Note 1 — II NEDERLANDSCHE NAMEN IN FRANKRIJK.
Reading edition
Dat ook oudtijds, reeds in de 16de eeuw, de Franschen zoo dachten, daarvan strekt het volgende voorval ten bewijze.
Jonker Wigle van Aytta, van Swichum, lid en Voorzitter van den Raad van State, en van den Geheimen Raad ten hove te Brussel, bij Keizer Karel den Vde en later bij diens zoon, was een echte Standfries. Eens ontving hij als voorzitter van den geheimen raad, een afgezant van den Koning van Frankrijk, die over belangrijke staatszaken met hem wilde onderhandelen. Deze man, van den zelfden aard, die velen Franschen in den tegenwoordigen tijd ook nog eigen is, sprak Jonker Wigle aan in het Fransch, en bracht hem zijne boodschap over, in die taal sprekende. Jonker Wigle liet hem geheel uitspreken, en gaf den Franschman toen zijn antwoord in het Friesch, dat is, in zijne eigene moedertaal. De ambassadeur nam dit hoogst euvel op, en vroeg, in zijne Fransche opgeblazenheid geraakt, of de raadsheer met hem en met zijnen koning den spot dreef, door hem bescheid te geven in eene taal, die hij niet verstond. Maar Jonker Wigle antwoordde in kalme en eenvoudige waardigheid, en zeide: „Zijn wij dan meer gehouden, om uwe taal te spreken, als Gij de onze? Wanneer wij in Frankrijk komen, spreken wij Fransch. Het is dus ook billijk, dat Gij, als Gij hier in de Nederlanden wat te zoeken hebt, ook onze taal gebruikt. Of, zoo Gij dit niet kunt doen, spreek dan Latijn, de taal die allen volkeren gemeen is.” ↑