, wier vaders dus, nog in de volle kracht huns levens, meer en beter bekend waren in hunne omgeving als die jonge lieden zelven, voerden slechts hunnen doopnaam, met den volledigen naam hunner vaders, voorzien van dier mannen patronymicale of andere toenamen, ter verduidelijking daar achter gevoegd. Voorbeelden van deze benamingen vinden wij in Hubrecht soen Happen Smolners (1435), dat is: Hubrecht, zoon van Happe Molner, van Happe den molenaar (smolners = des molenaars). Verder in Willem soen Jan Touwers (1460), Willem zoon van Jan Touwer; Jan soen Aert Alaerts (1481) en Jan soen wilen Jans van der Capellen (1407.) Bij deze laatste benaming voerde de zoon Jan nog den vollen naam van zijnen vader, niettegenstaande deze laatste niet meer in leven was. Jan was toen zekerlijk nog een jongeling; anders toch hadde hem, als man, zijnen eigenen naam Jan Janssoen beter gevoegd.

Omslachtiger nog werd deze soort van benaming, als een man achter zijnen eigenen vollen vóórnaam en toenaam, ook nog den vollen naam zijns vaders voerde, met diens patronymicum nog daar bij. Bij voorbeeld: Art van den Loe Henrics Metten soens soen (1403), dat is: Art van den Loe (Arnold van den Loo) zoon van Henric Mettensoen, met andere woorden: zoon van Henric, die een zoon was van Mette. Uit zulken naam blijkt dan niet slechts de naam van den vader, maar ook die van den grootvader des mans, die den naam draagt. Voor het dagelijksche leven zijn die namen te omslachtig; maar in geschrevene stukken laten zij aan duidelijkheid weinig te wenschen over. De personen die ze voeren, worden er duidelijk door aangewezen, schier omschreven. Of zulke omschrijvende benamingen ook nog heden bij het Brabantsche volk in het dagelijksche leven gebruikelijk zijn, weet ik niet. Maar ik betwijfel het. Bij het Friesche volk echter, zoo gehecht aan zijne eigene oude zaken en vormen, vooral op taalkundig gebied, komen zulke samengestelde benamingen (natuurlijk in sterk afgekorte vormen) nog heden wel voor. Zoo leefde daar in de eerste helft dezer eeuw op het eiland Ameland een man, die in het dagelijksche leven Betse-Rinse-Piet genoemd werd; dat is Pieter, zoon van Rins (Rins of Rinske is een Friesche vrouwennaam), dochter van Betje. Eene Friezin op het eiland Sylt ten jare 1766 voerde in de wandeling de benaming van Moiken-Manne-Jens-Eben; dat is: Moiken, de dochter van Ebe, de zoon van Jens, de zoon van Manne. Deze vrouw torste dus nog den naam van haren overgrootvader. Zij werd echter in deze zaak nog overtroffen door eenen man op ’t eiland Marken, omtrent het midden dezer eeuw levende. Deze toch werd genoemd: Sijmen van Neele-Kee’n-Pieters-Dirk; dat is: Sijmen, zoon van Dirk, die een zoon was van Pieter, die een zoon was van Kee (Cornelis), die een zoon was van Neeltje (Cornelia).

Nevens dien eenen naam, hierboven reeds genoemd, komen in onze Helmondsche namenlijst nog andere zulke omslachtige benamingen in gelijken vorm voor. Het zijn: Roef Gheryt Janssoens soen van Boerdonc (1395), dat is: Roef van Boerdonc, zoon van Gheryt, zoon van Jan. Verder Jan Kerman Henrics Robben soens soen = Jan (de karreman? de karrevoerder?) de zoon van Hendrik, de zoon van Robbe (Robbert, Rodbrecht); Dirc Dieric Guelden soens soen (1414) en Roever Godart Meeussoens soen (1419).

Leverden de namen van Peter Art Peter Meeussoenssoen en vele anderen bovengenoemd, reeds voorbeelden op van zeer omslachtige naamsvormen, nog langer, nog samengestelder zijn sommige namen, almede op onze naamlijst voorkomende. Het zijn in der daad ware omschrijvingen van de maagschapsverhoudingen der personen die zulke monsters van namen hebben getorst: Jan soen Jan Lemmenssoens van Milheze (1401); Heynken Heynen Diddekens Tsweertssoens soen (1431) = Heynken (kleine Hendrik) zoon van Heyn, die een zoon was van Diddeken (kleine Dirk, Diederik) den Weerd. Verder nog Willem Ghevarts Luten Medemanssoen soen (1401) = Willem, zoon van Ghevart, zoon van Lute Medemans, zoon dus van Lute die een zoon was van eenen man dien men om de eene of andere reden de Medeman had genoemd. De vader van dezen langnamigen Willem komt in eene oorkonde van den jare 1401 voor als Ghevart Lutensoen Willems vader; hier dient dus, omgekeerd als gewoonlijk het geval is, de naam van den zoon tot verduidelijking van dien des vaders. Al deze lange benamingen worden nog overtroffen door dien van Jacopsoen wilen Jans geheyten van den Bomen Godartssoen van Bruheze (1449), dat is Jacob, zoon van wijlen Jan van den Bomen die een zoon was van Godart van Bruheze.

Het bleek echter op nieuw dat deze korte benamingen niet in alle gevallen voldoende waren. Indien het toch geviel dat daar in ééne plaats twee personen waren die beiden niet enkel den zelfden doopnaam maar ook den zelfden vadersnaam droegen, dan was men wel genoodzaakt, zoo men die twee lieden nauwkeurig van elkanderen onderscheiden wilde, weêr de toevlucht te nemen tot allerlei toe- en bijnamen. De cirkelgang der benamingen, die weêr moest uitloopen op eene opéénhooping van allerlei naamsvormen, was hier mede weêr een nieuw tijdperk ingetreden. Die toe- en bijnamen werden weêr op allerlei verschillende wijzen gezocht en gevonden. Bij voorbeeld in de maagschapsbetrekkingen der menschen: Henneken Roeselmans Melys brueder (1439); Jan van den Loe (desselfs) Arts oem, de oom van Art van den Loe Henric Mettensoens soen, op bladzijde 175 reeds vermeld. Misschien behooren hier ook toe Jan Neve (1348) en Jan Loden Neefssoen (1424), Jan zoon van Lode (Lodewijk) Neef (of van Neef-Lode?).

In de middeleeuwen heerschte in de Nederlandsche gewesten de zonderlinge gewoonte om sommige vrouwennamen in den mannelijken vorm te noemen en zelfs te schrijven. Vooral bij zulke vrouwennamen die van eenen oorspronkelijk mannelijken naam waren afgeleid, was dit gebruikelijk; bij voorbeeld bij Willemine van Willem, bij Hendrika van Hendrik. Zoo wordt Vrouw Jacoba van Beieren, de Hollandsche Gravinne, in middeleeuwsche Hollandsche chronyken wel als Vrou Jacob vermeld. Nog heden heerscht deze gewoonte wel in Friesland, in de dagelijksche volksspreektaal, waar men de vrouwennamen Rinske, Wytske, Sjoukje, Jeltje wel als Rins, Wyts, Sjouk, Jel noemt, dat eigentlijk mannelijke naamsvormen zijn, of namen met een mannelijk voorkomen. Vooral te Hindeloopen en elders in den Zuidwesthoek van Friesland is deze zonderlinge naamsvervorming zeer gebruikelijk, zelfs in geschrifte en in geijkten zin, als Rink, Aalk, Rem, Tem, Fod, in stede van Rinske, Aaltje, Remmmertje, Tamkje, Fedtje, zoo als deze vrouwennamen eigentlijk luiden. Deze zelfde zede vinden wij ook onder de middeleeuwsche Helmondsche vrouwen. Onze lijst vermeldt toch eene Aelbert Lemken Ruelkensdochter (1418), dat is Aelbertje of Aelbertken of Adelbertha (Albertina in wanvorm), de dochter van Lemke die een zoon was van Ruelken. En Peter Corstken Lemmens dochter (1496), met andere woorden Peterken of Pietertje, Pietje (Petronella), de dochter van Corst (Corstiaen, Christiaan) die een zoon was van Lem of Lemmen (Willem).

Reeds een en ander maal hebben wij in deze verhandeling benamingen ontmoet en verklaard, waar bij de naam van de moeder, en niet die van den vader, den zoon tot toenaam diende. Dit verschijnsel is geenszins zeldzaam en kwam oudtijds ook evenzeer in de andere Nederlandsche gewesten voor. Ja, nog heden wordt deze wijze van naamsvorming wel in de Friesche gewesten toegepast, in het dagelijksche leven; zij strekt dan gemeenlijk den benoemde tot spot of schande. Immers meestal hebben deze moedernamen of metronymica, aldus genoemd in tegenstelling met de gewone patronymica of vadersnamen, hunnen oorsprong te danken aan de omstandigheid dat de moeder geenen wettigen man, en dus het kind geenen wettigen vader heeft, uit wiens naam voor hem een patronymicum als toenaam konde gemaakt worden. Even als de duizenden van patronymica, zoo komen ook wel enkele metronymica nog heden als vaste geslachtsnamen voor; bij voorbeeld Geertruyen, Lysebetten, Agneessens, Trynes, Vergrietens (de zoon van Ver of Vrouw Griete), enz. Gevallen van zulke moedernamen levert de Helmondsche naamlijst op in de benamingen van Roverke Juttensoen van Bakel (1385) en Goeswyn Heilwighensoen van Gherwen (1389). Deze benamingen zijn ontwijfelachtige moedernamen, omdat Jutte en Heilwig zeer zeker vrouwennamen en geen mansnamen zijn. Eenigszins twijfelachtig zijn de benamingen van Henric Trudensoen (1401); waarschijnlijk de zelfde man die in andere oorkonden, van de jaren 1423 en 1460 als Heyn Truyen beschreven wordt, en van Arnt Lysen Lyskenssoen (1392); omdat Trude (Truye) zoo wel mansnaam kan zijn als vrouwennaam, zoo wel Trudo als Truda (Truida, als verkorting van Geertruida of Gertrudis, of van Hiltrude). En eveneens Lyse, Liso, met den verkleinvorm Lysken, is zoo wel een Oud-Germaansche mansnaam, als een vrouwennaam, ook als verkorting van den vreemden vrouwennaam Elisabeth. Of dus Henric Truden en Arnt Lysen Lyskenssoen een patronymicum of een metronymicum als toenaam achter hunnen doopnaam voerden, hebben die mannen zelven en hunne tijdgenooten te Helmond zeer wel geweten, maar blijft voor ons eene twijfelachtige zaak.

Dat zoogenoemde „onwettige” geboorten, „onechte” of „natuurlijke” kinderen bij de middeleeuwsche burgerij van Helmond, ook onder de aanzienlijke standen der maatschappij, geenszins eene zeldzaamheid waren, mogen wij, op goede gronden, reeds vermoeden en afleiden uit het voorkomen van metronymicale benamingen op onzen naamlijst—met zekerheid wordt deze zaak bevestigd, blijkens sommige andere benamingen, welke uit oude oorkonden op die naamlijst zijn vermeld. In onze dagen wordt zulk eene geboorte buiten huwelijk der ouders zooveel mogelijk verbloemd, bemanteld en verzwegen; althans nooit zonder dringende noodzaak vrijwillig openlijk erkend. Maar oudtijds dacht men daar anders over; men was oprecht en ongekunsteld genoeg om zulk eene zaak in eenen omschrijvenden toenaam te vermelden, en zulken toenaam, ter verduidelijking, achter den eigenen doopnaam te voeren of in geschrifte te stellen. Zoo vinden wij op onze naamlijst eenen Jan van Rixtel natuerlyke soen Jan Kemerlinx (1421), dat is: van Jan Kemerlink of Kamerling. Ook eenen Gherit natuerlic soen heeren Daem Duysschen (1420), en eene Bele naturlyke dochter Arnts van Rypelberch (1441). Verder Godert natuerlyc soen Goderts wilen Aleiten soens van Stiphout (1389); hier was Godert, de vader van den eerstgenoemden Godert, waarschijnlijk ook, als zijn zoon, een „natuurlijk” kind, omdat hij slechts een metronymicum, slechts den naam van zijne moeder, van Aleit van Stiphout voert, en niet zijn vadersnaam. Dan nog Jan van Berlaer natuerlike soen wilen Maes Shogen die hi hadde van Juffrouw Margrieten van Berlaer (1419), waar nevens den naam van den vader ook nog dien van de moeder vermeld wordt. Dit is ook het geval bij de benaming van Jutte dochter Meys van Herzel die dieselve natuerlic gewonnen hadde Corstine van de Goer (1446), enz.

Het kan niet anders—waar de onwettige geboorten zoo menigvuldig voorkwamen, en waar die zaak zelfs vermeld werd en genoemd in de benamingen die de kinderen, uit zulk eene geboorte voortgesproten, te dragen hadden, daar moesten de lieden van wettige geboorte er prijs op stellen dat ook deze zaak blijken kon uit de benamingen die zij voerden. Zoo vinden wij dan ook in de Helmondsche oorkonden met name genoemd eenen Jan van den Grave wittige soen wilen Jans Comans van Helmont (1428). Bijzonderlijk, als een man zoo wel wettige kinderen had als onwettige, zullen de eerstgenoemden de wettigheid hunner geboorte gaarne opzettelijk bij hunnen naam vermeld hebben, in onderscheiding van de namen hunner halve broeders en zusters van onechten bedde. Maes Shoghen (d.i. Thomas des Hoogen, de zoon van den man, die, om de eene of andere reden den toenaam van de Hooge of Hoog gevoerd had)—Maes Shoghen verkeerde in dit geval; hij had eenen wettigen en eenen natuurlijken zoon. De volle benaming van den laatsten, van Jan van Berlaer, hebben wij reeds hierboven op deze bladzijde medegedeeld. Die van den eerstvermelden, den wettigen zoon, was Art van Gheel, wittige soen wilen Maes Shoeghen (1419).

Bijzonder belangrijk en merkwaardig is de Helmondsche naamlijst nog wegens een groot aantal schoone, ja edele, oude, volledige, volkseigen-Germaansche namen die daar op vermeld staan: namen, die ten deele nog wel onder de hedendaagsche Nederlanders voorkomen, vooral in de Friesche gewesten, maar die voor een ander deel ook geheel verouderd zijn en bij het tegenwoordige geslacht niet meer in gebruik. Namen, die heden ten dage door allerlei onredelijke en leelijke, voor Nederlanders geheel onvoegzame, Fransche en Engelsche namen en naamsvormen verdrongen zijn, zeer tot schande onzer volkseigene zake. Zulke oude en edele namen, die wij den hedendaagschen Helmondenaren, en den Brabanderen in het algemeen, voorhouden en aanbevelen om weêr in gebruik genomen en in hun eere hersteld te worden (immers onder de Brabanders in het bijzonder zijn vreemde, Fransche namen veelvuldig in zwang)—zulke namen dan zijn:

Gosewyn, voluit Godeswin, beteekenende: Godsvriend. Deze naam komt in verschillende vormen en verkortingen voor, als Goeswyn (Goeswyn) Heilwighen soen van Gherwen (1389), en Goeswyn Schuermans (1419); als Goswyn (Goswyn) Wevers (1402); samengetrokken als Goessen, heden ten dage Goossen: Goessen Scorten (1460).

Godart, voluit Godhard (Godhart). Deze naam komt op de naamlijst zeer menigvuldig voor. In zijnen vollen vorm is hij heden ten dage nagenoeg uitgestorven onder ons volk; slechts in sommige oud-adellijke geslachten is hij, ook in den vorm Godert, nog erfelijk. Buitendien komt hij, in samengetrokken vorm, en met gewijzigden klank, als Geurt, dat is Gö(d)ert, en Guurt nog hier en daar ten platten lande voor. In Noord-Holland is de vrouwelijke vorm Guurtje (Godeharda) niet zeldzaam.—Godart Vrancken (1418), in 1439 Godart Vrankensoen genoemd; Godart van der Capellen (1460); Roever Godart Meussoenssoen (1419); Godert van Bistervelt (1348); Godert Bants (1435).

Alaert, ook Alairt geschreven; voluit Adelaart, Adelhart, Athalhard, in de Friesche gewesten nog heden als Allard en Allert, ook Aldert, geenszins zeldzaam.—Jansoen Aert Alaerts (1481), dat is: Jan (Johannes), zoon van Aert (Arnout), die een zoon was van Alaert (Adelhard); Lambrecht Alairts Salensoen van Bakel (1416).

Ghevart, dat is Gevart of Geevaert, Hoogduitsch Gebhard.—Ghevart Lutensoen (1401).

Ysbout, Isbald.—Ysbout Dirx Snoexsoen van der Zantvoert (1416).

Reyner, voluit Raginheri, ook als Reinier voorkomende, en in de Friesche gewesten nog heden als Reiner en Reinder.—Reyner van den Wintmoelen (1348) en Reynier Haengreve (1389).

Vranck, in betere spelling Frank, een schoone, Oud-Nederlandsche naam, zóó, en als Franke, nog heden bij de Friezen in gebruik, even als oudtijds ook bij Hollanders en Zeeuwen (Frank van Borsselen).—Vranck van den Dijck (1462) en Vranc Thuyns (1435).

Rabout, voluit Radbout, Radbold of Redbald.—Met eenige verwondering, maar tevens met veel genoegen vinden wij dezen schoonen, tamelijk zeldzamen, Oud-Frieschen koningsnaam nog in de 15e eeuw in Brabant (of in Limburg? Neder-Rijnland?) in gebruik: Rabout heeren Rabouts soen van Vloedorp (1425). Dit Vloedorp is toch zeker het hedendaagsche Vlodorp of Vlodrop in Limburg, bij Roermond, op de grens van Neder-Rijnland.

Rymbout, waarschijnlijk eene misschrijving voor Reynbout, voluit Reginbold of Raginbald, eveneens een schoone Oud-Germaansche mansnaam.—Rymbout Henrixsoen van den Berge (1444).

Nevens deze en meer andere merkwaardige mansnamen levert de Helmondsche namenlijst ons ook eenige bijzondere vrouwennamen op, die eveneens heden ten dage volkomen of geheel buiten gebruik zijn geraakt, maar die ook eveneens als schoone, volledige Oud-Germaansche namen onze belangstelling ten volsten waardig zijn. Ook deze namen worden bijzonderlijk den hedendaagschen Brabanderen voorgesteld en aanbevolen om daar hunne jonggeborene dochterkens, in oud-vaderlandschen, in oud-volkseigenen geest mede te noemen.

Ermgarde, ook Ermgaert, Irmingard; zóó heetten, onder anderen, Boergondische koninginnen in de 9de en 11de eeuw.—Ermgarde Jan Beliensoens dochter (1401), dat is: Ermgarde, dochter van Jan, die een zoon was van Belie (zie bladzijde 183 hiervoren).

Aleyt, Aleida, voluit Adelheid, ook een naam die oudtijds door Germaansche koningsvrouwen en dochters gedragen is, en dien de Franschen tot Adelaïde hebben verknoeid. Aleit, Aleida was ook in de middeleeuwen in Holland geenszins zeldzaam (Aleyt van Poelgeest).—Te Helmond Aleyt Moerkens (1395) en Aleyt Arts Creppendochter (1427).

Luytgart of Luytgaerde, Lutgardis, een welluidende en liefelijke naam, de naam van Sinte-Luutgaarde van Tongeren, bij de Roomsch-Catholyken bijzonderlijk als Beschermheilige der Nederlandsche (Dietsche, Vlaamsche) taal vereerd, wier gedenkdag op den 16den Juni valt. Luytgaert Houben (1394), wier naam in den jare 1400 als Luytgart Hubendochter voorkomt.

Engel, in Friesland nog als Engeltje (veelal uitgesproken Ingeltsje), en elders in Noord-Nederland in den wansmakelijk-opgesmukten vorm Engelina voorkomende.—Engel van den Doren Peters dochter van den Vehuse (1419).

Wandel, ook Wendel, Wendela.—Wandel Jan Embrechts dochter (1419).

Heilwig.—Heilwig dochter wilen Hermans Dircs Guedelen soens (1443). De oude naam Guedele, Goedela, Gudula, in deze benaming voorkomende als eigen aan de grootmoeder of overgrootmoeder van Heilwig, is mede een Oud-Nederlandsche naam, te Brussel welbekend.

Den bijzondersten en merkwaardigsten naam van de Oud-Helmondsche benamingen hebben wij voor het lest bewaard. Het is die van Swenelt wilen Henrics Mortelsdochter (1436); Swenelt, verloopen in vorm en klank uit den ouden, volledigen vorm Swanhilde, een welluidende en overschoone naam, die zoo menige herinnering aan den Oud-Germaanschen sagen- en heldentijd onzes volks opwekt.

Zeer ongewoon, ten deele ook mij onverklaarbaar, ofschoon niet onbekend, zijn nog enkele andere namen van onze lijst. Bij voorbeeld die van Udeman van Thefelen (1439); (Udeman is een bijvorm van den bekenden mansnaam Udo, in Friesland nog heden ten dage in verkleinvorm Oedtsen, Oeds, Oets); van Bruysten Yseboutssoen (1426) en van Dyrc Cnoopsoen van Zoemeren (1389.) De namen Bruysten, Brusten of Brustyn en Cnoop komen ook elders in de Nederlanden voor, in de middeleeuwen en later nog. Den laatstgenoemden naam, ook als Knoop, treft men nog heden als maagschapsnaam aan; ook in patronymicalen vorm: Knoops, Cnoops, en verlatijnscht als Cnopius.

Halve, ingekorte, samengetrokkene, vervloeide en versletene naamsvormen, als zoogenoemde vleinamen ontstaan en bekend, komen ook menigvuldig en in allerlei gedaanten in de Helmondsche lijst voor. Sommigen daarvan hebben wij reeds medegedeeld en verklaard: Maes, voluit Thomas; Roef en Roverke = Rovert, Rodfred, Rodfried, enz. Verder vermelden wij hier nog Henneken = Johannes, voorkomende in de benamingen van Henneken Jan Deynensoen (1478); Henneken Roeselmans Melys brueder (1439); en Henneke Gerrit Celen soen (1460). Ruelken, in de Friesche gewesten nog wel, zonder den verkleinvorm, voorkomende als Roel, een verkorte of afgekapte naamsvorm van Roelof, Rolof, Rodlof of Rodolf (bij letterkeer), Rudolf, Hrodolf; wij vinden dezen naamsvorm bij Ruelken die Scoemeker Lambrecht Ruelkenssoen (1401). Lemmen, bij Lemmen van de Laer (1416), geldt heden ten dage in de Vlaamsche gouwen voor eene verbastering van Willem, Wilhelm; in de Friesche gewesten, waar Lem en Lemke ook voorkomen, heeft deze vleinaam waarschijnlijk eenen anderen oorsprong. Eene andere verbastering van Willem of van eenigen anderen met den naamsstam wil samengestelden naam (Wilbald of Willebout, Wilmar, Wilbrecht) is Willeken, zoo als Willeken van Ghemert (1410) heette. Dat op gelijke wijze de naam Lodeken, de dagelijksche benaming van Lodeken van Lofen (1410), eene verkorting in verkleinvorm is van den naam Lodewijk, blijkt hieruit dat bovengenoemde Lodeken acht jaren later in eene oorkonde van 1418 voorkomt als Lodewich Lodewichssoen van Loeffen. Ook nog van eene andere verkorting en vleivorm geeft onze naamlijst eene oplossing. Te weten van Aernout, Arnold, Arnwald, een naam die in de laatste middeleeuwen veelvuldig in gebruik was. Deze naam, in Holland en andere Noord-Nederlandsche gewesten gemeenlijk tot Arend en ook nog wel korter tot Aart versleten (in Friesland zelfs wel tot Aan), was onder de Helmondsche burgerij in den regel tot Arnt en Art ingekort. Bij voorbeeld bij Art Peter Meeussoen (1418); Art van den Paependonck (1439); Art van Gheel (1419); Arnt Lysen Lyskenssoen (1392); Arnt Ebben (1395) enz. Van deze reeds ingekorte en saamgetrokkene naamsvormen Arnt en Art had men oudtijds te Helmond nog den vleinaam Aye of Ayen gemaakt. Dit wordt ons bewezen uit de benamingen van Art geheyten Ayen naturlike soen Hermans van Eyndhouts (1418). Het schijnt in der daad als of deze man, dien wij nog in eene oorkonde van den jare 1420 ontmoeten als Arnt geheyten Ayen Hermans natuerlic soen van Eyndhouts (1420), en in eene andere van 1421 als Arnt geheyten Aye natuerlic soen wilen Hermans van Eyndhouts, bij zijne tijdgenooten schier uitsluitend en vast algemeen als Ayen of Aye bekend was, zoo dat deswegen die omslachtige omschrijving van zijn persoon in zijne benaming noodzakelijk was.

Dat ook de vrouwennamen alzoo verbasterd werden leert ons de namenlijst in de benamingen van Heyle van den Put (1394), van Jutte van Rijthoven (1416) en van Jutte Gobbels (1436). Heyle is een vleinaam van den eenen of anderen volledigen, met den naamsstam heil samengestelden vrouwennaam—van Heilwig waarschijnlijk. Als Heiltje is deze naamsvorm nog heden ten dage in de Friesche gewesten geenszins zeldzaam. En Jutte is een zonderlinge vleivorm van den naam Johanna. In de middeleeuwen kwam deze naam Jutte ook in Holland en in andere onzer gewesten voor; thans is hij, voor zoo verre mij bekend is, ganschelijk bij ons volk buiten gebruik geraakt.

Aangaande de gewone ook hedendaags nog gebruikelijke verkortingen en verbasteringen van gewone namen, zoo als Jan van Johannes, Klaes, Claus van Nicolaas, Gerit of Gheryt, Gerrit van Gerhard, Lysbet van Elisabeth, enz. die ook rijkelijk vertegenwoordigd zijn in de Helmondsche namenlijst, behoef ik hier wel geen woord ter verklaring te verspillen.

Heden ten dage komen onder de Nederlanders veel vreemde, vooral Fransche namen voor, en tevens veel lieden, die met twee, drie, vier, ja met nog meer vóórnamen zijn opgepronkt. Zóó te doen is eene wanzede. In de zuidelijke Nederlanden, bij Brabanders en Vlamingen is dit misbruik juist meest inheemsch. Hoe noordelijker in de Nederlanden, hoe minder men zulke vreemde namen aantreft. In de Friesche gewesten zijn ze zeldzaam. Ten platten lande in Friesland komen vreemde namen en dubbele of veelvoudige namen slechts uiterst zeldzaam, schier nimmer voor. Deze zelfde Oud-Germaansche reinheid en eenvoud van zeden in de namen der menschen heerschte in de laatste middeleeuwen ook nog te Helmond. In onze gansche lange lijst van ruim twee-honderd namen vind ik slechts één Fransche en één dubbele naam: Louis Orssen (1481), in 1477 voluit Louis Aert Orssen soen genoemd; en Marie Luytgarde des Visschers dochter (1404).

Als bijzonder opmerkelijk kunnen wij er nog op wijzen, dat twee soorten van toe- of geslachtsnamen, die nog heden ten dage bijzonder eigen zijn aan de Brabantsche gewesten, ook in de middeleeuwsche Helmondsche namenlijst niet ontbreken. Wij bedoelen de geslachtsnamen, die op mans eindigen, in Brabant ongemeen talrijk vertegenwoordigd; en die, welke gevormd zijn door eene s, als overblijfsel van het verbogene lidwoord des, vóór den eigentlijken naam geplaatst. Die zelfde s wordt bij plaatsnamen zeer te recht nog afzonderlijk geschreven, als ’s, bij voorbeeld ’s-Gravenhage, ’s-Hertogenbosch, ’s-Heerenberg. Bij de geslachtsnamen is zij echter reeds onafscheidelijk met den eigentlijken naam verbonden, in één woord; bij voorbeeld Smulders, eigentlijk ’s-Mulders, des mulders (zoon), de zoon van den molenaar; Smertens, dat is: ’s-Mertens, des Mertens (zoon), de zoon van den man die Merten, Marten, Martinus heette; Smeuninckx, de zoon van den monnik, enz.

De namen op mans eindigende, en als Mosmans, Sijstelman, Heuvelmans, Pellemans, Muyldermans, Borgmans, Roymans, enz. enz. zoo menigvuldig in Brabant voorkomende, dat zij als ’t ware eenen eigenen stempel drukken op de Brabantsche namen in het algemeen, zijn echte of ook oneigentlijke patronymica, afgeleid van doopnamen die reeds op man eindigen, als Herman, Hartman, Tielman, Udeman, of van bij- of toenamen met dien uitgang; bij voorbeeld Royman, (de roode, roodharige man, of de man die aan eene rode [rooi], aan eene uitgerode, van boomen ontbloote plaats in het bosch woonde), Wielman, Bergman, Schuurman, enz.

Onze naamlijst vermeldt de namen van Lambrecht Lauwreyzen Tielmanssoen (1400—Lambrecht, de zoon van Lauwreys [Laurens], die een zoon was van Tielman); Willem Ghevarts Luten Medemanssoens soen (1401); Johannes Roeselmanssoen (1400); Claes Claes Wielmanssoen (1418); Lisebeth Haremansdochter (1388); Lysbeth ende Hilledochteren Arts Stippelmans (1417). Bij deze vijf eerste namen is het woord soen (zoon) of dochter nog achter den vadersnaam gehecht gebleven; den oorsprong van deze namen duidelijk aangevende. Andere mansnamen in onze lijst hebben dat kenmerk reeds verloren, en onderscheiden zich in niets meer van de hedendaagsche geijkte maagschapsnamen die op mans eindigen. Dat zijn de namen van Peter Stippelmans (1460), van Herman Eycmans (1439), Peter Pedelmans (1416), Goeswyn Schuermans (1419—deze naam, oorspronkelijk als toenaam dienende voor mannen die een schuur bij hun huis hadden, of misschien wel in eene schuur woonden, is zeer algemeen, niet alleen in de Brabantsche, maar ook, meestal als Schuurman en Schuurmans, in alle andere Nederlandsche gewesten). Verder nog Jan Coffermans (1436), Henneken Roeselmans (1439—zie bladzijde 182), enz.

Namen met voorgevoegde s vinden wij bij Hubrecht soen Happen Smolners (1435—Hubrecht zoon van Happe den molner of molenaar); Dirc Udemans Swolfssoen (1435); Matthys Jan Spapensoen van Zomeren (1417—Matthijs, zoon van Jan [bijgenaamd Paap? of Paap = Priester?] van Zomeren); Herman Swevers (1492—des Wevers); Sophie van Geldrop Dircs Sjoncheren soens dochter (1400). Twee zonen, een wettige en een natuurlijke, van Maes Hoge of Hoeghe, d.i. van Thomas de Hooge, onder de benamingen Art van Gheel wittige soen wilen Maes Shoeghen (1419) en Jan van Berlaer natuerlic soen wilen Maes Shogen (1419); Goessen Scorten, dat is: Goossen of Gosewyn of Godeswin, zoon van den man die de Corte werd genoemd, enz. Duidelijk komt deze naamsvorm ook aan het licht in de benamingen van Willem den Weder wilen Dirc Sweederssoen (1428), met Dirc die Weder (1481) en Margriet Swedersdochter (1421).

Indien nu door het lezen en betrachten van deze verhandeling over Oud-Helmondsche namen, deze of gene Brabander (hoe meer hoe beter!) genoopt werd weêr de schoone en liefelijke, de welluidende en voegzame, de eerbare en volkseigene Oud-Germaansche namen zijner voorouders in hunne volledige vormen zijnen kinderkens te geven, hij zoude deswegen den eerenaam van een kloek en degelijk volks- en vaderlandsgezind man mogen dragen, en de schrijver van dit opstel zoude zich daarin van harten verblijden.

Notes in this chapter

Note 1 · De getallen achter de namen duiden de jaren aan waar in de oorkonden zijn opgesteld, die deze namen vermelden: de jaren dus (in den regel) wNote 2 · Van alle deze oude benamingen zal, in het vervolg van dit opstel, de volledige overzetting in onze hedendaagsche taal niet gegeven worden; dNote 3 · Lambrecht Lauwreyzen Tielmanssoen (1400); Willem Gerits Tsweertssoen (1439), dat is waarschijnlijk: Willem de zoon van Gerrit den Weerd, denNote 4 · Hubrecht Kerstiaens (1413), Cornelis Vriens (1467), in 1492 als Cornelis Vrients voorkomende; Dirc Wautgers (1439); Godart Vrancken (1418), Note 5 · Wouter Maessoen die handschoemeker van Son (1418). Dat deze Wouter, zoon van Maes (Thomas), een broeder had die even als zijn vader ook MaesNote 6 · Nolle van der Egelmeere (1401); Jan Tempeler (1498); Florens van den Vijfeyken (1439); nog heden dragen drie verschillende maagschappen, die Note 7 · Herman Eycmans (1439); Jan Starkens(1498), d.i. Jan, zoon van Willem (?) Starken; deze toenaam Starken is ook weêr een patronymicale naamsvoNote 8 · Luytgart Huben dochter (1400), die in eene andere oorkonde van den jare 1394 als Luytgaert Houben optreedt; Aleyt Moerkens (1395); Jutte GobNote 9 · De oudste vorm der patronymicale benamingen, volledig, met het woord zoon (in dit geval soen) daar achter, is in onze naamlijst vertegenwoorNote 10 · De dubbele vermelding van het woord soen of zoon in bovenstaande benamingen was toch op den duur in ’t dagelijksche spraak- en schrijfgebruiNote 11 · Maar zulke monsterachtige, als ’t ware op elkanderen gestapelde naamsvormen konden op den duur onmogelijk in stand en in gebruik blijven. HuNote 12 · Omslachtiger, omschrijvender, werden die namen al weêr in benamingen als de volgenden: Jan Scherpen van Tyel (1400), dat is: Jan, zoon van SNote 13 · Ook de bovenstaande namen leden al weêr aan het gewone euvel dezer willekeurige benamingen—zij waren door al die toe- en bijvoegsels te langNote 14 · Deze zeer eenvoudige namen konden op hunne beurt ook al weêr niet het gewone lot ontkomen van de persoonsbenamingen in de tijden, toen deze Note 15 · Tot nog toe hebben wij slechts mansnamen vermeld en verklaard, die op onze naamlijst voorkomen. Die lijst bevat echter ook evenzeer sommige
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings