II NEDERLANDSCHE NAMEN IN FRANKRIJK.
Reading edition
„Es geht eben den Eigennamen wie den Büchern: habent sua fata.”
Deze onkunde heeft ten gevolge, dat de Franschen deerlijk in menig vooroordeel bevangen zijn, op aardrijkskundig, volken- en taalkundig gebied; en dat zij zich dikwijls vergissen, waar deze wetenschappen hare toepassing vinden. Hiervan kunnen getuigen de menigvuldige vooroordeelen en averechtsche inzichten die de Franschen koesteren in zake de oorspronkelijk Germaansche, en weder tot het groote Duitsche vaderland gelukkiglijk terug gekomen landen Elsate en Lotharingen, en in alles wat met deze zaak te zamen hangt. Getuigen ook de meening, vrij algemeen onder het gros der Franschen verspreid, alsof hun land en volk een zuiver afgerond en samenhangend geheel zoude uitmaken, in alle opzichten ook overal oorbeeldig Fransch zoude zijn (in den zelfden zin als Parijs oorbeeldig Fransch is), van de noorder- tot de zuidergrenzen, van de oostelijke marken tot de westelijke zeeoevers. Ja, dat nog menig land en nog menige gouw daarbuiten, eigenlijk van oorsprongs- en rechtswegen Fransch zouden zijn, of zouden moeten zijn; bij voorbeeld Waalsch-België, ja misschien wel geheel Vlaamsch-België met Brussel natuurlijk daarbij, als toegift. Verder de Elsate en Lotharingen, ja misschien al het Duitsche land links van den Rijn; het Franschsprekende deel van Zwitserland, om niet te gewagen van Savoye en Nizza en Corsica, reeds wederrechtelijk (uit een volkenkundig, aardrijks- en geschiedkundig oogpunt) bij Frankrijk ingelijfd.
Het eischt maar weinig wetenschap, om deze dwaze meening, die de roemzucht der Franschen zoo streelt, te wederleggen. Reeds eene oppervlakkige, maar rechtzinnige kennis van de beginselen der drie bovengenoemde wetenschappen, waarbij dan ook de Geschiedkunde niet mag vergeten worden, is voldoende om aan te toonen dat die zaak juist andersom is, dat juist het Fransche volk uit zeer verschillende bestanddeelen samengesteld is, uit allerlei volken van verschillenden, onverwanten oorsprong is voortgesproten. Germanen van Neder- en Hoog-Duitschen bloede (Franken en Burgunden), Skandinaviërs (Noormannen), Galliërs, Kelten (Brittanniërs of Bertoenen—Brétons), Basken, deze allen en nog anderen, hebben het hedendaagsche volk van Frankrijk voortgebracht. De taalgeleerde weet aan te toonen, zoo wel uit de geijkte Fransche boeketaal, als vooral uit de onderscheidene, onderling zeer ongelijke volksspreektalen in de verschillende gewesten en gouwen van Frankrijk inheemsch, dat deze zaak inderdaad alzoo bestaat. Den volkenkundige blijkt dit zelfde uit de menigvuldige eigenaardigheden des volks hier en daar, ginds en elders in Frankrijk. Daar is inderdaad geen gedachte en geen sprake, bij den geleerde niet, en evenmin bij den eenvoudigen, maar bedachtzamen opmerker, van eene eenvormige, in zich zelve afgeronde taal, noch van een eenvormig, onverdeeld volksbestaan bij de Franschen.
Eene der bijzonderste aanwijzingen van den vreemden, onfranschen, of liever gezegd, niet romaanschen oorsprong des volks in menig Fransch gewest (immers Fransch = Frankisch is oorspronkelijk Germaansch, en wel Neder-Duitsch, Dietsch als men wil), is te vinden in de namen der steden en dorpen, der gehuchten en landhoeven, der velden en heuvels, der rivieren en beken, kortom, der plaatsnamen in het algemeen, in die gouwen. Daar zijn plaatsnamen in Frankrijk, zeer veelvuldig en zeer menigvuldig, uit allerlei talen, door allerlei volkeren eerst gegeven, en sedert, ofschoon veelal op allerlei wijzen verbasterd, tot heden in gebruik gebleven, al verstaat de hedendaagsche Franschman ze geenszins. Plaatsnamen van allerlei oorsprong: van Vlaamschen, of Dietschen in het algemeen, in het Noordwesten; van Noorschen oorsprong in Normandië; van Britschen (Keltischen) oorsprong in de Bretagne en elders; van Hoogduitschen (Burgundischen) oorsprong in de gewesten van het Oosten—om van de Hoogduitsche (Rijn-Frankische en Allemannische) namen in de Elsate en in Lotharingen niet te gewagen. Ook nog elders weer van Gotischen oorsprong; van Baskischen oorsprong in het Zuid-Westen, ja zelfs van Arabische of Moorsche afkomste.
Het is eene zeer belangrijke en, naar mijne meening, ook zeer aangename studie, die Fransche plaatsnamen van vreemden, onfranschen, onromaanschen oorsprong na te sporen en in hunne oorspronkelijke beteekenis en vorm te leeren kennen. Maar het zoude ons veel te verre afleiden en wegvoeren, wilden wij deze stoffe in het algemeen hier nader ontvouwen, al ware ’t dan ook maar zeer beknoptelijk en oppervlakkig. In bescheidenheid willen wij ons bepalen tot de Germaansche namen die in het Noord-Westen van Frankrijk voorkomen. Maar ook dan nog kunnen wij niet anders als in zeer algemeenen zin deze zaak behandelen, en slechts weinige namen uit de honderdtallen die daar zijn, slechts eenigen van de bijzondersten en opmerkelijksten hier den Lezer voorstellen. Moge dit sommigen tot eenen spoorslag strekken om aan dezen tak der aardrijks-, taal- en volkenkundige wetenschap in het bijzonder hunne aandacht te wijden. Vooral voor de Vlamingen, Brabanders en Limburgers, voor alle Dietsche Belgen, goede en echte Germanen als zij van oorsprongs wegen zijn, en in hunne neigingen en gevoelens moeten wezen, vooral voor dezen is het zeer nuttig te zien hoe diep het Germanendom in de Noordwestelijke gouwen van Frankrijk is doorgedrongen.
Van dat gewest in Frankrijk, waar nog heden de Vlaamsche, de Dietsche taal in meer of mindere mate de eigenlijke, de levende volksspreektaal uitmaakt, van Fransch-Vlaanderen dus, heb ik hier niet te gewagen. Immers, dat Duinkerke, Hazebroek, Grevelingen, St-Winoks-Bergen, dat Mardijk, Hondschoten, Gyvelde, Merkeghem, Boeseghem, Bollezeele, Steenvoorde, Wemaarskapel, Godewaarsvelde, enz. enz. zuiver Germaansche, oorbeeldig Vlaamsche plaatsnamen zijn, is geheel natuurlijk in een land, waar het volk Vlaamsch spreekt. En hier, waar de woorden duin en kerke, haas en broek (moeras), dijk, berg en veld, steen en kapelle nog in de volksspreektaal leven, verstaat men die namen ook grootendeels in hunne beteekenis; terwijl de woorden hem (heim, woonplaats), zele, zaal of halle, voorde, doorgangsplaats in een water, met de mansnamen Wemaar en Godewaar allen deel uitmakende van de boven vermelde plaatsnamen, slechts weinig naderen uitleg behoeven om eveneens verstaanbaar te zijn.
Eenigszins anders is het gesteld in Artesië (Artois), het gewest dat dieper in Frankrijk gelegen, aan Fransch-Vlaanderen grenst, en de steden Kales (Calais), Boonen (Boulogne-sur-Mer) en Sint-Omaars (St.-Omer) bevat, met het land daartusschen en om henen gelegen. Evenals nog heden in Fransch-Vlaanderen, zoo is ook oudtijds in dit gewest de Vlaamsche taal volksspreektaal geweest. En zij is dit zelfs nog heden aldaar in een paar dorpen, onmiddellijk aan de stad Sint-Omaars grenzende, en daarvan als het ware eene voorstad vormende. Buitendien nog, maar in zeer beperkte mate, te Ruminghem en in enkele andere dorpen, in het Oosten van Artesië, aan de grens van Fransch-Vlaanderen gelegen. Maar dit alles is van weinig beteekenis, en verliest dagelijks aanmerkelijk. In de steden Boonen en Kales heeft het Vlaamsch eigenlijk nooit rechtstreeks geheerscht, al hebben daar dan ook steeds velen gewoond, uit de omliggende dorpen afkomstig, die Vlaamsch spraken, ja, al telt Kales, voornamelijk in hare voorstad St.-Pieters-Nesse (Saint-Pierre-les-Calais) nog heden duizenden Vlaamschsprekende Vlamingen, van elders daar heen getogen. Maar in de kleine steden en in de vlekken en dorpen van Artesië was Vlaamsch van ouds de eenige, de eigenlijke volksspreektaal. Langzamerhand heeft het aanmatigende Fransch de oorspronkelijke volkstaal daar verdrongen, eerst als schrijftaal, dan als spreektaal; in de middeleeuwen beginnende uit Picardië, aan de westelijke en zuidelijke grenzen des lands, en in zijnen verderfelijken loop steeds voortschrijdende naar het Noorden en Oosten, tot het in deze eeuw eindelijk de oostelijkste gouwen, het Land van den Hoeke en het Land van Breedenaarde, tusschen Kales en St.-Omaars, bemachtigde. Gelukkig nog niet volkomen.
Deze zaak in haren oorsprong en voortgang, en in de nagenoeg volkomene overwinning die zij behaald heeft, is als eene voorspiegeling van het noodlot dat het nog stand houdende, maar zoo sterk bedreigde Vlaamsch in Fransch-Vlaanderen boven het hoofd hangt. Moge dit treurig verloop ook ten spiegel strekken aan den Vlaming in Belgenland, en hem opwekken tot de uiterste trouw aan zijne edele moedertaal, en tot scherpe waakzaamheid tegen haren vijand. De Friezen, oudtijds zoo hevig door den woesten Noorman besprongen, bekampt, uitgeplunderd, vermoord, en hun land verwoest, wekten elkanderen op tot waakzaamheid tegen dien wreeden vijand, door dit rijmke:
Hâldet goede wacht tsjin da Noardera oard.
Hwent út dy grima herna komt ús alle kwea foarth.
De Vlamingen mogen dit wel omkeeren, en in dezer voegen in gedachtenis houden:
Houdt goede wacht tegen het Zuider oord,
Want uit dien zoelen hoek komt ons alle kwaad voort.
Natuurlijk zijn daar in het Fransch, gelijk het heden ten dage in Artesië gesproken wordt, nog talrijke sporen van het Vlaamsch overgebleven. Maar vooral de plaatsnamen in dat gewest zijn nog heden ten dage de levende getuigen van het Vlaamsche, het Dietsche, Germaansche wezen des volks, dat deze namen eens gegeven heeft, van den Germaanschen taaltak, waaruit zij voortgekomen zijn. Zie hier eenigen van die namen, die echter in hunne hedendaagsche geijkte schrijfwijze min of meer de teekenen vertoonen van den Franschen invloed, waar aan zij onderworpen zijn.
1. Ricmaninghen, Audinghen, Hardinghen, Maninghen, Bazinghen, Hervelinghen, Tardinghen, Wacquinghen, Leubringhen.
2. Bonningues, Peuplingue, Bessingue.
3. Lottinghem, Trelinghem, Herbinghem, Hocquinghem, Bertinghem, Tatinghem, Ruminghem, Elinghem, Spanghem.
De namen, onder no. 1 gerangschikt, zijn zuivere en eenvoudige patronymica in den locativusvorm. En die, onder no. 2 vermeld, zijn ook niets anders. Bij de eersten is de letter h, als kenmerk van de Oud-Dietsche schrijfwijze, behouden gebleven. Ook in de Westvlaamsche patronymicale plaatsnamen is die h nog heden menigmaal op hare oude plaats te vinden: Poperinghe, Vlamertinghe, Elverdinghe; terwijl men oudtijds in de noordelijke Nederlandsche gewesten ook alzoo boekstaafde: Vlissinghe, Vlaerdinghen, Groeninghen. Volgens de hedendaags in de Nederlanden geldende wetten onzer taal, maar die natuurlijk in Frankrijk onbekend en van geener waarde zijn, moet men schrijven Groningen, Vlaardingen, Vlissingen, Elverdinge of Elverdingen, Poperingen, enz. En dies ook Ricmaningen of zelfs Rijkmaningen, Audingen, Bonningen, enz. De vormen Bonningues, Peuplingue, Bessingue zijn maar verfranschte vormen. Zoo ook schrijven de Franschen de Noord-Nederlandsche patronymicale plaatsnamen op deze wijze: Groningue, Harlingue, Flessingue (Vlissingen).
De plaatsnamen Lottinghem, Trelinghem, enz. onder no. 3 gerangschikt, zijn eveneens patronymicale namen; maar achter dezen is het woord hem gevoegd. Dit woord hem is anders niet als het bekende algemeen Germaansche woord, dat nog leeft als heim bij de Hoog-Duitschers, als home bij de Engelschen, als hiem bij de Friezen, ook als heem in Noord-Nederlandsche plaatsnamen, en dat eenvoudig omvredigde woonstede beteekent. Dat de oude Artesiërs, langen tijd nadat zij die hemplaatsen hadden gesticht en die hemnamen daaraan gegeven, nog zeer wel de oorspronkelijke beteekenis van dit woord kenden, en ook nog zeer wel deze plaatsnamen wisten te ontleden in hunne samenstellende deelen, en ook de oude patronymica nog verstonden, blijkt hieruit, dat de plaatsnaam Tatinghem in eene oorkonde, die in de zevende eeuw en in de Latijnsche taal is opgesteld, zeer terecht voorkomt als Tatinga villa, de hoeve, de woonplaats, de sate van de maagschap der Tatinga’s, van de Tatingen, van de nakomelingen van eenen stamvader, die den naam van Tate had gedragen; een mansnaam, nog heden in de Friesche gewesten voorkomende.
Opzettelijk zijn deze twee soorten van plaatsnamen met en of hen, en met hem, hier bij elkanderen gevoegd, en wensch ik ze, als onder één hoofd, hier nader te ontleden. Immers wisselen deze twee vormen veelvuldig onderling af. Men vindt deze namen zoowel met als zonder hem geschreven; zoowel Lottinghen en Tardinghen, eenvoudige patronymica in den locativus, als Lottinghem en Tardinghem, de zelfde patronymica met hem daarachter gevoegd. Reeds van oudsher heerscht deze onbestendigheid in deze en dergelijke namen, reeds van oudsher vindt men ze nu eens zus, dan eens zoo geschreven. En in de laatste eeuwen, sedert Artesië tot Frankrijk behoort, en de Fransche taal daar als de eenige schrijftaal heerscht, is deze verwarring nog vermeerderd, omdat de Franschen, geene andere taal verstaande dan hunne eigene, geen acht slaan op de nauwkeurige spelling van namen die geworteld staan in eene andere taal; namen toch, die zij niet verstaan, niet begrijpen. Deze zelfde naam Lottinghem bij voorbeeld, heb ik in Fransche boeken, reiswijzers, zelfs op Fransche landkaarten en in aardrijkskundige werken, nu eens als Lottinghen, dan weêr als Lottinghem gevonden, ja zelfs als Lottighem. Op den muur der spoorhalle van die plaats staat echter met groote letters Lottinghem, zooals ik zelf, daar langs reizende, gezien heb; en aan deze goede en volledige spelwijze wil ik mij hier dus houden. Trouwens, het onderscheid tusschen Lottinghen en Lottinghem is gering en onwezenlijk, uit een taalkundig oogpunt.
Den lezer zij hier in herinnering gebracht dat een Oud-Germaansch patronymicon bestaat uit eenen mansnaam met het achtervoegsel ing (ink in Sassischen, inga in Frieschen vorm); b.v. Manting uit den mansnaam Mante en ing; Wilmink uit Wilm of Willem of voluit Wilhelm en ink; Hayinga uit Hayo en inga. Zulk een patronymicon geeft de afstamming te kennen van den man, wiens naam daarvan het hoofdbestanddeel uitmaakt. Manting beteekent dus zoon, of afstammeling, van Mante; Wilmink is zoon van Willem, enz. Mantgum, de naam van een dorp in Friesland, oorspronkelijk voluit Mantinga-hem, beteekent: woonstede der Mantingen, der afstammelingen van Mante. De Friesche vorm zulker plaatsnamen wijkt in geringe mate, en onwezenlijk, af van de Vlaamsche gedaante. Hadden de kinderen van eenen man die Mante heette, in Vlaanderen eene woonstede, dus een Mantinga-hem gevestigd, en ware deze sate tot een dorp aangegroeid, dat dorp zoude thans Manteghem heeten. Bij de Friezen heet het nu Mantgum.
Deze wijze van naamsvorming voor de maagschappen en hunne woonplaatsen is overoud en oorbeeldig Germaansch; wij vinden haar in alle Germaansche landen terug, met hem in Vlaanderen, ham in Engeland, heim in Duitschland, met um in Friesland. En Artesië toont, ook door de talrijke patronymicale plaatsnamen, die in dat gewest gevonden worden, ten duidelijksten dat het Artesische volk oorspronkelijk een echt Germaansch, een zuiver Dietsch, een Nederlandsch volk is.
Het zoude zekerlijk te veel gevergd zijn van het geduld des vriendelijken lezers van dit opstel, en ongetwijfeld te veel ruimte innemen van de plaats die hier beschikbaar is, indien ik alle bovengenoemde patronymicale plaatsnamen van Artesië hier nader wilde ontleden. Slechts van enkelen zij mij dit vergund.
Ricmaninghen.—Het is eene zeldzaamheid, als de mansnaam, die het hoofdbestanddeel uitmaakt van eenen patronymicalen geslachts- of plaatsnaam, in zijnen oorspronkelijken en volledigen vorm daarin voorkomt. Schier altijd is die mansnaam veranderd, verbasterd, versleten, verkort, somtijds zoodanig, dat hij ter nauwer nood of in ’t geheel niet meer te herkennen is. Veelal bestond hij reeds in zulk eene veranderde gedaante, als een zoogenoemde vleinaam, toen het patronymicon van dien naam eerst gevormd werd. Maar bij den Artesischen plaatsnaam Ricmaninghen is dit niet het geval. Ricman toch, de mansnaam waarvan dat patronymicon is afgeleid, heeft nog tot op heden zijnen oorspronkelijken, volledigen vorm behouden. Ricman, Rijkman is een mansnaam die heden ten dage zeer zeldzaam onder ons geworden is. In Vlaanderen en Holland heb ik dezen naam nooit aangetroffen, oud noch nieuw. Maar onder de Friezen, die veel trouwer dan eenig ander Germaansch volk hunne oude namen bewaard hebben, is hij nog heden, zij het dan ook uiterst zeldzaam, in gebruik, als Rykman. Förstemann weet in zijn Altdeutsches Namenbuch het bestaan van dezen mansnaam uit eenige oude oorkonden aan te toonen. Ook leeft hij nog heden in Holland, in de geslachtsnamen Rijkmans en Rikmenspoel; in Duitschland als maagschapsnaam, in zijne Duitsche gedaanten als Reichmann en Riechmann; en in Engeland in den plaatsnaam Rickmansworth.
Overigens is Ricman een oorbeeldig gevormde naam, bestaande uit de naamstammen ric en man, die beiden nog menigvuldig deel uitmaken van andere volledige mansnamen; b.v. van Richard of Rijkhard, Rijkaert, Rikert; van Ricolf of Rijklof; van Ricwin, van Ricbert, van Ricwold of Ricout; ook van Wilrik, Henrik, Frederik. De naamstam man leeft nog in Herman, Hartman, Mangold, Manfred. Zoo is de plaatsnaam Ricmaninghen een voorbeeld van de zeldzaam voorkomende volledige hedendaagsche naamsvormen; en het is nog zoo veel opmerkelijker, dat deze oorbeeldige en oorspronkelijke Germaansche naam in Frankrijk voorkomt, onder eene thans Fransch sprekende bevolking.
Onder al de patronymicale plaatsnamen op bladzijden 96 en 97 vermeld, is daar verder geen een, die den mansnaam, welke aan het patronymicon ten grondslag ligt, nog in volledigen of in onverbasterden vorm vertoont. De mansnaam, in Hardinghen en in Bertinghem verscholen, is nog het gemakkelijkste aan te toonen, omdat Hard of Hart en Bert mansnamen zijn, bij alle Germaansche volken bekend en in gebruik. Het zijn wel geen volledige namen; het zijn slechts halve namen, ingekorte namen, zoogenoemde naamstammen, of anders gezegd, vleivormen van volkomene namen. Hard en Bert (Bercht, Brecht) maken deel uit van vele volledige namen; bij voorbeeld van Hartman, Hartger (nog heden bij de Friezen in gebruik), van Hardewyn (Hardouin), Hartwig; van Gerhard (Gerard, Geeraert, Geert), Folkhart (Volkert, Fulkaert), enz. En van Bertwyn (Berchtwin, Bertin), Bertolf (Brechtwulf), Berthold (Bertout), Albert (Adelbrecht), Herbert, en vele dergelijken. Bij honderden zijn de schoone Hard- en Bert-namen bij onze voorvaderen te vinden.
Ter verklaring van de mansnamen die aan Audinghen, Maninghen, Bonningues, Bessingue, Tatinghem, Elinghem, Spanghem ten grondslag liggen moet de bijzonder Friesche namenkunde helpen. Immers slechts onder de Friezen zijn die namen nog in wezen, of anderszins bekend gebleven, terwijl ze bij de andere Germaansche volksstammen verloren gegaan zijn. Zoo vinden wij in den plaatsnaam Elinghem het patronymicon Eling, den mansnaam Ele. Deze mansnaam, ook in zijne verkleinvormen Eelke, Eelco, Eeltje, Eeltse, Eelse, en in zijnen vrouwelijken vorm Eelkje, en tevens, oneigenlijk, in zijnen patronymicalen vorm Eling, is nog heden bij de Friezen in volle gebruik. En zeer menigvuldig zijn ook bij de Friezen de geslachts- en plaatsnamen, van Ele afgeleid; bij voorbeeld: Elinga, Elema, Eelkema, Eelcoma, Eelsma, Eeltjes, Elingsma, Elinxma, enz. En Elahusen, dorp in Friesland; Elens (voluit Elinga), gehucht bij Ulrum in Groningerland; Eelswert, gehucht bij Opwierde in Groningerland, Elinga-sate te Ferwerd in Friesland, Eelsma-state te Siksbierum in Friesland, Elema-heerd bij Godlinse in Groningerland. Ook Ehlingen, zooals een dorp heet bij Ahrweiler tusschen Bonn en Coblentz gelegen, en Elinghen een dorp bij Halle in Brabant, behooren tot de plaatsnamen, van den mansnaam Ele afgeleid. Misschien ook Elixem (Elinks-hem?) in het land van Luik; Elene in Oost-Vlaanderen; Elewijt in Brabant. De oude, oorspronkelijke vormen dezer drie laatstgenoemde Belgische plaatsnamen zijn mij onbekend; dus kan ik ze niet met zekerheid verklaren.
Wat nu den mansnaam Ele op zich zelven aangaat, deze is anders niet dan een vleivorm, in vervloeide gedaante, van Edel of Adel (Athal), deel van zoo menige volledige Oud-Germaansche mansnaam; bij voorbeeld van Athalbercht, Adelbrecht, Aelbert, Albert; (ook Elbert komt voor in de Sassische gewesten van Nederland); of van Athalwin, Alewijn, in Engeland Elwin, enz.
De Artesische plaatsnaam Spanghem is voluit Spanning-hem, Spanninga-hem, en afgeleid van eenen mansnaam Span, in Förstemann’s Altdeutsches Namenbuch vermeld, en die bij de Friezen nog langen tijd na hunne Kerstening in gebruik gebleven is. Hij leeft ook nog heden bij de Friezen in hunne geslachtsnamen Spanninga, Spans en Span, en in hunnen plaatsnaam Spannum (dat is: Spanna-hem, woonstede van Span), zooals een dorp heet in den driehoek tusschen de steden Leeuwarden, Franeker en Bolsward. Van dezen plaatsnaam is dan weêr de maagschapsnaam Spanhemius, in verlatijnschten vorm, afgeleid. Eindelijk nog Spanga (gea, verhollandscht tot ga, is het Friesche woord voor dorp), een dorp in de Friesche gouw Stellingwerf gelegen. Een ander Spanheim, abdij, ligt er nog bij Kreuznach in de Pruissische Rijn-Provincie.
Het zoude ons veel te verre afleiden, zoo wij al de overige patronymicale plaatsnamen van bladzijden 96 en 97 hier nader wilden uitleggen. Voor een deel althans vindt men de mansnamen die daar aan ten grondslag liggen, zoo mede hunnen samenhang met Friesche geslachts- en plaatsnamen aangegeven in mijne Friesche Naamlijst, die, in vereeniging met het Friesche Woordenboek, is uitgegeven bij Meyer en Schaafsma te Leeuwarden.
De overige patronymicale plaatsnamen van Artesië zijn, in de mansnamen die daarin verdoken zitten, zoodanig verbasterd, ingekort, veranderd, dat zij schier onkenbaar zijn geworden, en het bij velen de grootste ervarenheid in de Germaansche namenkunde vereischt, om ze te ontleden en te verklaren. Ja, zoo de oorspronkelijke, de volledige vormen ons, in vele gevallen, niet uit oude oorkonden bekend waren, het zoude nu onmogelijk zijn om klaarheid in deze duisternis te brengen. Immers, om een enkel voorbeeld te noemen, wie zoude met den plaatsnaam Heuringhem niet verlegen staan ter verklaring? Maar de middeleeuwsche oorkonden komen ons te hulpe, en leeren ons dat dit dorp in die tijden Henrickinghem heette. Nu wij dit weten, is de duiding van Heuringhem zeer gemakkelijk; het is het hem, de woonstede der Henrickingen, der afstammelingen of zonen van eenen man, die den volledigen Oud-Germaanschen naam Henrik of Heinric gedragen heeft.
Daar bestaat nog eene vierde groep van Germaansche patronymicale plaatsnamen in Artesië. Evenals de namen van de derde afdeeling (zie bladzijde 97) patronymica zijn met het woordeken hem daar achter gevoegd, zoo zijn de namen van deze vierde groep patronymica met het woordje tun of thun als achtervoegsel. Deze plaatsnamen zijn dan: Warincthun, Todincthun, Alincthun, Olincthun, Baincthun, Verlincthun, Tourlincthun, Colincthun, Pelincthun, enz.
Dit achtervoegsel tun of thun is een zeer bijzonder en merkwaardig Oud-Germaansch woordeken. Het beteekent oorspronkelijk eene omheining, eene omvrediging gevormd van naast elkanderen geplaatste en onderling verbondene, samengevlochtene en samengehechte teenen, tinen of twijgen, die een stuk grond, eenen akker, een huis, eene landhoeve om- en insluit. Zulk eene omheining omsluit nog, op oude afbeeldingen, den leeuw van het Hollandsche wapenschild; of ook, in zinnebeeldige voorstelling, de Hollandsche Maagd, en draagt dan nog den oorspronkelijken naam van „de Hollandsche tuin”. Ook in het Hoogduitsch heeft dit woord, in den Hoogduitschen vorm zaun, nog zijne oorspronkelijke beteekenis van omheining behouden, ook als deze omheining uit palen of planken bestaat. In de Protestantsche kerken van Nederland is de ruimte rondom den predikstoel gemeenlijk met eene omheining, in de gedaante van een vierkant houten hekwerk omgeven, waar binnen de bediening van den H. Doop plaats heeft. Dien ten gevolge draagt deze omheining wel den naam van doophek. Maar in Zeeland is deze benaming niet in gebruik; daar noemt men het doophek tuun—aldus de oude en oorspronkelijke beteekenis van dit woord in stand houdende.
Overigens is in Noord-Nederland de beteekenis van dit oude woord tun verloopen en van omheining overgegaan op het omheinde. Eenen hof of eene gaarde, waar men bloemen en sierboomen, of ook vruchten en groenten kweekt, noemt men hedendaags in Holland eenen tuin, in Friesland tuun (tún), aldus pars pro toto nemende. Indien de Vlamingen dit woord in deze oneigenlijke, onredelijke beteekenis niet van de Hollanders willen overnemen, al wordt het hun ook als geijkt Nederlandsch opgedrongen, handelen zij redelijk en rechtzinnig. Het eigene Vlaamsche woord hof of gaarde, vroeger ook in Noord-Nederland in volle gebruik, is beter, ouder, oorspronkelijker. Dat men zich daaraan dan houde!
Als een bewijs hoe zeer de oude beteekenis van het woordeken tun in Noord-Nederland verloren gegaan is, moge ’t volgende dienen. Daar is een overoud volksliedje, dat in de middeleeuwen in alle Nederlandsche gewesten, in alle Nederduitsche landen en gouwen, van Duinkerke en nog verder westelijk, tot Hamburg en nog verder oostelijk bekend en in veelvuldig gebruik was. Dat begint alzoo:
De koekuyt op de tune sat:
Het regende seer en hi werd nat.
Heden ten dage is dat liedeken bijna volkomen vergeten en uit der lieden harte en mond verdwenen. Slechts in weinige plaatsen van het bovengenoemde groote taalgebied kent het volk het nog. Eene van die plaatsen is de stad Bolsward in Friesland. Maar, het woord tuun, waar een vogel op zoude kunnen zitten, niet meer verstaande, zoo heeft men dit woord veranderd, en men zingt daar nu:
Maar keeren wij tot de tunnamen terug. Andere zulke namen, als plaatsnamen zoo veelvuldig in Engeland voorkomende, zijn nog Eckington, Edington, Alkington, Kensington, Bennington, Sherrington, en honderden anderen, schier allen patronymicale namen.
En even opmerkelijk is het dat de patronymica, voorkomende in de Artesische tunnamen, met inc (ink) zijn samengesteld (Alincthun, Todincthun), terwijl de enkelvoudige patronymica (Ricmaninghen, Wacquinghen) en die welke hem tot achtervoegsel hebben (Lottinghem, Ruminghem), juist door den vorm ing zijn gekenmerkt. Hiervan is mij geene uitzondering bekend. Nu weten wij (op bladzijde 98 hiervoren is het ook reeds vermeld), dat juist de Sassische patronymicaal-vorm ink is, terwijl de Frankische ing en de Friesche inga is. De patronymica op ink zijn bijzonder eigen, zoo in geslachts- als in plaatsnamen, aan de Sassische gouwen van Nederland, terwijl ze in de Frankische en Friesche gewesten ontbreken, en door ing en inga vervangen zijn. Het ligt dus voor de hand om aan te nemen, dat het Germaansche, het Dietsche volk dat Artesië bewoont, en dat de bijzonderheden zijner oorspronkelijke taal ons in de Artesische plaatsnamen heeft nagelaten, van tweeërlei stam was, van Sassischen en van Frankischen of van Frieschen bloede. En tevens dat de Sassen de tunnamen, de Franken en de Friezen daarentegen de hemnamen, met de enkelvoudige patronymicale plaatsnamen, hebben in ’t leven geroepen. Daar is niets, voor zoo verre mij bekend is, dat zich tegen deze stelling verzet; integendeel, daar is buiten dien nog veel, dat haar aannemelijk maakt. En zoo straalt hier de namenkunde, versterkt door de kennis van de eigenheden der volkstaal bij de verschillende stammen waaruit ons Dietsche volk bestaat, een verrassend licht uit op de geschiedenis van die volken in die overoude tijden, waarvan de geschiedboeken zwijgen of slechts schaars eene spaarzame getuigenis afleggen—overoude tijden, waaruit geene schriftelijke oorkonden, ter nauwernood enkele vage overleveringen bestaan. Een licht, dat ons de wegen doet kennen, die de wandelende volksstammen in dien grauwen voortijd gegaan zijn, en de landstreken die zij doorgetrokken zijn—een licht, dat de plaatsen ons doet kennen, waar zij zich eindelijk in vaste woonsteden blijvend hebben gevestigd, de Sas in zijnen tun, de Frank en de Fries in zijn hem.
Het moet ons niet verwonderen, dat wij in Artesië, even als ook in Engeland, de Sassische tun- en de Frankische en Friesche hemnamen thans naast en nevens elkanderen, als ’t ware onder elkanderen vermengd vinden. Wij weten immers, dat de benden volks, de volkplanters of landverhuizers, de uitwijkelingen die Brittannië veroverden en bevolkten, uit maagschappen, gezinnen en enkelingen van verschillenden volksaard, uit Sassen, Angelen, Jutten (of Noord-Friezen) en Friezen waren samengesteld.
Ik stel mij deze zaak aldus voor. In de vijfde eeuw voornamelijk, maar ook reeds vroeger in de derde en vierde eeuw na Christi geboorte, trokken lieden uit de verschillende volken die in Noordwestelijk Germanië waren gezeten, om lotsverbetering te erlangen, over de Noordzee naar het rijke en vruchtbare, door de Kelten slechts dun bevolkte Brittannië. Juist zoo, en om de zelfde redenen, als in deze negentiende eeuw lieden uit allerlei volken van Europa naar Noord-Amerika trekken. Westwaarts was de leuze, toen zoowel als nu. Geheele benden volks trokken uit hunne oorspronkelijke woonsteden aan den zuidelijken oever der Noordzee en van de meer binnenlands gelegene heidevelden, te scheep gaande in de monden van Eider, Elve en Weser, van Eems, Lauwers en Flie, dwars over de Noordzee naar Brittannië, in die tijden het Land van Beloften. Die reize ging met groote moeilijkheden gepaard, in aanmerking genomen de kleine en gebrekkige schepen (kielen, ceola’s of tsjalken), waarmede men zich behelpen moest. Om dit bezwaar, aan dien tocht over de veelal onstuimige Noordzee verbonden, zooveel mogelijk te ontgaan, koos men den kortsten overgang, het nauwste gedeelte der zee, de plek waar de vaste wal het dichtste tot de oevers van het eiland Brittannië naderde. Met andere woorden, men koos dat gedeelte van het Engelsche Kanaal, ’t welk de Friesche en Hollandsche zeelieden van onze dagen de Haden of de Hoofden noemen, en dat in de boeken als het Nauw van Calais bekend is. Om daar te komen, moesten die uitwijkelingen uit hunne oostelijke woonsteden langs den zuidelijken oever der Noordzee west- en zuid-westwaarts voorttrekken. En zoo deden zij.
Zooals boven reeds gezegd is, bestonden die benden landverhuizers uit allerlei volk, uit leden van verschillende, maar verwante volksstammen, die elkanderen onderling, met meer of minder moeite, in ’t spreken verstaan konden. Sassen vormden zekerlijk wel het hoofdbestanddeel van deze benden, die slechts los onderling samenhingen, die slechts door den gemeenschappelijk ondernomen tocht, slechts door het gemeenschappelijke doel verbonden waren.
Op hunnen tocht door de gewesten, die heden ten dage Holland, Zeeland, Vlaanderen heeten, kwamen zij hier en daar door weinig bevolkte of geheel eenzame oorden, die hun genoegzaam levensonderhoud aanboden, en die, door verlatenheid zoowel als door vruchtbaarheid, den armen landverhuizers noopten daar voor goed te blijven. Zoo deed dan ook deze of gene maagschap, dit of dat gezin, versterkt met den een of anderen, of met meerdere bevriende enkelingen. Dit is waarschijnlijk de oorsprong, bij voorbeeld, van het dorp Sassenheim (woonstede der Sassen, eene Sassische volkplanting?) in Holland tusschen Haarlem en Leiden. En tevens van de talrijke sporen van Sassen en Friezen en Sweven, die de opmerkzame navorscher nog heden in Zeeland en in West-Vlaanderen en Zee-Vlaanderen ontmoet. Zoo kwamen de landverhuizers, wier scharen onder weegs reeds aanmerkelijk gedund waren, wier aantal reeds verminderd was door de achterblijvers in Holland, Zeeland en Vlaanderen, eindelijk in het gewest, later Artesië genoemd, waar zij, in hoofdmassa, uit de overoude havens van Kales en Boonen (Calais en Boulogne sur Mer), eenen korten en gemakkelijken overtocht naar Brittannië vonden. Maar geenszins allen trokken over. Het schijnt wel, dat dit gewest van Gallië, (zoo nabij Brittanië gelegen, en in der daad, in menig opzicht, wat bodem- en luchtsgesteldheid, ligging, enz. aangaat, veel overeenkomst met het begeerde Brittenland aanbiedende) den volke bijzonderlijk behaagde, en hen tot blijven, tot duurzame vestiging noopte. In der daad, het onderscheid tusschen dit liefelijke, vruchtbare, heuvelachtige land, langs den zeeoever zich uitstrekkende, en met eene zachte luchtsgesteldheid gezegend, was groot tegenover het duistere, voor een goed deel onvruchtbare, met groote moerassen, sombere venen en met onafzienbare dorre heiden bedekte, door onophoudelijke overstroomingen van zee en van riviermonden, en door eene ruwe luchtsgesteltenis geteisterde land in Noordwestelijk Germanië en op het Kimbrische schiereiland, het erf van Friezen en Sassen en Angelen. Hier in Artesië draalden velen eer zij tot den overtocht naar Brittannië besloten, en velen bleven daar voor goed achter en vestigden zich in verspreide woonsteden, in tunnen en hemmen over het geheele land. Dit gezonde, krachtige en eenvoudiglijk levende volk vermeerderde zich weldra aanmerkelijk in zijne nieuwe woonstede, op deze vruchtbare velden, die rijkelijk levensonderhoud verschaften. Het werd het stamvolk van de Dietsche Artesiërs, die van de jaren 500 en eerder tot 1500 en later, dat geheele land overdekten, en hunne Dietsche taal alomme deden hooren, wier plaatsnamen nog heden getuigenis afleggen van den volksaard der stichters.
Sommige benden uitwijkelingen—waarschijnlijk zij die in wat lateren tijd kwamen, en Artesië reeds door hunne voorgangers ingenomen en bezet vonden, trokken nog verder westwaarts voort, zonder naar Brittannië over te steken, aangelokt door het schoone en vruchtbare land van Gallië. Al verder en verder westwaarts, tot zij eindelijk in het hedendaagsche Normandië goede gelegenheid tot duurzame vestiging vonden. Daar, in de hedendaagsche Départements Calvados en La Manche vinden wij bij eenen schrijver van het jaar 843 eene gouw genoemd Otlinga Saxonica, en Gregorius van Tours meldt, dat aldaar de Saxones bajocassini wonen. Bajocassini noemt hij deze Sassen, naar de stad Bajoccas, thans Bayeux geheeten, in die Sassische gouw gelegen, even als de stad die hedendaags den zeer verbasterden naam van Caen draagt, maar oudtijds in het oorspronkelijke Germaansch Catheim of Cathem heette. Hoe langen tijd deze Sassische volksplanting in het hedendaagsche Normandië nog de oorspronkelijke Sassische volksspraak in stand heeft gehouden, is ons niet bekend. Maar de plaatsnamen in deze streek leggen nog heden ten dage eene onwederlegbare getuigenis af van den volksaard der lieden, die deze plaatsen gesticht en genoemd hebben. Als enkele voorbeelden noemen wij, behalven het bovengenoemde Cathem of Caen nog: Sassetot, Hermanville, Etreham voormaals Ouistreham genoemd, met Le Ham, Cottun, Etainhus, Heuland, Douvres, enz. Verder vele patronymicale namen als: Berengeville, Hardinvast, Thorigny, Potigny, Isigny, Cartigny, en anderen.
Sassetot beteekent: woonplaats der Sassen; tot, een aanhangsel bij plaatsnamen, dat in geheel Normandië veelvuldig voorkomt, is voluit toft, en behoort bijzonderlijk tot het Skandinavische taaleigen. Het achtervoegsel ville in Hermanville, Berengeville, Bellengreville, Bazenville, en meer andere namen in deze Oud-Sassische gouw, is geenszins het Latijnsche woord villa, het heden daagsche Fransche ville. Het is eene verbastering van het Oud-Germaansche woord wiler, hedendaagsch Hoogduitsch weiler, ’t welk een gehucht beteekent. In andere Oud-Germaansche gouwen van Frankrijk leeft dit woord eveneens nog in plaatsnamen, onder den vorm villiers; bij voorbeeld Hardivilliers. In Duitschland zijn de namen die op weiler uitgaan, nog zeer talrijk; die van de Elsate worden op verschillende wijzen verfranscht: Rappoltsweiler tot Ribeauvillé, Gebweiler tot Guebwiller. Dit zelfde algemeen Germaansche aardrijkskundige woord leeft nog in België als de naam van het dorp Wilderen in Limburg. En als Wylre in Nederlandsch-Limburg, tusschen Maastricht en Aken. Verder nog Wyler, een dorp tusschen Nijmegen en Kleef, enz.—Ouistreham is oorspronkelijk Westerham, de westelijke woonplaats; Cottun of Cotun is Koetuin, omheinde plaats waar binnen men koeien houdt. Ons woord huis leeft in Etainhus (Steenhuis); Heuland is Hoogland; Douvres is De Oevers, enz.
Overigens is geheel Normandië overdekt met Germaansche plaatsnamen; echter zijn dezen niet van Sassischen of anderen Dietschen oorsprong, maar van de Noormannen afkomstig. De Noormannen, die dit deel van Gallië veroverden en bevolkten, hebben de Sassen, welke reeds sedert de derde eeuw daar zaten, ongemoeid gelaten, als zijnde een verwant Germaansch volk. Zoo vinden wij heden ten dage Noorsche namen over geheel Normandië, met uitzondering van de Sassische gouw rondom Bayeux en Caen.
Langs de geheele Fransche kust tusschen Boonen en Bayeux, en min of meer diep landwaarts in, vinden wij Germaansche plaatsnamen, waarvan het soms twijfelachtig is of zij van Noordschen (Skandinavischen), dan wel van Dietschen oorsprong zijn. Een enkel aardig voorbeeld hier van, moge den lezer voldoende zijn.
Etretat is de naam van eene badplaats op de kust van Normandië, die jaarlijks door duizenden weelderige en vermaakzoekende Parijsenaars bezocht wordt, waarvan wel niemand er aan denkt dat de namen der plaatsen, die hem daar omringen, niet Fransch, maar oorspronkelijk Germaansch, Noorsch zijn. Even als in Holland en Vlaanderen het binnenland door eene duinreeks is afgescheiden van het zeestrand, zoo neemt in Normandië eene reeks rotsen de plaats onzer duinen in. Die rotsen heeten daar, en ook in Artesië, les Falaises, een verfranscht, maar oorspronkelijk Germaansch woord, dat nog leeft in het Hoogduitsche Fels, rots, steenklip. Door de zee, door de hevige golfslag, die eeuw uit eeuw in tegen die rotsen of falaises beukt en dondert, die ze beknaagt en uitspoelt, zijn hier en daar groote holen en gaten, als poorten, in die steenklippen gemaakt. De mannen, de visscherliên, maken wel van deze zeer groote en ruime gaten gebruik, om daar door heen op het strand en in zee te komen. Twee van die holen, de bijzondersten en grootsten, dragen te Etretat den zelfden naam, maar in twee talen, in gedeeltelijk Oud-Germaansch, en in Nieuw-Romaansch. De eene heet le Manneporte, en de ingezetenen van Etretat gebruiken dien naam nog dagelijks, al verstaan zij hem niet. En de andere heet le Trou à l’Homme.
Hoe aantrekkelijk de studie der Germaansche plaatsnamen in Normandië ook moge zijn, wij kunnen haar niet verder vervolgen, en keeren weêr terug naar Artesië, en naar de tunnamen, van waar wij zijn uitgegaan op onzen uitstap westwaarts.
Het laatste gedeelte dier namen, tun, genoegzaam verklaard zijnde, blijft ons het eerste gedeelte, het patronymicon, nog over. Die patronymica, Warinc, Todinc, Olinc, enz. vertoonen allen oorbeeldige Sassische vormen; maar de mansnamen Ware, Tode, Ole, waarvan zij zijn afgeleid, liggen niet zoo voor de hand. Dat zijn allen ingekorte, versletene, verbasterde namen, en ze zijn geenszins allen gereedelijk in hunne volledige, oorspronkelijke gedaanten aan te toonen. Ale, den mansnaam, waarvan eerst het patronymicon Alinc, daarna de plaatsnaam Alincthun is ontleend, hebben wij hier voren, op bladz. 105 reeds in zijn oorsprong en verband nagespeurd. Wij willen dit ook met Cole doen, met den mansnaam die aan het patronymicon Colinc, aan den plaatsnaam Colincthun ten grondslag ligt.
Een mansnaam Cole, Colen, Koolen was oudtijds in sommige Nederlandsche gewesten zeer wel bekend en in gebruik, als ingekorte vorm van den volledigen Kerkelijken naam Nicolaus. Maar daar heeft van oudsher buiten dien nog een andere, een oorspronkelijk Germaansche mansnaam Colo bestaan, die nog leeft in sommige geslachts- en plaatsnamen, hier en daar in Germaansche landen verspreid. Wat deze naam eigentlijk beteekent, en met welke andere Germaansche namen hij in verband staat, is mij niet duidelijk. En van gissingen wensch ik mij hier te onthouden. Genoeg, dat hij ook nog deel uitmaakt van de volledige mansnamen Colobert en Coloman. Veelvuldig in gebruik, en menigvuldig in samenstellingen is de naam Colo niet. In Friesland leefde hij, als Kole, nog in de jaren 1500. Thans komt hij nog slechts in afgeleide geslachts- en plaatsnamen voor; te weten als Coolsma en Koolsma, ook in den enkelen vorm Cool en Kool, in Friesland; elders in de Nederlanden als Cools, Colen, Colens, Coolen; en, in verkleinvorm Kooltjes; ook Colinck als patronymicon. In Engeland als Coles. Dit zijn allen geslachtsnamen. Verder in de plaatsnamen: Coleshill, eene stad in Warwickshire, Engeland; Kohlstädt in Lippe-Detmold (Duitschland), in eene oorkonde van de 11de eeuw voorkomende als Colstidi; verder in Kölliken, in het kanton Aarau (Zwitserland), samengetrokken uit den volledigen vorm Kolinkhoven, die onder anderen in eene oorkonde van den jare 864 als Cholinchova voorkomt, enz. Eindelijk Coolskamp, een dorp in West-Vlaanderen; in eene oude oorkonde wordt deze naam als Colescamp vermeld. Maar in den naam van een ander Westvlaamsch dorp, van Coolkerke, schuilt niet deze Oud-Germaansche mansnaam. De kerk van dit dorp is aan Sint-Nicolaas gewijd, en ’t is duidelijk dat de dorpsnaam ontleend is aan den ingekorten naam van den Patroon der Parochie.
Niet alle tunnamen in het Germaansche Frankrijk zijn met patronymica samengesteld. Daar zijn nog anderen, als de opgenoemden. Cottun of de Koetuin is reeds op bladz. 111 genoemd. En verder liggen daar in Artesië nog plaatsen, die Fréthun, Offrethun, Hardenthun, Landrethun, Witerthun, Rocthun, Wadenthun heeten. Deze namen zijn ook in hun eerste lid van ontwijfelbaar Germaanschen oorsprong. Bij het grootste deel dezer namen zal ook wel een mansnaam, op zich zelven en niet als patronymicon, ten grondslag liggen. Oude namen vinden wij hier terug, die ons evenzeer uit Friesche namen, patronymicale geslachtsnamen en anderszins, bekend zijn: Offringa en Vitringa (voluit Witheringa van den mansnaam Witheri, Witer) bij voorbeeld.
Het getal van Germaansche plaatsnamen in Artesië is zeer groot en zeer menigvuldig. Wij moeten nog vermelden:
Audreselles, Aringzele, Tramezele. De eerste dezer namen is verfranscht in zijnen hedendaagschen vorm. Is hij oorspronkelijk Ouderzele (Ter ouder Zele, woonstede bij de oude zale of halle) geweest? Dus de zelfde naam die nog eigen is aan het dorp Oudezele in Fransch-Vlaanderen, en aan het stadje Oldenzaal (ook Oldenzeel genoemd) in Twente? Waarschijnlijk wel.—Aringzele is weêr een oorbeeldig Germaansche naam, bestaande uit een patronymicon, met het bekende woord zele daar achter, dat zoo menigvuldig aan Vlaamsche plaatsnamen eigen is. De mansnaam, die aan dit patronymicon ten grondslag ligt komt als Ara en Aro, en in samengestelde vormen als de mansnamen Arafrid en Aragis, en de vrouwennamen Arohildis en Arolinda in oude geschriften voor. Ook leefde hij nog, als Are, bij de Friezen in de jaren 1500. Arema, oudtijds Aerma geschreven, is nog heden een Friesche maagschapsnaam, even als het patronymicon in den Sassischen vorm Arink nog elders in de Nederlanden als geslachtsnaam bestaat.
Zoo het al twijfelachtig is, bij gemis aan bescheiden, of de bovengenoemde verfranschte naam Audreselles wel werkelijk Ouderzele zij, bij eenen anderen verfranschten naam, die eveneens als eerste lid dit Audre heeft, is het wel zeker, dat oorspronkelijk het Dietsche woord oud, verbogen tot ouder, oudtijds, en nog heden in sommige onzer oostelijke gouwspraken ald, alder, aan den hedendaagschen verfranschten vorm ten grondslag ligt. Namelijk bij den naam van Audruicq, een stedeke, de hoofdplaats van het Land van Bredenaerde, eene bijzondere gouw van Artesië. Deze naam is anders niet als Ouderwijk, in goed Nederlandsch: ter ouder Wijk. In eene oorkonde van de 12de eeuw komt deze naam voor als Alder Wick, en in latere eeuwen vindt men hem geschreven als Auderwick en Ouderwick. De vorm aud voor oud, ook in België niet onbekend, komt nog voor in de Artesische plaatsnamen Audeland, een gehucht bij Licques; Audrehem, enz.
Het woord hof, in verbogen vorm hove, komt niet zeldzaam in Artesische plaatsnamen voor. Polincove is de verbasterde naam van een dorp. In goed Nederlandsch zoude men Polinkhove moeten schrijven; dat is, het hof (in den locativus ten hove) der Polinks of Polingen, der afstammelingen van den man die Pole heette. Deze was waarschijnlijk een Sas, te oordeelen naar den vorm van het patronymicon, ink. Dit zelfde patronymicon leeft nog, in den Frieschen vorm, als Pohlenga, de naam van eene Oostfriesche maagschap. Verder vinden wij het woord hof nog in de namen van eenige landhoeven of hofsteden en gehuchten in Artesië. Bij voorbeeld: Westhove bij Blendecques (Blendekens of Blindekens, als in West-Vlaanderen?); Westerhove bij Eperlecques; Zuthove (Zuidhove) bij Boisdinghem; Monckhove (de hoeve der monniken), Ophove, enz. Alle deze zuiver Dietsche namen bestaan in gouwen, waar thans geen woord Dietsch meer gesproken wordt, en waar men dus ook deze namen niet meer verstaat. Geen wonder dan ook, dat men ze niet meer kan schrijven, en dat men ze langzamerhand verfranscht, verbasterd. Zoo is de naam der hoeve Ophove in deze eeuw reeds verbasterd tot „Au Pauvre”. Daar zal in de volgende eeuw misschien een Franschman zijn, die naspoort, hoe deze hofstede aan zulken vreemden naam, „Aan den Arme” gekomen zij. Waarlijk, van de namen, zoo wel als van de boeken, mag het oude gezegde gelden: habent sua fata.
Eene andere verbastering van het woord hove kan men aantoonen bij den naam van het Artesische dorp Offekerque, eene verbastering die lichtelijk op een dwaalspoor, ter naamsverklaring, leiden kan. Immers het ligt voor de hand om dezen naam te duiden als Offekerke, de kerk (ter kerke in den locativus) van Offe, van den man die Offe heette. Offe toch (Offo, Offa, Uffo) is een Oud-Germaansche mansnaam, die nog heden bij de Friezen als zoodanig in volle gebruik is, en al mede oorsprong gegeven heeft aan de Friesche geslachtsnamen Offinga, Offema, Offes, Offen, Ofkes, enz. en aan de plaatsnamen Offingawier, een dorp in Friesland; Offenwarden, een dorp bij Bremen (Duitschland); Offignies (dat is oorspronkelijk het patronymicon Offingen), een dorp in Picardië (Frankrijk); Offa’s Dyke, een oude grenswal in Engeland, in de 8ste eeuw opgericht door Offa den Angel-Sassischen koning van Mercia; enz. Intusschen, het Artesische Offekerque heeft met dezen ouden mansnaam niets te maken. Deze plaatsnaam is oorspronkelijk Hovekerke (ter kerke bij den hove), zoo als hij nog in oude geschriften voorkomt. In eene oorkonde van den jare 1100 heet deze plaats eenvoudig Hove; misschien was daar toenmaals nog geen kerk aanwezig.
Ook nog andere plaatsnamen met kerke samengesteld, komen in Artesië voor: Ostkerke, Nordkerke, Zutkerke, St-Marie-kerke, die ook wel gelijk Dunkerque en Offekerque, geschreven worden: Ostkerque, enz. Twee andere dorpen aldaar hebben hunne namen heden ten dage volkomen verfranscht, als Vieille-Eglise en Nouvelle-Eglise. Maar op oude landkaarten, zelfs nog uit de vorige eeuw, heeten ze Ouderkercke en Nieuwerkercke. Laatstgenoemde plaats vinden wij in oorkonden van de 12de eeuw als: Niukerka en Niwkerka.
Artesië is, vooral in hare zuidelijke helft, eene schoone landstreek, met zacht glooiende heuvels en liefelijke dalen, met schoone bosschen en heldere bronnen en beken. Deze eigenheden van den bodem worden ook in de namen der plaatsen aangeduid. De heuvels heeten bergen—naardien het woord berg bij alle volken van het berglooze Neder-Germanië (onze Nederlandsche gewesten, Noord en Zuid, en die in Frankrijk daarbij inbegrepen) in gebruik is voor de heuvels en de kleine, soms haast onmerkbare verheffingen des bodems. Zulke bergnamen als plaatsnamen, zijn Boulemberg, Colemberg, Brunemberg, Reberg, Fauquembergue (dit is Valkenberge), enz. Verder heet een heuvel bij het dorp Tilques: Blackenberg. Die bij Journy gelegen is, komt in oude oorkonden voor als Calenberg, die bij Tournehem als Vierberg, en die bij Moulle, ofschoon thans tot Hautmont verfranscht, komt in een stuk van de 15de eeuw voor als de Hoberch (hooge berg). Aan den naam van het dorp Brunemberg bovengenoemd, ligt ongetwijfeld de oud- en algemeen-Germaansche, zeer bekende mansnaam Bruno ten grondslag, naardien Lambert van Ardres, een Artesische schrijver uit de 12de eeuw, dezen naam als Brunesbergh (de berg van Brune, Bruno of Bruin) vermeldt.
De dorpsnaam Colenberg of Colemberg wordt heden ten dage door de Franschen ook wel als Colembert misschreven. In oude oorkonden vindt men wel Coleberg, en Lambert van Ardres bovengenoemd verlatijnscht dezen naam tot Colsbergium. Of de mansnaam Cole, op bladzijde 112 hiervoren vermeld, de oorsprong aan dezen plaatsnaam gegeven hebbe, dan wel Sint-Nicolaas, of iemand of iets anders, moet ik in het midden laten.
Aan den voet der heuvels of bergen strekken de dalen zich uit; en zoo zoekt men ook, nevens de bergnamen, onder de Artesische plaatsnamen de dalnamen niet te vergeefs. Deze namen zijn zoo wel eigen aan de werkelijke dalen zelven, als aan de dorpen, gehuchten, landhoeven, in die dalen gelegen. Op zich zelven, zonder bijvoegsel, is het woord dal, als naam, eigen aan Dalle, een gehucht bij Lacre. Met bijvoegsels vinden wij de plaatsnamen Waterdal, gehucht bij Seninghem; Bramendal, bij Boisdinghem; Langhendale; Diependal, geh. bij Boucquehault. Verder Bruckdal, gehucht bij Hesdin-l’Abbé; Grisendale, eene landhoeve bij Wimille; Merlingdal, hoeve, bij Verlincthun; Pittendal, Totendal, Wysquedal, Kinendale, enz. De vier eerstgenoemden van deze dalnamen zijn nog geheel oorbeeldig Dietsch, en in hunne beteekenis volkomen duidelijk voor iederen Nederlander. In Bruckdal herkennen wij het woord bruck, broek, moeras, dat ook in den naam Brussel (oorspronkelijk Broekzele) voorkomt; in Pittendal het woord put, dat ook in West-Vlaanderen en elders in dezen bijzonderen vorm wordt uitgesproken. Aan den naam Merlingdal ligt een patronymicon ten grondslag.
Aan de hellingen der heuvels en bergen ontspringen bronnen, en het water van die bronnen vloeit als beken door de dalen. Verschillende plaatsen in Artesië zijn naar die bronnen en beken genoemd. Het algemeen Dietsche woord bron komt even menigvuldig voor als born; Hoogduitsch Brunnen en Born; Engelsch burn, born (in de plaatsnamen Blackburn, Tyburn, Osborne, Hachborn) en bourne (Bournemouth, Ashbourne, Isbourne, Eastbourne). In Noord-Nederland als born, borne, boorn, in de plaatsnamen Born, Borne, Warnsborn, Boarnwert (Bornwerd), Boarn (Boorn), Aldeboarn (Oldeboorn), Easterboarn (Oosterboorn), Boarnsweach (Boornzwaag), enz. Zoo wisselt ook dit woord in beide vormen af, in de Artesische plaatsnamen. Een gehucht bij Licques heet heden ten dage Courtebourne, maar wordt in de middeleeuwsche oorkonden als Curtebrona en Curtebrune vermeld. De naam van een ander gehucht, bij Audrehem, wordt hedendaags als Cousebourne geschreven, maar oudtijds Cusebrona, dat is: Kuischebron, of born van rein, helder water. Half verfranscht is tegenwoordig de naam Bellebrune, alsof het de schoone bron beteekende. Maar in de 12de eeuw werd deze naam door den geschiedschrijver Lambert van Ardres vermeld als Berebrona (de bron van den ber of beer, den edelman of baron?). Nog vroeger, in de 9de eeuw, droeg deze zelfde bron den naam van Helichbruna, de heilige bron. Een openbare bornput te Wimille heet Losenbrune, en een andere bij Tingry Lienbrune, de Liên- of Liedenbron, de bron voor alle liên, voor iedereen. Dus als tegenhanger of weêrga van de bovengenoemde Berebron? Dit zelfde woord komt ook voor in den naam Lienstrate, openbare straat of weg, zooals in de 17de eeuw nog eene buurt heette in het stedeke Ouderwijk of Audruicq. Bij Vieux-Moutier, eene plaats die in eene middeleeuwsche oorkonde Oudemonstre heet, is eene Rousquebrune bekend, oudtijds ook als Ruschebrune geschreven; dat is: de ruischende bron, waarvan het water, bij het afvloeien, een ruischend, klaterend gerucht maakt.
Estienbecq (overeenkomende met Steenbeke in Fransch-Vlaanderen en met Steenbeek bij Zetten in Gelderland) en Morbecque (oorspronkelijk de zelfde naam als Moerbeke in Fransch-Vlaanderen, dat ook wel tot Morbecque wordt verwaalscht, met Moerbeke in ’t Land van Waas, Oost-Vlaanderen, en met Moerbeek, gehucht bij Niedorp in Noord-Holland) zijn twee Artesische plaatsnamen, waar het woord beek in voorkomt. Eene straat in de stad Sint-Omaars, hedendaags Rue de l’Arbalête geheeten, werd in de middeleeuwen Becquestraet (Beekstraat) genoemd.
Nevens al de bovengenoemde plaatsnamen, die allen samenhangen met algemeen aardrijkskundige woorden, zijn daar in Artesië nog vele plaatsnamen, die elk voor zich meer op zich zelven staan. Uit het groote aantal dezer namen, allen ook zuiver Dietsch van oorsprong en beteekenis, allen ook zeer bijzonder en zeer merkwaardig, en tevens in hunne hedendaagsche geijkte spelling min of meer verfranscht, kunnen wij hier ook slechts eenige weinigen den Lezer van dit opstel nader voorstellen. Als voor de hand opgenomen vermeld ik dan, vooreerst: Sangatte, en Wissant. Dat deze namen werkelijk in goed Nederlandsch, in algemeen Dietsch, Zandgat en Witzand zijn, namen geheel eigenaardig aan plaatsen die aan zee en in het witte duinzand gelegen zijn, bewijst ons Lambert van Ardres. Deze middeneeuwsche Artesische geschiedschrijver, reeds meermalen in deze verhandeling genoemd, schrijft (in Latijn) dat de hooge, onstuimige zee oudtijds een gat zich had gebaand dwars door de zandduinen, ter plaatse waar later het dorp Sangatte verrees en dat de bevolking dieshalve aan die plaats den naam van Arenae foramen gegeven had. En van het dorp Wissant, dat heden ten dage, nog meer verbasterd, ook wel als Wissan geschreven wordt, schrijft hij: „Ab albedine arenae vulgari nomine appellatur Witsant.”
Verder Marcq (mark of grens), Oye, hedendaags door de Franschen ten onrechte uitgesproken als hun woord oie, gans (’t is echter ode of eenzame onbewoonde plaats); Wiere (Friesch wier of vluchtheuvel?); le Wat (wad of doorwaadbare plaats in waterstroom of beek); Wimille (windmolen), en vele anderen zijn eveneens zulke bijzondere namen.
Al de plaatsnamen, tot dusverre in deze verhandeling genoemd en verklaard, zijn eigen aan plaatsen die nog heden ten dage bestaan, en komen in bovenvermelde, zoowel verbasterde als zuiver Dietsche vormen, in de hedendaags geldige Fransche taal voor. Deze namen zijn bij honderdtallen te tellen. Wil men echter in grondboeken en in oude geschriften, in middeleeuwsche oorkonden, vooral in oude koopbrieven gaan zoeken, dan vindt men de Dietsche namen van velden en wegen, van huizen en straten in Oud-Artesië bij duizendtallen. Ook onder dat zeer groote aantal Oud-Dietsche namen van dat gewest, die in den loop der eeuwen door den overheerschenden Franschen invloed zijn verloren gegaan, en die den hedendaagschen ingezetenen volkomen onbekend zijn, komen er zeer velen voor die uit een taalkundig oogpunt allermerkwaardigst zijn, en die ten volsten de aandacht, de opsporing en onderzoeking der Germaansche taalgeleerden van onzen tijd verdienen. Hoe gaarne zoude ik dezen schat van oude namen den Lezer nader ontsluiten, ten volle kenbaar maken. Een geheel boekdeel zoude ik daarmede kunnen vullen, en—slechts weinige bladzijden hier staan mij daar voor ten dienste. Zoo moet ik mij tot enkele tientallen van deze oude namen beperken.
Namen van stukken land, velden, akkers, enz. Briedstic, Grotstic, Langstic, Cromstic (Breed-, Groot-, Lang-, Kromstuk), Hangstic (aan de helling van eenen heuvel), Skermestic, Vierhornstic en Driehornstic (het stuk met vier en dat met drie hoeken of hoornen; nog heden is het woord hoek in ’t Friesch horn of hoarne, en is daar een stuk land te Marsum in Friesland, dat de Trye-hoarne-finne, de Driehornfenne, heet). Verder Stridland, Gendekinslant (Gendekin is een mansnaam, in verkleinvorm), Morlant, Rodelant, Tarwelant, Brunevelt, Stienvelt en Sanctingevelt (Sint-Inge-veld? aan den weg van Gisen (Guines) naar Witzand (Wissant), heden ten dage tot Saint-Inglevert verfranscht), Stridaker, Gomenacre, Hobbenaker, Blekenaker, Nantacre, Alvesmerscene (Alvesmeerschen; Alf is een Oud-Germaansche mansnaam), Bonemersene, enz.
Namen van bosschen en hout. Cortebosc, Mafferbosc, Bochout en Bocholt (Beukenhout of bosch; deze naam bestaat heden nog en is nu tot Boucquehault verfranscht), Ekhout (Eekhout, Eikenbosch), Malshout, Scapshout, Mutshout, Lantershout.
Namen van straten en wegen, dijken, putten, huizen, bruggen. Hostraet, Hostrat, Ostraet (Hoogstraat, zeer algemeen in schier al de steden en dorpen van Oud-Artesië, even als de Highstreet is in de Engelsche plaatsen). Haghestraet, Stienstraet, Witestraet, Weststraet, Weetstraet, Waghestraet; in de stad Sint-Omaars: Arkestraet (Rue d’Arques—Arques is een naburig dorp—, hedendaags Rue d’Arras genoemd), Becquestraet, zie bladzijde 118, Potestraet—Rue du Pot—, Wackestraet, Vincquestraet, enz. Mellewog, Oudewog en Oudewoghe, Scalrewoge, de weg naar Scalle, hedendaags tot Escalles verfranscht; Gisenewog, Papenwoge, Herewog; Koldic (Koldyk is ook de naam van eene sate of landhoeve bij den dorpe Grouw in Friesland, en deze naam komt bij de hedendaagsche Friezen ook nog veelvuldig als geslachtsnaam voor), Scardic (Schaardijk; Scharendijke is de naam van een dorp op het eiland Schouwen in Zeeland). Calkpit, Marlepit. Pit in plaats van put is nog hedendaags Westvlaamsch. Wolhus, Winthus. Het raadhuis van het stadje Ouderwijk (Audruicq) heette voor twee eeuwen nog le Landshus, Landshuis, omdat het niet enkel voor Ouderwijk diende, maar tevens voor het geheele Land van Breedenaerde, eene kleine gouw in Artesië, waar van dit stedeke middenpunt en hoofdplaats was. En zoo ook heette het raadhuis van het Land van den Hoeke, eene andere kleine gouw in dit gewest, Gyselhus.—Lenebrigge. Het dorp Hoogbrugge bij Sint-Omaars heet tegenwoordig Hautpont, maar komt in de geschriften uit vorige eeuwen als Hobrigge voor, en de ingezetenen van dat dorp als Hobrighenards, Hoogbruggenaren in onze hedendaagsche taal en spelling. Twee bruggen te, of bij Sint-Omaars heeten in oorkonden van de 14de en 15de eeuw: Lobrighe en Texbrighe.
Nog enkele Oud-Dietsche namen, uit middeleeuwsche oorkonden verzameld en allen aan plaatsen in Artesië eigen, mogen hier ten slotte een plaatsken vinden: Helde, Stapele, Stripe, Witstien, Walrichove (hof van Walrik, Germaansche mansnaam), Hongercoutre, Boffershil, Wolfham, Bontun, Riede, Knol, Brocshole, Doetlage, Stienrokkes (Steenrots), Ravenstiene, Robarsdal, Walleshouck (Walle is een mansnaam), Hasewinkel, Rambrectesgat (van Rambert, Ravenbrecht, volledige oude mansnaam), enz.
Als aanhangsel noemen wij hier nog de namen van sommige Artesische wateren, en wel eerstelijk den naam van het riviertje, dat langs de stad St. Omaars vloeiende, de grensscheiding vormt tusschen Artesië en Fransch-Vlaanderen, en dat de Aa heet. Geen oorbeeldiger Dietsche waternaam is er bekend, dan juist deze naam Aa, die eigen is aan riviertjes, stroomkes, beken, schier zonder tal, in alle landen, gewesten en gouwen van geheel Neder-Germanië, van Artesië langs de kusten van Noord- en Oostzee tot in de Oostzee-gewesten van Rusland toe. Deze naam, in de Friesche gewesten als Ee of Ie en Ye, Y voorkomende, beteekent eenvoudig water, stroomend water. Een water bij het stedeke Ouderwijk (Audruicq), waarschijnlijk eene gegravene vaart, heette nog in de 17de eeuw Stavart, (Sta(de), oever? ook voorkomende in den ouden naam van eene kade te St-Omaars, namelijk Erbostade, thans Quai des Tanneurs genoemd; en vaart). Het riviertje dat tusschen Gisen (Guines) en Kales (Calais) vloeit, komt in eene middeleeuwsche oorkonde voor als Leda, in eene andere van den jare 1208 als Gisenlet, en nog anders als Ghisnenlet. De vergelijking met den naam van het rivierke Leda in Oost-Friesland, en met den naam Leie, die in Friesland tusschen Flie en Lauwers aan verschillende wateren eigen is, zoo mede aan de Vlaamsche plaatsnamen Lendelede, Lede, Ledezele, Ledeberg ligt voor de hand.
In Artesië vloeit een helder stroomke, weinig meer dan eene beek, al westwaarts kronkelend door een liefelijk dal; het verbreedt zich verder tot eenen flinken stroom, die langs de stad Boonen (Boulogne sur Mer) loopt, en de haven van deze schoone zeestad vormt. Deze rivier draagt den naam van Liane, een naam die volstrekt geen Dietsch voorkomen heeft. Toch meen ik dat ook deze naam van Dietschen oorsprong zij. Maar oude, middeleeuwsche vormen van den naam Liane zijn mij niet bekend. Zoo neme men den volgenden naamsuitleg voor anders niet als voor eene ongegronde gissing. En, men weet het, gissen doet missen. De grondslag, de oorsprong van den naam Liane dan, meen ik te vinden in den eenvoudigen, boven reeds vermelden waternaam Aa of A. In sommige Nederduitsche tongvallen wordt de naam of het woord Aa verbogen tot Ane, Aan; dezen verbogenen vorm vinden wij in de plaatsnamen Mundahn (Mond van de Aa of Aan) en Overahn, Nordahn (in de middeleeuwen Norda) en Middelstenahe (in de middeleeuwen Middelstenane), die in de Friesche gouwen van Oldenburg en van Hannover (Land Wursten) voorkomen. Het mannelijke lidwoord luidt in de gouwspraak van het Fransch, die hedendaags aan Artesië eigen is, als li. Dit lidwoord neemt wel de plaats in van het Dietsche lidwoord de, ook al blijft het hoofdwoord dat er op volgt, onvertaald. Zoo is de geslachtsnaam De Jager, De Jaghere heden ten dage in Artesië half-verfranscht geworden tot Liagre (Li Jagre) en niet geheel (Le Chasseur). Zoude nu dit lidwoord ook niet het eerste gedeelte van den naam Liane zijn (Li Ane), en deze naam De Ane, De Aa, met andere woorden het water, het stroomende water beteekenen?
Al deze Artesische plaatsnamen, op de voorgaande bladzijden opgenoemd, en nog honderden dergelijken zijn (bij enkelen is dit nader aangeduid geworden) in vorm, oorsprong en beteekenis naverwant of ook volkomen gelijk aan andere namen, die in alle andere Germaansche landen, maar vooral in Vlaanderen, Friesland en Engeland voorkomen, in die landen dus, waar de bevolking oorspronkelijk geheel of ten deele van eenen zelfden stam, van eenen zelfden bloede is met die van Artesië.
De namen, op bladzijde 120 en vervolgens vermeld, zijn allen aan middeleeuwsche oorkonden ontleend, en, naar men mij in Artesië mededeelde, zijn ze daar heden ten dage onbekend; dus uitgestorven. Dit moge voor een groot gedeelte dezer namen waar zijn; dat het echter voor allen zonder onderscheid zoude gelden, meen ik te mogen betwijfelen. Immers namen over het algemeen, en bijzonderlijk plaatsnamen hebben een taai leven. En, al zijn zulke namen van velden en akkers, van dijken en vaarten, van straten en wegen niet meer in geijkten zin bekend, en al komen ze nooit meer in geschrifte voor, het eenvoudige landvolk kent ze nog wel, en gebruikt ze nog wel, zoo goed als hunne voorouders, van geslacht tot geslacht, die deze namen eerst gegeven hebben. De taalvorscher, die dus bij het van ouds ingezetene volk te lande in Artesië naar zulke Oud-Dietsche namen zoeken wil, zal dit zekerlijk niet te vergeefs doen. Zelfs in de steden vindt men nog wel zulke namen, ja, in de stad Kales (Calais), die toch nooit volkomen Dietsch is geweest, zooals de dorpen in den omtrek. Daar ter stede draagt een buurtje aan de haven, waar de visschersschepen liggen, buiten den ouden vestingwal, ter plaatse waar oudtijds het strand zich uitstrekte, den naam van Place de l’Estran, zoo als ik zelf gelezen heb op het naambordje aan het hoekhuis. Wie herkent in dit Estran niet den verfranschten vorm van ons woord strand, of strange volgens de Westvlaamsche, strân volgens de Friesche uitspraak? En, als om de Oud-Dietsche herinnering te volmaken, de tapper die in dat hoekhuis zijn bedrijft uitoefent (althans in 1891 uitoefende) draagt den oorbeeldigen geslachtsnaam van Barends.
Zeer bijzonder en hoogst opmerkelijk zijn sommige woordvormen die in deze Oud-Artesische namen voorkomen; zoo als wog (in verbogenen vorm woge, woghe) voor weg, en brigge voor brug. Ook mille en melle voor molen, rok voor rots, enz.
Voorbeelden van wog en brigge, in plaatsnamen, zijn op bladzijden 120 en 121 reeds genoemd. Anders en elders is dit woord wog mij nooit voorgekomen. In eene oorkonde van den jare 1286 wordt bepaaldelijk de weg die van het stedeken Gisen (Guines) naar het dorp Witzand (Wissant) voert, de Gisenewog genoemd. Men vergelijke de Gisenlet op bladzijde 122 vermeld. Dat men evenwel oudtijds het algemeen geldige Dietsche woord weg, verbogen als wege, ook wel kende in Artesië, blijkt uit oorkonden van de veertiende en vijftiende eeuw, waarin melding gemaakt wordt van den Boerwegue bij Baienghem, en van den Oudeweg bij Salperwijk (Salperwic). Aan het voorkomen dezer twee woordvormen wog en weg, nevens elkanderen, zal wel de zelfde of eene soortgelijke oorzaak ten grondslag liggen, als die is, welke het voorkomen der twee vormen ing en ink, bij den patronymicalen uitgang, heeft te weeg gebracht. Zie bladzijden 98 en 106 hiervoren.
De vormen brigge (op bladzijde 121 vermeld), Friesch bregge, brug; mille of melle, molen (in den hedendaagschen dorpsnaam Wimille, oudtijds voluit Windmille, windmolen, en in Mellewog, dat in eene oorkonde van 1286 voorkomt, en als Chemin du moulin wordt verfranscht), en rok voor rots (in Stienrokkes—meervoudsvorm, en misschien ook in Roccalf en in Brocshole = bij Rokshole, bij het hol in de rots?), deze drie ook in de oorkonde van 1286 vermeld, bieden eene zeer opmerkelijke overeenkomst, ja eene volkomene gelijkvormigheid aan met de vormen die deze drie woorden in de Engelsche taal hebben (bridge, mill en rock). Deze overeenkomst bevestigt te meer mijne meening dat de voorouders van een deel der hedendaagsche Engelschen, en die van de oorspronkelijk Germaansche bevolking van Artesië, lieden zijn geweest van eenen en den zelfden bijzonderen Sassischen volksstam, lieden die, gezamenlijk uit het Oosten (dat is in dit geval, voor het naast uit Noordwestelijk Duitschland) opgetrokken en westwaarts getogen zijnde, voor een deel naar Brittannië overstaken, uit de havens van Kales en Boonen, maar voor een ander deel achter bleven in de gouw rondom deze oude, reeds door de Romeinen bezette steden.
En niet enkel met het Engelsch, ook met het Friesch leveren de Oud-Germaansche plaatsnamen van Artesië punten van overeenkomst op. Trouwens dit kan wel niet anders, waar Friesch en Engelsch beiden nog heden zoo naverwant en oudtijds uit eene zelfde bron zijn ontsproten. Deze overeenkomst vinden we, in gezamentlijken zin, in het woord aker, ook wel gespeld acre, hedendaagsch geijkt Dietsch akker, dat deel uitmaakt van sommige Oud-Artesische plaatsnamen. Dit woord, in het Friesch zoowel als in het Engelsch als eker uitgesproken, is nog heden eigen aan de taal van Friezen en Engelschen, en komt in de plaatsnamen dezer volken voor: Franeker in Friesland; Longacre in Engeland. Verder stemmen de Artesische woorden stic voor stuk, horn voor hoek, stripe voor streep, stien voor steen, enz. allen in oude plaatsnamen voorkomende, letterlijk overeen met de zelfde woordvormen in het Friesch, zooals het nog hedendaags leeft. Trouwens, in den loop dezer verhandeling hebben wij reeds meermalen gelegenheid gehad, den Lezer te wijzen op de bijzondere overeenkomst tusschen Oud-Artesisch en Friesch.
Indien men met opmerkzaamheid eene aardrijkskundige kaart van Artesië gadeslaat, valt het den Nederlander al spoedig in het oog dat een zeer groot deel der plaatsnamen, daarop vermeld, Dietsche namen zijn, gelijk hierboven breedvoerig is aangetoond. Maar nevens en tusschen deze Dietsche namen kan men ook vele namen opmerken, die een Fransch voorkomen vertoonen in hunnen vorm en in hunne spelwijze, en die door niemand voor oorspronkelijk Dietsche namen zullen worden gehouden. Werkelijk zijn dan ook eenigen van die namen, welke van jonge dagteekening zijn, en ontstaan ten tijde dat de Dietsche volkstaal in die gouw van het Artesische land reeds geheel of ten deele uitgestorven was, Fransch, behooren tot de Fransche taal. Maar anderen zijn toch oorspronkelijk Dietsch, al zien ze er in hunne hedendaags geldige vormen ook nog zoo Fransch uit. Die namen zijn eenvoudig in sterke mate veranderd, verbasterd, naar de uitspraak der Fransche tonge, naar de spelwijze der Fransche penne vervormd, verdraaid, mismaakt. Reeds zijn een paar van dat soort van namen vermeld op bladzijden 102 en 115, waar medegedeeld is dat van den ouden en oorspronkelijken naam Henrickinghem heden ten dage Heuringhem is geworden, en dat Ophove tot Au Pauvre is verfranscht. De volgende Artesische plaatsnamen behooren verder nog tot deze groep: Hydrequent, de hedendaagsche naam van een dorp in Artesië, is oorspronkelijk Hildheringahem, de woonplaats der Hilderingen, der nakomelingen van Hildheri of Hilder, een volledige algemeen Oud-Germaansche mansnaam. In eene oorkonde van den jare 1286 staat deze volledige dorpsnaam in den vorm Hildrichem vermeld, een vorm die wel reeds eeniger mate versleten is, maar die nog duidelijk een Germaansch voorkomen heeft, terwijl het hedendaagsche Hydrequent volkomen onkenbaar zoude zijn, ware ’t niet dat de genoemde middeleeuwsche oorkonde ons op het goede spoor bracht ter herkenning en verklaring. Een tegenhanger van Hydrequent is de hedendaagsche naam Rinxent, mede eigen aan een Artesisch dorp. Deze naam vinden wij in eene oude oorkonde vermeld als Erningessem, en in een ander middeleeuwsch geschrift, maar van latere dagteekening, als Reningessem. De oudste vorm is de oorspronkelijkste, en doet ons dezen naam duiden als Erningeshem, Erningshem, Erning’s woonplaats. De vorm Reningessem is slechts een letterkeer van Erningessem, en Rinxent is daarvan eene verdere verbastering. Eindelijk nog Hardinxent, dat van oorsprongs wegen Hardingessem, Hardingshem, de woonplaats van den man Harding is. Erning en Harding, als samenstellende deelen van de twee laatstgenoemde plaatsnamen zijn wel patronymicale vormen, maar deden toch dienst als eenvoudige mansvóórnamen, gelijk uit hunne genitiefvormen op es uitgaande blijkt, en gelijk nog heden in Friesland voorkomt, waar Tjalling, Waling, Eling, enz. ofschoon eigentlijk patronymica zijnde, toch ook als eenvoudige mansvóórnamen dienst doen. Verder, Dohem heette in de elfde eeuw Dalhem, de woonplaats in het dal, een plaatsnaam die als Dalhem (in ’t Land van Luik), als Dalem (in Gelderland) en als Thalheim, nog heden aan België, Nederland en Duitschland eigen is. Upen komt in oude oorkonden als Ophem voor, een naam die door eenen geleerden Franschman dezer eeuw terecht als „Village d’en haut” is verklaard. Het hedendaagsche Weims is ook zeer verbasterd, naardien de oorspronkelijke vorm van dezen naam is Widinghem, dat is: woonplaats der afstammelingen van Wido, Wito, Wyt, (Guido in verfranschten vorm). De mansnaam Wido is in verschillende vormen en onderscheidene afleidingen en samenstellingen zeer algemeen, vooral onder de Friezen (Wytse).—De dorpsnaam Tubersent van heden ten dage doet ook den oorspronkelijken vorm niet raden noch erkennen. Die oude, volledige vorm is Thorbodessem, Thorbodeshem, de woonplaats van den man, die den zeer ouden en schoonen mansnaam Thorbodo droeg.
Nog drie dorpsnamen zijn in Artesië, die in zoo sterke mate verbasterd en verfranscht zijn, dat niemand ze meer zoude kunnen herkennen als namen die eenen Germaanschen oorsprong hebben, dat iedereen ze voor Romaansche, voor echt Fransche namen moet houden. Dat zijn de namen Herbelle, Annezin en Fampoux. Den eerstgenoemden naam vinden wij in eene oorkonde van de elfde eeuw vermeld als Hardberg. Inderdaad ligt Herbelle op eenen heuvel of berg, die heden ten dage Roide-Mont heet.—Annezin is verbasterd van Annineshem, zooals deze dorpsnaam in oude geschriften voorkomt. De oorsprong, de beteekenis van dit Annineshem is niet recht duidelijk. Het kan oorspronkelijk Anningshem zijn, samengesteld met eenen mansnaam Anning, die een patronymicale vorm van den mansnaam Anne is, oneigenlijk gebruikt, zooals op de voorgaande bladzijde aangegeven is bij Harding en Erning, Tjalling, enz. Het kan ook beteekenen: woonplaats van Annin, ’t welk dan als een verkleinvorm van Anne gelden kan. Anne, op zich zelven, is nog heden als mansnaam bij de Friezen in volle gebruik, en sommige Friesche geslachts- en plaatsnamen zijn aan dezen mansnaam ontleend: bij voorbeeld, om van beide naamsoorten slechts eenen naam te noemen: de geslachtsnaam Annema, en de naam van het dorp Anjum, oorspronkelijk voluit Anningahem.—Fampoux eindelijk is langs de vormen Fampoel, Vanpoel, Venpoel, ontstaan uit den oorspronkelijken naam Venepoel (Friesch Feanpoel, Oud-Friesch ook Faen voor veen), door eenen Artesischen geleerde van deze eeuw vrij juist vertaald als Etang de la tourbière.
Aan het slot van dit opstel willen wij nog eene bijzondere zaak hier te berde brengen, die wel de aandacht verdient der volkenkundigen, bijzonderlijk van hen, die de tochten nasporen van die volken en volksstammen uit Noordwestelijk Germanië, welke Brittanië hebben ingenomen en aldaar hunne volkplantingen hebben gevestigd.
Reeds een en andermaal is er in deze verhandeling op gewezen, dat eenige bijzondere woorden en woordvormen, die in Artesische plaatsnamen voorkomen, eveneens gevonden worden in Engelsche plaatsnamen, of anderszins eigen zijn aan de Engelsche taal. Dit betrof echter in hoofdzaak slechts eenige samenstellende deelen van die namen. Maar daar bestaat nog eene grootere overeenkomst tusschen sommige Artesische en Engelsche namen, eene overeenkomst die den geheelen naam betreft. Zoo vinden wij de volgende namen:
In Artesië en in Engeland.
Warhem. Warham.
Fréthun. Freton.
Hollebecque. Holbeck.
Sangatte. (Zie bladz. 119). Sandgate.
Inghem. Ingham.
Wimille. (Zie bladz. 121). Windmill.
Grisendale. Grisdale.
Rattekot. Radcot.
Le Wast. Wast.
Appegarbe. Applegarth.
Het valt niet te ontkennen dat enkelen dezer namen een meer algemeen karakter hebben, en zeer wel, volkomen onafhankelijk van elkanderen, elk op zich zelven, Noord en Zuid van het Engelsche-Kanaal kunnen zijn ontstaan; bij voorbeeld: Wimille, Windmill en Sangatte, Sandgate. Toch blijft, bij de andere namen, de overeenkomst opmerkelijk, en een gemeenschappelijke oorsprong blijft niet buitengesloten. In sommige patronymicale namen ligt zulk een gemeenschappelijke oorsprong nog nader voor de hand. Zie hier nog een lijstje van die overeenstemmende patronymicale plaatsnamen,
in Artesië en in Engeland.
Alincthun. Allington.
Bazinghem. Bassingham.
Colincthun. Collington.
Hardinghem. Hardingham.
Linghem. Lingham.
Balinghem. Ballingham.
Berlinghen. Birlingham (Nevens Berlicum, dat is voluit Berlinkheim, in Noord-Brabant en in Friesland).
Elighen. Ellingham.
Eringhem. Erringham (Nevens Erichem, dat is voluit Erinkhem, in Gelderland).
Lozinghem. Lossingham.
Maninghem. Manningham.
Masinghen. Massingham.
Pelincthun. Pallington.
Todincthun. Toddington.
De patronymica die den grondslag van deze namen uitmaken, en die, aan den Artesischen en aan den Engelschen kant geheel de zelfden zijn, of anders zoo gelijkvormig, dat een zelfde oorsprong voor beiden aangenomen mag worden, hebben bij sommigen de meening doen ontstaan dat zoowel de Artesische als de Engelsche plaatsen, waaraan deze namen eigen zijn, juist ook door de zelfde lieden zouden zijn gesticht. Met andere woorden, dat de zelfde Hardingen, de afstammelingen van eenen zelfden aartsvader Hardo, in Artesië zoowel een hem, eene woonstede zouden hebben gevestigd, een Hardinga-hem (Hardinghem), als in Engeland (Hardingham). Ofschoon deze zaak geenszins onmogelijk, zelfs niet onwaarschijnlijk te achten is, zoo vloeit ze toch ook geenszins noodzakelijk voort uit deze gelijkheid der plaatsnamen. Immers Hardo was, en is nog heden, een algemeene mansvóórnaam, die door verschillende personen te gelijker tijde gedragen werd en wordt. Zoo zijn er ook verschillende maagschappen Hardinga of Harding, Hardink, onderling niet verwant. De eene maagschap van dien naam kan in Artesië, de andere in Engeland een hem hebben gegrondvest.
Engelsche navorschers en geleerden hebben uit deze gelijkluidende of volkomen gelijke plaatsnamen nog eene andere meening afgeleid. Volgens hen zouden lieden, inwoners uit Hardingham in Engeland (om bij het eens genomen voorbeeld te blijven), als landverhuizers of volkplanters zijn uitgetogen, om in Artesië zich te vestigen. Bij hunne vestiging aldaar zouden zij dan, in herinnering aan hunne voormalige woonplaats, hunne nieuwe woonstede genoemd hebben met den zelfden naam, dien het oude hem (ham) in Engeland droeg—gelijk zulks in deze eeuw menigvuldiglijk is geschied bij de volkplantingen van Engelschen, Nederlanders en andere Europeanen in Amerika. Intusschen, de geschiedenis leert ons dat de vestiging van Sassen en andere Neder-Duitschers in Artesië reeds van zeer oude dagteekening is, en, voor een deel althans, zeer zeker ouder dan de nederzetting dier volken in Brittannië. Wij meenen dus bij onze voorstelling dezer zake te mogen volharden, gelijk die op bladzijde 107 en vervolgens hiervoren is medegedeeld. Ook komt het ons aannemelijker voor bij deze gelijke namen in Artesië en in Engeland liever te willen denken aan eene toevallige gelijkheid, ontstaan door de algemeenheid van dezen of genen mansnaam (Hardo; Ale of Alle in Alincthun en in Allington en in Allingawier in Friesland)—dan aan eenzelvigheid in den persoon van den aartsvader, ’t zij deze dan Hardo of Ale, Colo, Colle of iets anders heette.
De patronymica van bovengenoemde Artesische en Engelsche plaatsnamen, en nog talrijke anderen hier niet opgenoemd, zoo mede de mansvóórnamen, waarvan zij afgeleid zijn, komen verder nog, in verschillende onwezenlijk afwijkende vormen, bij schier alle andere Germaansche volkeren en volksstammen eveneens voor, en hebben ook daar aan een groot aantal geslachts- en plaatsnamen hunnen oorsprong gegeven. Dit alles na te sporen en uitvoerig, naar den vollen eisch, hier te vermelden, en dan ook de menigerlei opmerkingen, die zich daarbij voordoen, nader hier te ontvouwen, is zeker eene aangename studie. Wil ik echter niet te veel hooi op de vork nemen, wil ik niet te veel ruimte hier beslaan, niet te veel van de belangstelling mijner Lezers vergen, dan moet ik mij bescheidenlijk met het bovenstaande vergenoegen.
Zoo kort en beknopt mogelijk dien ik echter toch ook nog een paar bladzijden te wijden aan de Germaansche mans- en vrouwen-vóórnamen en aan de Germaansche geslachtsnamen, die in Frankrijk, die vooral in de Dietsche gewesten van dat land in gebruik zijn en voorkomen.
Wat de mans- en vrouwen-vóórnamen aangaat, zoo heb ik hier niet zoo zeer het oog op die namen van Germaanschen oorsprong, die over schier geheel de beschaafde wereld verspreid zijn, en die ook in Frankrijk geenszins ontbreken, zij het dan ook in verfranschten vorm. Zulke namen (Henri, Fréderic, Albert, Bertrand, Gérard, Guillaume, Louis, Charles—dan ook Henriëtte, Adèle, Mathilde, Gertrude, Berthe, en vele dergelijken) zijn wel van Oud-Germaanschen oorsprong; ze zijn zeker nog afkomstig van de Germaansche Franken, het volk van Keizer Karel den Grooten, die voor een deel de voorvaderen zijn van het hedendaagsche Fransche volk. Maar in het bijzonder vestig ik hier de aandacht op die Oud-Dietsche, Oud-Nederlandsche namen, die, veelal min of meer versleten, of in vlei- of verkleinvorm, nog eigen zijn aan de Dietsche, de Vlaamsche bevolking van Fransch-Vlaanderen en van Artesië, die daar in de middeleeuwen, en nog in de zestiende eeuw algemeen of vrij algemeen in gebruik waren, en die ook heden nog daar leven, zij het dan niet in geijkten zin, dan toch in het dagelijksche leven, in den huiselijken en vriendschappelijken kring.
Eene uitvoerige en belangrijke verhandeling over dit onderwerp, over deze Oud-Dietsche mans- en vrouwen-vóórnamen bij de bevolking van Noordwestelijk Frankrijk, is door C. Thelu geschreven, onder den titel Noms de baptême avec leurs contractifs et diminutifs en usage chez les Flamands de France, en geplaatst in het derde deel van het tijdschrift Annales du Comité flamand de France. In die verhandeling wordt een zeer groot aantal van die namen vermeld. Het is inderdaad zeer merkwaardig te zien hoe vele echt Oud-Dietsche, echt Oud-Germaansche namen daar in die Oud-Dietsche gewesten, al behooren ze sedert twee of drie eeuwen en langer tot Frankrijk, nog in gebruik gebleven zijn, of voor jaren nog in gebruik waren.
Onder deze namen treft men er aan, die men hedendaagsche Algemeen-Germaansche, ook Algemeen-Nederlandsche kan noemen, zoo wel als bijzonder Friesche namen; dat is: Oud-Germaansche namen in Frieschen vorm, zoo vlei- als verkleinvorm. Uit dit voorkomen van Friesche namen en naamsvormen onder de Dietschen van Artesië, onder de Vlamingen van Fransch- of Zee-Vlaanderen blijkt eens te meer dat een deel des volks in die gewesten, langs den zeekant gezeten, van Frieschen oorsprong is, en van Frieschen volksaard.
Als enkele voorbeelden van zulke algemeen Oud-Dietsche namen in die gewesten, vermeld ik hier de mansnamen Alart (Adelhart), Arend (Arnhold, Aernout), Bartelt (Barthold, Berchthold, Bertout), Barent (Bernhart, Bernaart), Bruyn (Bruno), Evert (Everhart, Everaart), Ewout, Franck, Gysbert, Willem, Heynrick, Huybrecht, Coenradt, Ryckaert. En de vrouwennamen Brechtje, Engeltje, Duyfken, Truy, Aaltje (Adela), Roosje, enz.
En als voorbeelden van bijzonder Friesche namen en naamsvormen in die gouwen mogen de volgenden gelden:
Mansnamen. Eppo, Agge, Bouken, Bouwen (een samengetrokken vorm van Boudewijn), Wessel, Binnert, Bonne, Boye, Cyrick (in Friesche spelling Sierk), Douwe, Egge, Eling, Eise, Feycke, Feyen, Fonger, Gabe, Gauke, Gerken, Wybe, Hille, Ide, Jelken, Jelten, Lins, Lieuw, Lyckel, Lolck, Luyt, Lolle, Monten, Menne, Bonten, Rintse, Reyn, Riemer, Romke, Wimar, Wisse, Fedde, Hayen, Ytzen, enz.
Vrouwennamen. Lamke, Nieske, Aefje en Aefken, Mintje en Minke, Itjen, Femmetje, Gepke, Wybrig, Heyltjen, Hilleken, Idtsken, Jayke, Jel, Luts, Metjen, Rix, Richtje, Walleken, Wentje, Diewertje, Swaentje, Haeske, enz.
Al deze namen zijn juist zóó als ze hier vermeld staan, of anders met geringe, onwezenlijke afwijkingen in de spelling, nog heden ook onder de Friezen in volle gebruik.
De schrijver van bovengenoemde verhandeling in de Annales du Comité flamand de France heeft den Oud-Germaanschen oorsprong van deze namen niet erkend. Hij is in zijne verklaring dezer namen volkomen op eenen doolweg. In al deze namen ziet hij slechts verknoeide, verminkte, versletene, saamgetrokkene, verkleinde, in sommige gevallen ook vertaalde vormen (Minke van Charitas) van Bijbelsche en van Kerkelijke namen, uitsluitend van zulke namen die door de Roomsch-Catholyke Kerk als doopnamen voor de kinderen van de belijders harer leer, in geijkten zin erkend worden. En zoo worden in die verhandeling die volledige Bijbelsche en Kerkelijke namen dan ook steeds als de oorspronkelijke namen vermeld, nevens die Oud-Dietsche en Friesche namen en naamsvormen. De schrijver staat in deze zaak geheel op het zelfde onjuiste standpunt, waar ook het bekende lijstje van doopnamen, ten dienste der Roomsch-Catholyke geestelijken op staat; te weten, de Nomina vernacula Hollandorum et Frisiorum, adjuncta nominibus Sanctorum, quae per illa significantur, gevoegd achter het Rituale Romanum contractum et abbreviatum in usum Sacerdotem Missionum Hollandiae.
Als voorbeelden van zulke geheel averechtsche naamsafleidingen, in Thelu’s verhandeling voorkomende, wijs ik hier op gedrochtelijke verklaringen, als Cyrick (Sierk, Sigerik, Zegerijk, rijk in overwinning) van den Kerkelijken naam Cyriacus; Eppo van den Bijbelschen naam Absalon, of van den Kerkelijken, oorspronkelijk Griekschen naam Epìmachus; Douwe van David; Fecken (Fekke) van Felix; Lolka van Lucas, Hayen (Hayo) van Hyacinthus. Verder op de vrouwennamen Lamke en Nieske die beide oorspronkelijk Agnes zouden zijn; op Minke dat van Charitas zoude komen; Femmetje van Euphemia, Jel (Jeltje) van Juliana, Grets (Gretske, Graetske) van Grata, enz. Maar genoeg van dezen onzin.
In het tijdschrift De Navorscher, jaargang XX, bladzijde 251, heb ik zelf, onder den titel Friesche namen in Frankrijk op bovengenoemde verhandeling van Thelu de aandacht gevestigd, en de zaak der Friesche namen in Frankrijk nader ontvouwd, en met voorbeelden gestaafd. Naar deze twee geschriften, dat van Thelu en dat van mij, verwijs ik verder den belangstellenden lezer.
Wat nu de bijzonder Dietsche geslachtsnamen aangaat, die in schoone, veelal zeer oude vormen nog heden onder de Vlamingen en de Dietschen van noordwestelijk Frankrijk voorkomen, als eene getuigenis van den alouden oorsprong des volks in die gewesten, als eene getuigenis van de nauwe verwantschap, ja van de eenzelvigheid die ons, Noord- en Zuid-Nederlanders, met dien verlatenen broederstam in Frankrijk verbindt, vereenigt—daarvan weet ik nog minder mede te deelen dan van de Oud-Dietsche mans- en vrouwen-vóórnamen in die gouwen. Ik kan hier slechts enkele Oud-Dietsche maagschapsnamen geven, die door mij, op mijne omdolingen door de straten der steden Duinkerke, Sint-Winoks-Bergen, Hazebroek, Sint-Omaars, Kales en Boonen (St. Omer, Calais en Boulogne sur Mer) van de naambordjes der huizen zijn opgeteekend. Zie hier dat lijstje:
Het gaat niet aan van alle deze maagschapsnamen hier naderen uitleg, nadere verklaring wat hunne beteekenis aangaat, te geven,—al is dit onderwerp ook nog zoo aanlokkelijk voor mij, en voor den Lezer zeker niet onbelangrijk. Maar ik zoude zoodoende te veel in herhaling moeten vervallen, met ’t gene ik reeds vroeger uitvoerig heb geschreven. Met mijn werk De Nederlandsche geslachtsnamen in oorsprong, geschiedenis en beteekenis (Haarlem, 1888) in de hand, kan iedereen de verklaring dezer namen gemakkelijk vinden.
Het is voor iederen Vaderlander duidelijk, dat dit allen goed Oud-Dietsche, ik mag wel zeggen goed Oud-Nederlandsche namen zijn, en dat de dragers dezer namen onze volksgenooten, ja onze volle broeders in volkenkundigen zin moeten wezen. Deze schoone namen zijn grootendeels of allen ongetwijfeld van oude dagteekening; zij bieden ook in menig opzicht allerlei aanleiding tot veelvuldige beschouwingen op het gebied onzer namenkunde.